
Jurisprudentie
ZF5389
Datum uitspraak2001-03-27
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001934/3
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001934/3
Statusgepubliceerd
Indicatie
Zienswijze als bedoeld in art. 3:30, tweede lid Awb kan niet worden aangemerkt als bedenking als bedoeld in art. 3:32, eerste lid Awb.
Uitspraak
Raad
van State
200001934/3
Datum uitspraak: 27 maart 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht) van:
A, wonend te B,
opposant.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 16 januari 2001, in zaak no. 200001934,12, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van opposant tegen hel besluit van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 29 februari 2000, niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft opposant bij brief van 22 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen bij telefaxbericht van 213 februari 2001, verzet gedaan. Deze brief is aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
e. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Ingevolge artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder binnen twee weken na de mededeling, bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, tegen het ontwerp van het besluit bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen.
Ingevolge artikel 3:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt, indien een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen tot wijziging of intrekking van een eerder genomen besluit dan wel ambtshalve een ander besluit te nemen, het bestuursorgaan een ontwerp van een besluit op en doet het daarvan mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3:19, tweede lid, onderdelen b en c.
2.2. Opposant voert aan dat door het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel op 14 oktober 1999 aan hem een voornemen kenbaar is gemaakt de voorschriften van de aan de hem verleende vergunning voor een varkenshouderij op het perceel […]weg […] te C te wijzigen. Tegen dit voornemen heeft hij bij brief van 11 november 1999 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Opposant is van mening dat, nu hij reeds zijn zienswijze inzake het voornemen van het besluit kenbaar heeft gemaakt, hij ervan uit mocht gaan dat hij geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit meer behoefde in te dienen. Daarbij wijst hij erop dat burgemeester en wethouders de door hem ingediende zienswijze hebben aangemerkt als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit. Dat hij geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit heeft ingediend kan opposant naar zijn mening daarom niet worden verweten. Volgens opposant kon hij op grond van artikel 20. 10, tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer beroep instellen.
2.3. De Afdeling overweegt dat de door opposant in zijn brief van 11 november 1999 kenbaar gemaakte zienswijze, reeds omdat deze werd ingediend vóór de hiervoor ingevolge artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn, niet kan worden aangemerkt als bedenking in de zin van genoemd artikellid. Hieraan doet niet af de stelling dat verweerders de zienswijze in hun besluitvorming wel als zodanig hebben aangemerkt. In hetgeen opposant aanvoert ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat hem redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerp van het besluit geen bedenkingen te hebben ingediend.
2.4. Het verzet is ongegrond.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.M.S. Leyten-de Wijkerslooth, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. 1. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.
w.g. Leyten-de Wijkerslooth w.g. Beurmanjer-de Lange
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2001
241-325.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,