
Jurisprudentie
ZF5396
Datum uitspraak2001-04-12
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200101346/2
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200101346/2
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200101346/2.
Datum uitspraak: 12 april 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 2 maart 2001 in het geding tussen:
verzoeker
en
burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 3 april 2000, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X Beheer B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en vergunning verleend voor het bouwen van een hotel met kantoor op het perceel kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie [...…] nr. [....…] gedeeltelijk, [...…] gedeeltelijk, plaatselijk bekend [..…] weg [...…] te Hoofddorp.
Bij besluit van 13 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders verzoeker de mededeling gedaan dat zij in overeenstemming met het advies van de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, hebben besloten het tegen het besluit van 8 november 2000 door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren.
Bij uitspraak van 2 maart 2001, verzonden op die datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de president) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 16 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2001, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 april 2001, waar verzoeker, vertegenwoordigd door drs. H.J. de Loor en mr. R. Vrijman, gemachtigden, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam en J. Monster en A.K. Visser, ambtenaren der gemeente, en gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Namens vergunninghoudster heeft mr. K.J. Willemse, advocaat te Haarlem, het woord gevoerd.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het perceel waarop vergunninghoudster de bouw van een hotel wenst te realiseren, maakt deel uit van het bestemmingsplan 'Haarlemmermeerse bos' en heeft hierin de bestemmingen 'bebouwing voor recreatieve doeleinden' en 'recreatieve doeleinden II'. Niet in geschil is dat het bouwplan hiermee niet in overeenstemming is en dat derhalve vrijstelling is vereist.
2.3. Verzoeker handhaaft in hoger beroep zijn betoog dat ertoe strekt dat burgemeester en wethouders, door vrijstelling te verlenen voor de bouw van een hotel op de daarvoor uitgekozen locatie, een besluit hebben genomen dat in strijd is met het bufferzonebeleid, zoals neergelegd in de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (Vinex) behorende bij de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening van oktober 1999, met het vrijwaringszonebeleid, zoals neergelegd in de planologische kernbeslissing Schiphol en omgeving (deel 4) van 20 december 1995 alsmede met het Streekplan 'Partiële herziening Streekplan ANZKG Haarlemmermeer/Schiphol'.
2.4. De Voorzitter is, mede gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 1998, no. E01.96.0043, vooralsnog van oordeel dat ook de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (Vinex) van oktober 1999 ter zake van de rijksbufferzone Amsterdam- Haarlem te weinig concreet is om als een besluit in de zin van artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen worden aangemerkt. Verder heeft de Voorzitter in aanmerking genomen dat de formulering van het thans geldende beleid niet wezenlijk verschilt van het beleid, zoals neergelegd in de in de hiervoor vermelde uitspraak ter beoordeling staande planologische kernbeslissing Schiphol en omgeving. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met name ten aanzien van de verstedelijking ziet de Voorzitter evenwel op voorhand geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders in het bufferzonebeleid niettemin aanleiding hadden moeten vinden om hun medewerking aan de realisering van het bouwplan te onthouden.
2.5. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling vloeit tevens voort dat in hetgeen in de planologische kernbeslissing Schiphol en omgeving aangaande de vrijwaringszone is opgenomen evenmin een besluit als bedoeld in artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan bevatten.
2.5.1. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het vrijwaringsbeleid is gericht op het weren van milieugevoelige bestemmingen binnen de vrijwaringszone. Onder milieugevoelige bestemmingen wordt verstaan bestemmingen die relatief hoge concentraties van mensen met zich brengen, uitgezonderd kantoren en bedrijven. Er is vooralsnog geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het vrijwaringszonebeleid zich niet tegen realisering van het bouwplan verzet. Niet geheel zonder betekenis is dat de betrokken locatie op - relatief - ruime afstand van de luchthaven Schiphol is gelegen. Bovendien valt niet in te zien dat het groepsrisicobeleid in de vrijwaringszone voor een kantoor dat een relatie met luchthaven Schiphol heeft niet zou gelden, terwijl het voor een hotel onder gelijke omstandigheden, nu moet worden aangenomen dat het hotel voor zijn bezetting in hoge mate afhankelijk is van gasten afkomstig van de luchthaven Schiphol en dus daarmee Schiphol gebonden is, wel zou moeten gelden.
2.6. Ten slotte bestaat geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de president ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het Streekplan.
2.7. Gelet op het voorgaande, is er geen rede om op nemen dat het oordeel van de president - inhoudende dat burgemeester en wethouders door het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning niet hebben gehandeld in strijd met rijks- en provinciaal planologisch beleid - in de hoofdzaak niet in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden moeten de belangen van vergunninghoudster bij het mogen voortzetten van de bouwactiviteiten hangende hoger beroep van zwaarder gewicht worden geacht dan die van verzoeker bij het schorsen van de vergunning. Gelet hierop is er naar het oordeel van de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Van Roosmalen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2001
53.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,