
Jurisprudentie
ZF5436
Datum uitspraak2001-04-17
Datum gepubliceerd2001-09-12
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers00/799 HOREC H1 A
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-09-12
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers00/799 HOREC H1 A
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 1999 eisers coffeeshop met onmiddellijke ingang gesloten voor een periode van 13 weken. De reden hiervan was, dat eiser gedoogcriterium 5 van het in Enschede geldende coffeeshopbeleid had overtreden. Dit criterium houdt in, dat in een coffeeshop geen verkoop van meer dan 5 gram softdrugs op eenzelfde dag met betrekking tot een zelfde koper mag plaatsvinden.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO
Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer
Registratienummer: 00/799 HOREC H1 A
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiser, gemachtigde: mr. R.F. Speijdel, advocaat en procureur te Enschede,
en
De Burgemeester van de gemeente Enschede, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 5 september 2000.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiser exploiteert aan de […...] [...…] te B de coffeeshop „X“. Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 1999 eisers coffeeshop met onmiddellijke ingang gesloten voor een periode van 13 weken. De reden hiervan was, dat eiser gedoogcriterium 5 van het in Enschede geldende coffeeshopbeleid had overtreden. Dit criterium houdt in, dat in een coffeeshop geen verkoop van meer dan 5 gram softdrugs op eenzelfde dag met betrekking tot een zelfde koper mag plaatsvinden. Tegen het besluit van 17 maart 2000 is door eiser geen bezwaar gemaakt.
Bij een controle op 8 juni 2000 is door de regiopolitie Twente in eisers coffeeshop een grotere hoeveelheid softdrugs aangetroffen dan is toegestaan op grond van gedoogcriterium 6 van het Enschedese coffeeshopbeleid. Het totaalgewicht van de aangetroffen drugs bedroeg netto 1964 gram (1726 gram hashish en 238 gram marihuana). Daarbij is op de benedenverdieping van het pand 516 gram (278 gram hashish en 238 gram marihuana) en op de bovenverdieping 1448 gram (hashish) softdrugs aangetroffen. Deze vondst was aanleiding voor verweerder om de coffeeshop voor 26 weken te sluiten. Naar aanleiding van dat voornemen heeft verweerder eiser in de gele-genheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft eiser op 28 juni 2000 gebruik gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 30 juni 2000 bepaald, dat ei- sers coffeeshop, met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, met ingang van 30 juni 2000 voor een periode van 26 weken wordt gesloten, dat de verkoop van softdrugs aldaar niet langer wordt gedoogd en dat vanaf die datum sprake is van een normaal horecabedrijf als bedoeld in de nota "Aanpak van drugshandel in openbare gelegenheden". Bij bezwaarschrift van 3 juli 2000 is namens eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij verzoekschrift van dezelfde datum is aan de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van het besluit van 30 juni 2000.
Bij uitspraak van 10 juli 2000 heeft de president het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Eiser en zijn gemachtigde hebben het bezwaarschrift op 8 augustus 2000 mondeling toegelicht in een hoorzitting van de Commissie voor bezwaar en beroep van de gemeente Enschede.
Bij het bestreden besluit van 5 september 2000 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep en met overneming van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiser ingediende beroepschrift van 10 oktober 2000 kan hij zich niet met ver- weerders besluit verenigen.
Verweerder heeft op 14 november 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 1 maart 2001, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Gerritsjans, ambtenaar van de gemeente Enschede.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 5 september 2000, waarbij de bezwaren van eiser tegen het besluit van 30 juni 2000 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.
Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aan- wezig is.
In artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan:
het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehou- den of nagelaten.
Ingevolge artikel 5:28 van de Awb is de feitelijke sluiting van een inrichting, door verzegeling, mogelijk.
Met betrekking tot de in de Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen die zich in coffeeshops plegen voor te doen, geldt in de gemeente Enschede een gedoogbeleid. Dit gedoogbeleid is vastgesteld in het zogenoemde Coffeeshopbeleid Enschede, laatstelijk vastgesteld op 12 oktober 1999. Dit gedoogbeleid houdt in dat niet tegen de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt opgetreden, indien de exploitant van de coffeeshop de acht gedoogcriteria van het coffeeshopbeleid in acht neemt. Alle coffeeshophouders worden ten minste eenmaal per jaar schriftelijk aan het cof- feeshopbeleid herinnerd. Gedoogcriterium 6 van het coffeeshopbeleid luidt als volgt: "Geen han- delsvoorraad van meer dan 500 gram. Dat houdt in dat in de inrichting waarin de coffeeshop is gevestigd, in totaal nooit meer dan 500 gram softdrugs aanwezig mag zijn". Voorts wordt in het coffeeshopbeleid bepaald, dat indien niet meer dan vijf volle jaren zijn verlopen tussen de dag waarop een eerdere sluiting onherroepelijk is geworden en de dag waarop het feit plaatsvindt dat tot een hernieuwde sluiting leidt, dit tot gevolg heeft dat:
a. de bij het overtreden gedoogcriterium behorende sluitingsperiode wordt verdubbeld;
b. de verkoop van softdrugs in dit horecabedrijf niet meer wordt gedoogd;
c. dit horecabedrijf wordt behandeld als "horecabedrijf" bedoeld in de nota "Aanpak van drugsoverlast in Enschede" met dien verstande, dat het wordt geacht reeds een keer gesloten te zijn geweest.
