
Noodwet rechtspleging
Artikel 9
1
De president van een gerechtshof, waarvoor de voorziening, omschreven in artikel 4, onder a, is getroffen, kan voor de werkzaamheden van dat hof de tijdelijke voorzieningen treffen, die hij in het belang van een goede rechtspleging noodzakelijk acht. Hij kan daarbij afwijken van het bij of krachtens de wet voor die werkzaamheden bepaalde. In het bijzonder kan hij, indien dit met het oog op het aantal voor rechtspraak beschikbaren onvermijdelijk is, bepalen, dat de zaken van alle of bepaalde meervoudige kamers worden waargenomen door enkelvoudige kamers en kan hij voorts bepalen, dat zittingen uitsluitend of mede worden gehouden op andere plaatsen dan die, waar zich de zetel van het hof bevindt, mits gelegen binnen het rechtsgebied van het hof.
2
Gelijke bevoegdheid als in het vorige lid omschreven, berust bij de president van een rechtbank, waarvoor de voorziening, omschreven in artikel 4, onder b, is getroffen, ten aanzien van die rechtbank, met dien verstande dat zittingen van de rechtbank alleen kunnen worden gehouden binnen het rechtsgebied van de rechtbank.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.