Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF5358

Datum uitspraak2001-01-01
Datum gepubliceerd2002-01-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 00/107 NABW;AWB 00/108 NABW;AWB 00/2437 ANW
Statusgepubliceerd


Indicatie

In deze gedingen staat de vraag centraal of eisers sinds de zeventiger jaren een gezamenlijke huishouding voeren. Uitspraak bevestigd door Centrale Raad van Beroep op 13-01-2004, zaaknr. 01/1323


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 00/107 NABW AWB 00/108 NABW AWB 00/2437 ANW Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen A, eiseres, en B, eiser, beiden wonen te C, gemachtigde mr. R.H. van Muijen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder I, gemachtigde H.J. Groothuijse, en de Sociale Verzekeringsbank (district Nijmegen), verweerder II, gemachtigde J.A.J. Groenendaal. I. PROCESVERLOOP Eiseres ontving sinds 1973 bijstandsuitkering. In datzelfde jaar (of kort nadien) kwam eiser bij haar inwonen. Eiseres heeft sedertdien op de bij verweerder I ingeleverde inkomensbriefjes kennelijk steeds opgegeven dat eiser onderhuurder was en maandelijks f 175,- aan onderhuur betaalde. Eiser ontving sinds 1 februari 1988 (naast een WAO-uitkering en inkomen uit arbeid) AWW-weduwnaarspensioen, dat met ingang van 1 juli 1996 respectievelijk 1 januari 1998 is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Uit in de maanden april tot en met juni 1999 vanwege verweerders ingestelde onderzoeken bleek volgens verweerders dat eisers al sedert vele jaren een gezamenlijke huishouding zouden voeren. In verband met de resultaten van dat onderzoek heeft verweerder I bij besluit van 30 juli 1999 eiseresses bijstandsuitkering met ingang van 1 augustus 1999 geschorst en de volgens verweerder I over de periode van 1 augustus 1994 tot 1 augustus 1999 ten onrechte ontvangen bijstand ad f 85.391,06 (ook van eiser) teruggevorderd. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 23 november 1999 (verder te noemen: besluit I) door verweerder I ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit hebben eisers beroep doen instellen op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden. Daarna heeft verweerder I een verweerschrift ingediend. Inmiddels had verweerder II in verband met de resultaten van bovengenoemd onderzoek bij besluit van 3 juni 1999 eisers Anw-uitkering met ingang van 1 januari 1998 herzien naar een bedrag van 30% van het bruto minimumloon en de aldus over de periode van 1 januari 1998 tot 1 juni 1999 te veel betaalde Anw-uitkering - ad f 13.899,56 - van eiser teruggevorderd. Naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder II bij besluit van 23 februari 2000 (verder te noemen: besluit II) die herziening en terugvordering gehandhaafd. Tegen dit laatste besluit is namens eiser beroep ingesteld op bij beroepschrift aangevoerde gronden, waarna verweerder II een verweerschrift heeft ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 21 november 2000, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerders hebben zich door hun gemachtigden ter zitting laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN In deze gedingen staat de vraag centraal of eisers sinds de zeventiger jaren een gezamenlijke huishouding voeren. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Er zijn namelijk enkele niet-betwiste feiten -zoals: het door eiser verrichten van kleine klusjes in de gezamenlijke woning, het gezamenlijk op vakantie gaan, het in meerdere of mindere mate gezamenlijk boodschappen doen/betalen, het gebruik maken door eiser van de gehele woning - die niet passen bij een relatie huurder-onderhuurder en die veeleer wijzen in de richting van een wederzijdse zorgrelatie. Indien belanghebbenden stellen dat er desondanks sprake is van een zakelijke onderhuurrelatie, dienen zij dat te bewijzen (met name) door middel van een schriftelijk contract waaruit duidelijk het commerciële karakter van die relatie blijkt en tevens door middel van bankoverschrijvingen die daadwerkelijke betaling van een commerciële huurprijs laten zien. Aan deze vereisten hebben eisers evenwel niet voldaan. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het door eiser contant betaalde bedrag van f 175,- per maand geen commerciële huurprijs is, ook niet bezien in het licht van het gegeven dat eiseres zelf nauwelijks meer aan huur zou betalen. Gezien het vorenstaande heeft verweerder II terecht aangenomen dat eiser op 1 juli 1996 en "nog steeds" op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde, zodat eisers Anw-uitkering op grond van artikel 67, lid 3, van die wet terecht met ingang van 1 januari 1998 alsnog verminderd is tot een bedrag van 30% van het bruto-minimumloon. Ingevolge artikel 53, lid 1, van de Anw dient de aldus te veel betaalde uitkering van eiser te worden teruggevorderd. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien - als genoemd in het vierde lid van artikel 53 van de Anw - zijn hier naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig. In dit verband acht de rechtbank niet zonder belang dat de op 9 juni 1997 door eiser ondertekende "Checklist onderzoek van de leefsituatie" niet een volledig en juist beeld verschafte van eisers leefsituatie, bijvoorbeeld bij de punten I-4 (gezamenlijk gebruik van de woning), III-3 (gezamenlijke activiteiten) en III-4a/b (betaling c.q. verrekening van de dagelijkse boodschappen). Gezien het vorenstaande dient eisers beroep tegen besluit II ongegrond te worden verklaard. De bij besluit I gehandhaafde schorsing van eiseresses bijstandsuitkering per 1 augustus 1999 kan, gezien hetgeen hierboven is overwogen omtrent de tussen eisers bestaande gezamenlijke huishouding en tevens gezien het inkomen van eiser, rechtens worden aanvaard. Dit geldt echter niet voor de bij dat besluit gehandhaafde terugvordering van eiseresses bijstandsuitkering over de periode van 1 augustus 1994 tot 1 augustus 1999. Verweerder I is namelijk tientallen jaren door eiseres op de hoogte gehouden van de volgens haar bestaande onderhuurrelatie met eiser en van de door eiser aan haar betaalde onderhuur van f 175,- per maand. Verweerder I heeft gedurende die zeer lange periode kennelijk nooit aanleiding gezien eiseresses leefsituatie nader te onderzoeken, hoewel de lage onderhuur daar naar het oordeel van de rechtbank toch bepaald wel aanleiding toe gaf. Gezien deze bijzondere omstandigheden acht de rechtbank het in strijd met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel om de over genoemde periode verstrekte bijstand van eiseres terug te vorderen. Aldus bezien zijn er dringende redenen aanwezig - als bedoeld in artikel 78, lid 3, van de Abw (respectievelijk artikel 55, lid 3, van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet) - welke verweerder hadden moeten nopen van die terugvordering af te zien. Het argument van verweerder I dat hij pas in 1998 op de hoogte raakte van in jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep gestelde vereisten voor het aannemen van een zakelijke onderhuurrelatie, kan niet leiden tot een andere conclusie. Gelet op hetgeen zojuist is overwogen dienen de beroepen tegen besluit I gegrond te worden verklaard voorzover dat besluit betrekking heeft op genoemde terugvordering. Besluit I dient in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van verweerder I d.d. 30 juli 1999 te herroepen voorzover dat besluit ziet op de terugvordering. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder I onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten terzake van de beroepen tegen besluit I (zaken 00/107 en 00/108). Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal  1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: * 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt  710,--; * wegingsfactor 1. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente van verweerder I aan eisers de door hen gestorte griffierechten dienen te worden vergoed. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De rechtbank, in zaak 00/2437: - verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond; in de zaken 00/107 en 00/108: - verklaart de beroepen tegen besluit I gegrond voorzover dat besluit ziet op terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand; - vernietigt besluit I in zoverre; - verklaart de beroepen tegen besluit I voor het overige ongegrond; - herroept het primaire besluit van verweerder I d.d. 30 juli 1999 voor zover dat primaire besluit betrekking heeft op genoemde terugvordering; - gelast de gemeente van verweerder I aan eisers te vergoeden de door hen gestorte griffierechten; - veroordeelt verweerder I in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op ƒ 1.420,--, te vergoeden door verweerders gemeente en te voldoen aan de griffier. Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen als griffier en uitgesproken in het openbaar op Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Afschrift verzonden: JK