Namens eiser is aangevoerd dat hij tijdens de politiecontrole op 8 juni 2000 niet aanwezig was, aangezien hij op dat moment in het buitenland verbleef. C, die normaal de werkzaam- heden van bedrijfsleider vervult, was op dat moment door omstandigheden evenmin aanwezig. Wel aanwezig was D, die werkzaam is als personeelslid in het bedrijf.
Verder betwist eiser de juistheid van de constatering van de op de benedenverdieping aangetroffen hoeveelheid softdrugs. Volgens eiser kan er op de benedenverdieping maximaal 450 gram soft- drugs zijn aangetroffen. Eiser baseert dit op de mededeling van C, dat hij 450 gram soft- drugs in de zaak had achtergelaten toen hij op die dag de zaak onverwacht verliet en dat er nadien geen aanvoer van softdrugs is geweest. Hiernaast aanvaardt eiser bij gebrek aan wetenschap de constatering dat er op de bovenverdieping 1448 gram softdrugs is aangetroffen. Eiser betwist dat deze softdrugs door of namens hem in zijn zaak zijn ingevoerd. Volgens eiser moet een derde de op de bovenverdieping gevonden hoeveelheid softdrugs aldaar hebben neergelegd. Daarbij merkt eiser nog op dat de bovenverdieping een ruimte betreft die niet constant door hem of zijn perso- neel wordt bemand; deze ruimte is vrij toegankelijk voor bezoekers van de coffeeshop. Bezoekers van de coffeeshop worden bij de toegangsdeur tot de coffeeshop gecontroleerd op leeftijd middels een controle op identiteitspapieren. Deze controle omvat geen fouillering van de bezoekers. Een dergelijke fouillering ter gelegenheid van een bezoek aan een horecagelegenheid is naar de opvat- ting van eiser ondoenlijk. Bovendien zal een dergelijke fouillering in de praktijk ook nimmer vol- doende zijn om geheel uit te sluiten dat er contrabande naar binnen wordt gesmokkeld. Bovendien zal een tot mislukken gedoemde poging om een dergelijk toezicht uit te oefenen in geen verhouding staan tot het na te streven doel, aldus eiser. Mede gelet op het feit dat de regiopolitie Twente de controle heeft uitgevoerd naar aanleiding van een tip meent eiser dat er waarschijnlijk sprake is van opzet door (een) derde(n) om zijn zaak gesloten te krijgen door eerst stiekem een hoeveelheid softdrugs te deponeren en vervolgens daaromtrent de politie te tippen. Eiser is van mening dat on- der deze omstandigheden de vondst op de bovenverdieping niet aan hem mag worden tegengeworpen. Daarbij is eiser van mening dat hij ten aanzien van naleving van de gedoogregels een vér- gaande verantwoordelijkheid heeft en dat hij die maatregelen moet treffen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om er voor te zorgen dat de gedoogregels worden nageleefd. Eiser is echter van mening dat die vergaande verantwoordelijkheid niet betekent dat elke geconstateerde overtreding van die gedoogregels automatisch betekent dat die hem kan worden verweten. Indien een verantwoordelijke in redelijkheid alle maatregelen neemt die uit die verantwoordelijkheid voortvloeien, zoals eiser naar zijn zeggen heeft gedaan, dan kan, indien toch een ongewenste situ- atie ontstaat, die in redelijkheid niet meer in de volle omvang aan de verantwoordelijke worden tegengeworpen. Ten slotte is aangevoerd dat eiser met betrekking tot zijn coffeeshop aanmerkelijke schulden heeft en een sluiting er toe zal leiden dat hij die schulden niet kan terugbetalen, als- mede dat hij zijn personeel zal moeten ontslaan en zelf geen werk meer zal hebben.
Ter zitting heeft eiser verwezen naar een uitspraak van de politierechter te Almelo die ten aanzien van een verdachte coffeeshophouder een ontslag van rechtsvervolging heeft uitgesproken, onder verwijzing naar de willekeurige maatstaf die is aangelegd bij het 500-gramscriterium.
