
Postbankwet
Artikel 1
1
Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden bij eenzijdige rechtshandeling op te richten de naamloze vennootschap Postbank N.V., waarop van toepassing zijn de artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en welke ten doel heeft de uitoefening van het bankbedrijf met het oog op de voortzetting van de dienstverlening zoals die werd verricht door de Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank, waarbij de vennootschap dient te streven naar continuïteit van de instelling alsmede naar een vanuit bedrijfseconomisch oogpunt redelijk rendement op het eigen vermogen.
2
Onze voornoemde minister wordt gemachtigd om namens de Staat deel te nemen in verdere plaatsing van kapitaal door de vennootschap.
3
De vennootschap kan ingevolge het eerste lid worden opgericht zonder dat op de datum van oprichting een ondernemingsraad is ingesteld. Tot het tijdstip waarop de Postbank N.V. krachtens wettelijke verplichting een ondernemingsraad heeft ingesteld, worden commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.