
Gerechtsdeurwaarderswet
Artikel 36
1
Het is aan de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders verboden:
a
hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen bekend te maken;
b
de gevoelens te openbaren, die in raadkamer over aanhangige zaken zijn geuit;
c
met betrekking tot een voor hen aanhangige zaak of een zaak die naar zij weten of vermoeden aanhangig zal worden, zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met belanghebbenden of van dezen enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aan te nemen.
2
Een gerechtsdeurwaarder die lid of plaatsvervangend lid is van de kamer voor gerechtsdeurwaarders, kan niet tot waarnemend gerechtsdeurwaarder worden benoemd.
3
Het bepaalde in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46o en 46p, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden en de plaatsvervangende leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.
4
Het lidmaatschap van de kamer voor gerechtsdeurwaarders van leden en plaatsvervangend leden vervalt van rechtswege indien zij ophouden te voldoen aan de vereisten voor benoeming.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.