Verweerder heeft aangevoerd dat eisers stelling, dat C bij zijn vertrek op 8 juni 2000 om 13.00 uur 450 gram softdrugs in de zaak heeft achtergelaten en dat er nadien geen aanvoer van softdrugs meer heeft plaatsgevonden, niet wordt onderbouwd noch verifieerbaar is. Verweerder acht deze stelling ook onjuist, omdat er omstreeks 20.30 uur méér dan 500 gram softdrugs is aan- getroffen op de benedenverdieping en nog eens 1448 gram softdrugs op de bovenverdieping. Daarbij wijst verweerder er op dat de softdrugs altijd netto, dus zonder verpakkingsmateriaal, met een elektronische en geijkte weegschaal worden gewogen. Daarbij blijft verweerder van mening dat het risico van niet of beperkt toezicht houden op de bovenverdieping en dus ook de vondst van 1448 gram softdrugs aldaar aan eiser dient te worden toegerekend. Volgens verweerder is eiser als coffeeshopexploitant te allen tijde verantwoordelijk voor de naleving van de gedoogcriteria. Dit geldt ook wanneer de controle op deze naleving buiten zijn aanwezigheid, door andere personen dan hijzelf, plaatsvindt. Volgens verweerder zou, indien overtreding van de gedoogregels bij afwezigheid van de coffeeshopexploitant ongesanctioneerd zou blijven, dit de exploitanten een vrijbrief geven om tijdens hun afwezigheid alle gedoogregels te overtreden. In de omstandigheid dat de sluiting van de coffeeshop voor eiser grote financiële gevolgen heeft ziet verweerder geen aanleiding om te oordelen dat het belang van eiser zwaarder dient te wegen dan het belang dat hij toekent aan zijn eigen beleid om van coffeeshophouders strikte naleving van het coffeeshopbeleid te eisen.
Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat over het gedoogbeleid landelijk afspraken zijn gemaakt en dat ook de volksvertegenwoordiging heeft gezegd dat een handelsvoorraad tot 500 gram softdrugs mag worden gedoogd. Verweerder moet zich vervolgens houden aan die uitspraak van de volksvertegenwoordiging. Indien moet worden geoordeeld dat aan het gedoogbeleid iedere redelijkheid ontbreekt, is het volgens verweerder aan de volksvertegenwoordiging om daarover een uitspraak te doen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet, geeft een uitdrukkelijke bevoegdheid aan de burgemees- ter om op te treden ten aanzien van coffeeshops. Aan deze bepaling ontleent de burgmeester de bevoegdheid om te gedogen en in dat verband, om een coffeeshopbeleid vast te stellen. Zoals uit de tekst van artikel 13b, van de Opiumwet, maar ook uit de jurisprudentie blijkt, kan de inhoud van dat beleid bijzonder restrictief zijn. Er zijn velerlei redenen voor deze vergaande bevoegd- heid. Zo is er niet alleen de zorg voor de openbare orde en de volksgezondheid, maar ook het feit dat de verkoop van hashish en marihuana, ook in zeer geringe hoeveelheden, een strafbaar feit is. In de jurisprudentie is dan ook niet uitgesloten dat een burgemeester er in beginsel voor kan kie- zen om geen enkele coffeeshop te gedogen. Een dergelijke beleidskeuze van een burgemeester is dan in beginsel niet onredelijk.
In casu heeft de burgmeester een beleid gehanteerd dat aansluit bij de landelijke norm die wordt gehanteerd in het kader van de strafrechtelijke vervolging, neergelegd in de Richtlijn van 10 september 1996, Stcrt. 187 (Richtlijn), welke norm behelst dat geen vervolging wordt ingesteld bij een handelsvoorraad van minder dan 500 gram. In de Richtlijn is aangegeven dat in lokale om- standigheden een geringere hoeveelheid kan worden vastgelegd terwijl ook de mogelijkheid open wordt gelaten dat in een gemeente in het geheel geen coffeeshop wordt gedoogd. Het beleid, neergelegd in de Richtlijn, voorziet voor een deel in een strafrechtelijke, en voor een deel in een bestuurlijke aanpak. Zo is de (tijdelijke) sluiting van een inrichting voorbehouden aan de burgemeester. De Richtlijn is vastgesteld in overleg met, onder meer, de Tweede Kamer. Uit de Richt- lijn blijkt dat verweerder voor de beoordeling van het gedogen zich volledig heeft aangesloten bij de criteria voor strafrechtelijk optreden, zijnde de onderdelen C1 tot en met C6 van de „Gedoogd- criteria“ van het Coffeeshopbeleid Enschede. Daarnaast heeft verweerder, gelet op de eigen ver- antwoordelijkheden ten aanzien van de uitvoering van de bevoegdheid, gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, nog een tweetal eigen criteria aan dat beleid toegevoegd.
