Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF5439

Datum uitspraak2001-03-29
Datum gepubliceerd2001-08-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
ZaaknummersAwb 00/350
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen Reg.nr.: Awb 00/350 Awb 00/350Awb 00/350 Uitspraak inzake: Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen, eiseres, tegen de Commissaris der Koningin in de provincie Zeeland, verweerder. 1. Procesverloop. Bij besluit van 18 november 1999 heeft verweerder aan de wildbeheereenheid „Zuid-West-Zuid-Beveland“ (hierna: de WBE) vergunning verleend voor het met behulp van een jachtgeweer doden van waterhoentjes gedurende de periode van 18 november 1999 tot en met 31 maart 2000 op de landbouwgronden in het werkgebied van die WBE, gelegen in de gemeente Borsele. Namens eiseres is een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend. Bij besluit van 8 juni 2000 heeft verweerder de bezwaren deels gegrond, deels ongegrond verklaard en de vergunning op onderdelen aangepast. Van dit besluit is namens eiseres beroep bij deze rechtbank ingediend. Het geschil is op12 december 2000 behandeld ter zitting. Namens eiseres was aanwezig haar gemachtigde, mevrouw P. de Jong. Voor verweerder zijn verschenen zijn gemachtigden M.A. Steijn en mevrouw mr. P. Rouwendal. 2. Overwegingen. De omstreden vergunning ziet op het voorkomen van belangrijke schade door waterhoentjes aan wintertarwe en eerstejaarsgraszaad op de landbouwgronden in het gebied van de WBE in de periode van 18 november 1999 tot en met 31 maart 2000. De vergunning is gebaseerd op artikel 10 van de Vogelwet 1936 (hierna: Vogelwet). Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, van dit artikel kan de Commissaris der Koningin in de provincie, in afwijking van het in artikel 5 van die wet neergelegde verbod om beschermde vogels te doden of te vangen, ter voorkoming van belangrijke schade aan - in dit geval - gewassen, vergunning tot die handelingen verlenen, indien ter voorkoming van die schade geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het vangen of doden van deze vogels. Waterhoentjes zijn beschermde vogels als bedoeld in genoemde artikelen. Verweerder heeft bij het verlenen van de vergunning overwogen dat het groepsgewijze fourageergedrag van winterse concentraties van waterhoentjes aanzienlijke schade kan teweegbrengen door het uitrukken van kiemplantjes en het plattrappen van de bovengrond. Ter plaatse is door een provinciaal ambtenaar geconstateerd dat op een perceel wintertarwe op een strook grond langs een waterloop schade was opgetreden over een oppervlakte van in totaal ca. 0,5 ha, dat zich op het perceel en in de naastgelegen waterloop tientallen water-hoentjes bevonden en dat naar schatting 80% van de planten was uitgepikt en vele planten waren afgegraasd. De schade is beraamd op minimaal f 1.000,-. Tevens is geconstateerd dat de grondgebruiker preventieve maatregelen had getroffen in de vorm van vlaggen en linten en regelmatig patrouilleren met een hond. Hiermee kon geen afdoende beperking van de schade worden bereikt. Andere methoden, zoals het afrasteren van de percelen, acht verweerder niet effectief en te kostbaar. Verweerder acht het aannemelijk dat ook elders in het gebied van de WBE dergelijke schade valt te verwachten De gemachtigde van eiseres stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat er daadwerkelijk belangrijke schade door waterhoentjes dreigde en dat er bovendien wel andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn. Tevens is zij van mening dat de vergunning een deugdelijk controlevoorschrift ontbeert. De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op genoemd artikellid van de Vogelwet dient de aanvrage voor de omstreden vergun-ning door verweerder allereerst te worden getoetst aan het criterium dat er sprake moet zijn of dreigen van belangrijke schade aan gewassen. De rechtbank ziet geen reden tot twijfel aan de juistheid van hetgeen verweerder in zijn algemeenheid heeft gesteld over het gedrag van waterhoentjes in een gebied als het onder-havige alsmede over de situatie die ter plaatse is aangetroffen bij een van de grondgebruikers. Verweerder heeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd dat de opgetreden schade van f 1000,- die overigens slechts lijkt te zijn gebaseerd op een globale schatting, alsmede elders in het gebied te verwachten schade, daadwerkelijk als belangrijke schade moet worden aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de parlementaire behandeling van de hier relevante aanpassingen van de Vogelwet (en de Jachtwet) blijkt dat er sprake is van belangrijke schade indien het (te verwachten) schadebedrag de opbrengst van het gewas ten opzichte van een vergelijkbaar bedrijf zonder schade onevenredig negatief beïnvloedt en de frequentie van die situatie aanzienlijk kan zijn. Onevenredig wil in dit verband zeggen dat de normale last per oppervlakte-eenheid beduidend hoger komt te liggen dan zonder (wild- of) vogelschade. En voorts: de schade moet ingrijpend zijn en structureel. Het mag niet om een incident gaan. De betrokken agrariër moet er bovendien rekening mee houden dat hij een zeker bedrijfsrisico heeft. Onder sommige omstandigheden zal het in een bepaald gebied niet verstandig zijn om een bepaald gewas te verbouwen. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat de waterhoentjes zich kennelijk uitsluitend ophouden vlak langs waterlopen. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van de wetgever is dat bij het verlenen van een vergunning niet kan worden volstaan met het noemen van een bepaald geschat bedrag, maar dat de schade moet worden gerelateerd aan de normale bedrijfsresultaten Nu er verder geen gegevens bekend zijn over de omvang en de ligging van de landbouw-gronden in het gebied en evenmin over de bedrijven en hun bedrijfsresultaten aldaar, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hier sprake is van een onevenredige last. Verweerder heeft derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan het wettelijk vereiste dat belangrijke schade is te verwachten. Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Aan een verdere beoordeling van het geschil komt de rechtbank derhalve niet toe, zij het dat ten overvloede wordt overwogen dat ook bij de beoordeling van de vraag of er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan afschot, een kosten/baten-afweging vereist is van mogelijke alternatieven. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu de gevolgen van het besluit niet meer ongedaan te maken zijn en het belang van eiseres is gelegen in de wijze van vergunningverlening in de toekomst. De rechtbank komt tot de volgende uitspraak. 3. Uitspraak. De Arrondissementsrechtbank te Middelburg, verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; bepaalt dat de provincie Zeeland aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad f 450,- (vierhonderd en vijftig gulden) vergoedt. Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2001 door mr. R.C.M. Reinarz , in aanwezigheid van mr. M.K. Mol- Enklaar als griffier. Afschrift verzonden: Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.