
Mijnbouwwet
Artikel 33
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25, dan wel, ingeval de vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:
a
nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt,
b
schade door bodembeweging wordt veroorzaakt,
c
de veiligheid wordt geschaad, of
d
het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte wordt geschaad.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.