De toetsing door de rechtbank van het beleid dient in het licht van de vergaande bevoegdheden die aan de burgemeester zijn toegekend, een uiterst terughoudende te zijn. Het besluit van verweerder komt slechts dan voor vernietiging in aanmerking indien het beleid als kennelijk onredelijk moet worden bestempeld, of indien er sprake is van willekeur in die beleidsbepaling. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in casu geen sprake is. Niet kan worden gesteld dat het beleid van ver- weerder kennlijk onredelijk of willekeurig is.
Nu de Nederlandse samenleving er voor heeft gekozen om toe te staan dat het gebruik van soft- drugs voor een deel kan worden gedoogd, bestond er een gehoudenheid om een grens vast te stellen indien niet wordt gekozen voor de zogenoemde ‘nul-optie’. Die grens is, wat de handels- voorraad betreft, gelegd bij 500 gram. Eiser kan worden nagegeven dat iedere grens in dit verband een willekeurig karakter heeft, maar dat vloeit voort uit de eerdere keuze die toch immers mee- brengt dat ergens een grens zal moeten worden getrokken. Voorts wordt er op gewezen dat voor de grens van 500 gram wel degelijk argumenten zijn aan te dragen, zoals de relatie van die voor- raad tot het aantal klanten per dag, de continuïteit van de bedrijfsvoering van de coffeeshop en tegelijkertijd een zekere beperking in de omvang van het aanbod. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen op grond van het door eiser gestelde dat het beleid van verweerder willekeurig zou zijn.
Vervolgens dient derhalve te worden getoetst of verweerder overeenkomstig diens eigen beleid heeft gehandeld.
Met de president, en onder verwijzing naar diens overwegingen in zijn uitspraak van 10 juli 2000, stelt de rechtbank vast dat er op 8 juni 2000 in de coffeeshop ‘X’ meer dan 500 gram softdrugs aanwezig was. Dat betekent dat er sprake is van overtreding van gedoogcriterium 6. Anders dan eiser ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat eiser niet verantwoor- delijk zou zijn voor wat er in de coffeeshop is gebeurd. Het handelen in softdrugs - toch in be- ginsel een strafwaardige gedraging - brengt mee dat op eiser zware verantwoordelijkheden rusten. Dat zal onder omstandigheden kunnen betekenen dat hij gehouden is om maatregelen te nemen die een afschrikkende werking op de clientèle kunnen hebben. Door de bezoekers van de coffee- shop slechts in hoofdzaak te controleren op leeftijd, heeft eiser bewust het risico genomen dat de criteria overtreden konden worden. Het voor het overige niet controleren van de bezoekers, en het niet of slechts in beperkte mate toezicht houden op de bovenverdieping met het biljart die vrij toe- gankelijk was, komt dan geheel voor het risico van eiser. Verweerder heeft overeenkomstig het eigen beleid een sanctie opgelegd van een sluiting gedurende 26 weken. Dat een dergelijke slui- ting zware consequenties voor eiser zal hebben, is evident, maar dat neemt niet weg dat verweer- der die sanctie kon treffen. Bovendien wist eiser dat hij een dergelijke sanctie bij overtreding kon verwachten. Eisers coffeeshop is immers bij verweerders besluit van 17 maart 1999 ingaande die datum voor een periode van 13 weken gesloten geweest. Eiser had dan ook moeten beseffen dat een nieuwe overtreding van één van de gedoogcriteria voor hem de thans aan de orde zijnde con- sequenties zou hebben. Gelet op de bewoordingen en de uitgangspunten van het coffeeshopbeleid komt bij het bepalen van de hoogte van de sanctie in geval van recidive geen betekenis toe aan de vraag welk criterium is overtreden. De door eiser aangevoerde omstandigheden die naar zijn me- ning de werking van de sanctie zouden moeten matigen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat verweerder is genoodzaakt tot het afzien dan wel matigen van de sanctie. De omstandigheid, dat de softdrugs buiten medeweten van eiser en zijn personeelsleden in het pand zouden zijn ingevoerd, hetgeen overigens tot op heden op geen enkele wijze door eiser is aangetoond, staat al evenmin aan het opleggen van een sanctie in de weg. Immers, zoals hiervoor is vastgesteld, is eiser als exploitant van de coffeeshop verantwoordelijk voor al hetgeen in zijn inrichting gebeurt. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat er in casu geen bijzondere om- standigheden zijn aan te wijzen die nopen tot een matiging of afzien van de sanctie.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.
Beslist wordt derhalve als volgt:
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank Almelo,
Recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2001 door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.
Afschrift verzonden op av