Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF5390

Datum uitspraak2001-03-29
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200002464/2
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200002464/2. Datum uitspraak: 29 maart 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: 1. A, wonend te B en de vereniging "Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente", gevestigd te Enschede, 2. C e.a., wonend te D, appellanten, en burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 1999, kenmerk 50111, hebben verweerders op grond van artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer en onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 bepaald dat de door SturkoMeat Lichtenvoorde B.V. (verder: Sturko) voorgenomen uitbreiding van het aantal varkensslachtingen binnen haar inrichting niet is aan te merken als een activiteit waarvoor een milieu-effectrapport hoeft te worden gemaakt, vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen. Bij besluit van 10 april 2000, onder meer neergelegd in de brieven met kenmerk BZ-AZ 51078 en BZ-AZ 51099, hebben verweerders de hiertegen gemaakte bezwaren van A niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente en van appellanten sub 2 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 18 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2000, en appellanten sub 2 bij brief van 19 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2000, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 en 2 hebben de gronden aangevuld bij brieven van 19 juni 2000 respectievelijk 15 juni 2000. Bij brief van 9 augustus 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. 2. Overwegingen 2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders onder meer de bezwaren van A niet-ontvankelijk en de bezwaren van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, en van appellanten sub 2 ongegrond verklaard. 2.2. In beroep hebben appellanten sub 1 aangevoerd dat het door A gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij stellen dat A tijdens de hoorzitting van de beroep- en bezwaarschriftencommissie op 29 februari 2000 heeft aangevoerd dat het bezwaarschrift van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente mede namens hem is ingediend. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat uit de bewoording van het bezwaarschrift niet blijkt dat A, behalve namens de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, op persoonlijke titel bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit. De Afdeling constateert dat uit dit bezwaarschrift niet blijkt dat dit ook namens anderen dan genoemde vereniging inderdaad is ingediend. Voor zover A ervan uitgaat dat zijn op de hoorzitting gedane mondelinge bezwaren ten onrechte niet als door hem ingediende bezwaren zijn aangemerkt, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat bezwaren schriftelijk naar voren dienen te worden gebracht, de bezwaartermijn toen reeds was verstreken. Gelet hierop zijn verweerders terecht in hun besluit niet inhoudelijk ingegaan op hetgeen A heeft aangevoerd. Het beroep van appellanten sub 1 is op dit punt kennelijk ongegrond. 2.3. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d van deze wet moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is de in artikel 7.4 bedoelde algemene maatregel van bestuur. In artikel 2, tweede lid, van dit Besluit worden activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven aangewezen als activiteit als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer. In artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat indien degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, diegene dat voornemen schriftelijk mededeelt aan het bevoegd gezag. Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Ingevolge artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht is een beslissing inzake een procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar en beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. 2.4. Verweerders hebben in het primaire besluit bepaald dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zodat Sturko geen milieu-effectrapport hoeft te maken op grond van artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer. 2.5. De Afdeling is van oordeel dat het besluit krachtens artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer dient te worden aangemerkt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Gesteld noch gebleken is dat appellanten sub 1 en 2 door het bestreden besluit, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in hun belang worden getroffen. In het kader van de vergunningverlening kan immers aan de orde worden gesteld de vraag of een milieu-effectrapport mocht ontbreken. Gelet hierop is het besluit van 19 oktober 1999 niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Verweerders hebben dan ook ten onrechte de bezwaren van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, en appellanten sub 2 inhoudelijk behandeld. 2 6. Het beroep van appellanten sub 1, voor zover ingediend door de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, en het beroep van appellanten sub 2 zijn kennelijk gegrond. Het beroep van appellanten sub 1, voor zover ingediend door A, is kennelijk ongegrond. Het bestreden besluit wordt mitsdien vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op de in het dictum van de uitspraak aangegeven wijze. 2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van appellanten sub 2 gegrond en het beroep van appellanten sub 1 gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde van 10 april 2000, neergelegd in de brieven met kenmerken BZ-AZ 51078 en BZ 51099, voor zover daarbij de bezwaren van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, en appellanten sub 2 ongegrond zijn verklaard; III. verklaart de bezwaren van de Vereniging Milieudefensie, groep Landbouw Twente, en de bezwaren van appellanten sub 2 alsnog niet-ontvankelijk; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde in de door appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van f. 710,00, aan appellanten sub 1 en een bedrag van f. 710,00 aan appellanten sub 2, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Lichtenvoorde te worden betaald aan appellanten sub 1 en 2, afzonderlijk; VI. gelast dat de gemeente Lichtenvoorde aan appellanten sub 1 en 2 het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (f. 450,00 respectievelijk f. 225,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.J.M.S. Leyten-de Wijkerslooth, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Leyten-de Wijkerslooth w.g. Van Heusden Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2001 Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht). - Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan. - In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd. - Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet. 163. Verzonden: 29 maart 2001 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze.