Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF3704

Datum uitspraak1999-01-20
Datum gepubliceerd2004-03-31
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers98/652;99/22 VV;99/23 VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 15 april 1998, reg.nr. 97-436, heeft verzoeker 1 met gebruikmaking van door het college van gedeputeerde staten van Zeeland afgegeven verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO)en artikel 50 van de Woningwet en nadat de raad der gemeente Vlissingen op 19 februari 1998 vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO had verleend - aan Aannemingsbedrijf Stegink B.V. vergunning verleend voor de bouw van een woongebouw met 23 woningen en een parkeergarage op het perceel Koudekerkseweg 2 en 4 te Vlissingen.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG President, rechtsprekend in Bestuursgeschillen Reg.nrs.: 98/652 99/ 22 VV 99/ 23 VV Uitspraak, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op het beroep van: A te B, eiser, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb (opheffing schorsing) van: 1. het college van burgemeester en wethouders der gemeente Vlissingen, en 2. Aannemingsbedrijf Stegink B.V. en Rabo Vastgoed B.V., verzoekers. 1. Feiten en procesverloop. Bij besluit van 15 april 1998, reg.nr. 97-436, heeft verzoeker 1 met gebruikmaking van door het college van gedeputeerde staten van Zeeland afgegeven verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO)en artikel 50 van de Woningwet en nadat de raad der gemeente Vlissingen op 19 februari 1998 vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO had verleend - aan Aannemingsbedrijf Stegink B.V. vergunning verleend voor de bouw van een woongebouw met 23 woningen en een parkeergarage op het perceel Koudekerkseweg 2 en 4 te Vlissingen. Bij besluit van gelijke datum, reg.nr. 97-435, heeft verzoeker vergunning verleend voor het slopen van een hotel en bedrijfsgebouwen op genoemd perceel. Tegen deze besluiten heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 14 juli 1998, reg.nr. 98/349, heeft de president van de rechtbank, op verzoek van eiser, de besluiten van de raad en van verzoeker 1 geschorst. Bij schrijven gedateerd 16 november 1998 heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigering van de raad en van verzoeker 1 om op zijn bezwaarschrift te beslissen (zaak nr. 98/652). Op 17 december 1998 heeft de raad de bezwaren van eiser tegen de verleende vrijstelling ongegrond verklaard. Bij besluit van 18 december 1998 heeft verzoeker 1 de bezwaren van eiser tegen de verleende sloopvergunning en bouwvergunning eveneens ongegrond verklaard. Hierop heeft verzoeker 1 de president bij schrijven van 6 januari 1999 verzocht om de op 14 juli 1998 uitgesproken schorsing op te heffen (zaak 99/22). Bij schrijven van 12 januari 1999 hebben ook verzoekers 2 de president verzocht om opheffing van de schorsing (zaak 99/23). De verzoeken zijn op 18 januari 1999 behandeld ter zitting, alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten nader toe te lichten. Verzoeker 1 heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Francke en ir. W.C.M. Crusio. Verzoekers 2 hebben zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. M.C.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, met medebrenging van M. Stegink en ir. B. Gillissen (architect). Eiser is toen in persoon verschenen. 2. Gronden. Ingevolge artikel 8:87 van de Awb kan de president een voorlopige voorziening opheffen. Artikel 8:86 van de Awb is daarbij van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de president onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan, terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil. Ingevolge artikel 6:20, eerste en vierde lid, van de Awb wordt, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van eenbesluit en vervolgens een besluit wordt genomen, het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de president onmiddellijk uitspraak doen op het, als tevens gericht zijnde tegen de beslissing op bezwaar aan te merken, beroep. Hierbij merkt de president overigens op dat artikel 49, vierde lid, van de Woningwet een afzonderlijk beroep tegen vrijstelling uitsluit, zodat de door de raad genomen beslissing op bezwaar niet als afzonderlijk besluit doch als onderdeel van de handhaving van de bouwvergunning aan de orde is. Gebleken is dat de commissie bezwaaren beroepschriften heeft geadviseerd om de bezwaren van eiser gegrond te verklaren. Hiertoe heeft de commissie overwogen dat het in geding zijnde bouwplan een grote inbreuk maakt op de bestaande situatie en dat daartegenover geen hoge mate van urgentie staat, terwijl het planologisch kader voor beoordeling van het bouwplan slechts bestaat uit een door de raad genomen voorbereidingsbesluit. Hiermee heeft de commissie aangesloten bij de uitspraak van de president van 14 juli 1998, waarin onder meer is overwogen dat niet was gebleken dat de in geding zijnde locatie is betrokken in enige vorm van (een aanzet tot) ruimtelijke planning voor een gebied waarvan deze geacht kan worden deel uit te maken. Van gemeentewege zijn vervolgens stappen ondernomen om aan de uitspraak van de president en aan het oordeel van de commissie tegemoet te komen. Zo is de reeds bestaande stedenbouwkundige locatie-studie geactualiseerd en aangepast tot een ruimtelijk-stedenbouwkundige visie met een voorontwerp-plankaart. Deze heeft onderwerp van inspraak gevormd en is door de Provinciale Planologische Commissie accoord bevonden. De raad heeft in zijn vergadering van 17 december 1998 met de ruimtelijk-stedenbouwkundige visie ingestemd. Verzoeker 1 heeft in zijn verzoek om opheffing van de schorsing aangevoerd dat hiermee de gebreken ten aanzien van de primaire besluitvorming in de bezwarenprocedure zijn hersteld. Hierbij heeft verzoeker 1 nog aangevoerd dat de dreigende verpaupering van de bestaande bebouwing en het niet meer economisch kunnen renderen van het huidige gebruik noopt tot het op de meest korte termijn kunnen verkopen van de gebouwen en het herbebouwen van het terrein. Verzoekers 2 hebben zich hierbij aangesloten en overigens aangevoerd dat de vertragingsschade oploopt en dat onzeker wordt of de voor de uitvoering van de werkzaamheden gecontracteerde bedrijven zich nog wel voor de uitvoering vrij kunnen maken. Bovendien wil men zo spoedig mogelijk de verkoop van de verkoop van de appartementen weer ter hand nemen. De president is van oordeel dat, alvorens de beslissingen op de bezwaren werden genomen, de zaak opnieuw aan de commissie bezwaaren beroepschriften had moeten worden voorgelegd, om deze commissie in staat te stellen te beoordelen of de door haar geconstateerde gebreken in de primaire besluiten voldoende waren dan wel konden worden hersteld met de inmiddels ondernomen stappen. De rechtbank tekent hierbij aan, dat naar mag worden aangenomen, verzoeker 1 bedoelde commissie uit objectiviteitsen zorgvuldigheidsoverwegingen in het leven heeft geroepen om na hoor en wederhoor van de bij een besluit betrokken personen van advies te dienen bij de algehele heroverweging door verzoeker 1 naar aanleiding van ingediende bezwaardan wel beroepschriften. Dit uitgangspunt vooronderstelt dat die commissie in elk geval zijdens verzoeker 1 volledig op de hoogte wordt gebracht van datgene wat voor het nemen van de primaire besluiten van belang is geweest. In dit geval heeft die commissie uit die gegevens afgeleid dat aan de besluiten zodanige gebreken kleefden dat die in redelijkheid niet genomen hadden kunnen worden. Nu verzoeker 1 aan dat advies niet het gevolg heeft verbonden om de primaire besluiten niet te handhaven, doch naar wegen heeft gezocht om de geconstateerde, niet onaanzienlijke gebreken te herstellen, moet de bezwaarfase als niet geƫindigd worden beschouwd. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid en gelet op de wederzijdse belangen van de bij de besluitvorming betrokkenen had het op de weg van verzoeker gelegen zich tot die commissie te wenden voor nader advies ten aanzien van de door haar bewandelde weg en de daarbij aan de nadere besluitvorming ten grondslag te leggen (nieuwe) feiten en omstandigheden. Dit geldt temeer nu verzoeker 1 te kennen heeft gegeven dat zij alles in het werk zal stellen om de voorgenomen bouwplannen mee te helpen realiseren. Juist bij een dergelijk uitgangspunt wat daar verder ook van zij dient in elk geval aan de zorgvuldigheid in ieder (onderdeel van het) besluitvormingstraject en dus ook in het onderhavige hoge prioriteit te worden gegeven. Nu aan bedoelde commissie geen nader advies is gevraagd moeten de beslissingen op de bezwaren geacht worden niet met de nodige zorgvuldigheid te zijn voorbereid. Het bestreden besluit tot handhaving van de bouwvergunning dient daarom te worden vernietigd. De president ziet hierin aanleiding om te bepalen dat de op 14 juli 1998 uitgesproken schorsing van kracht blijft totdat opnieuw op de bezwaren is beslist. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om aan het door verzoekers gedane verzoek om opheffing van de schorsing te voldoen. 3. Uitspraak. De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg, - vernietigt het bestreden besluit van verzoeker 1 van 18 december 1998; - bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f. 210,vergoedt; - bepaalt dat de op 14 juli 1998 uitgesproken schorsing van de besluiten van de raad en van verzoeker 1, van kracht blijft totdat opnieuw op de bezwaren van eiser is beslist; - wijst het verzoek om opheffing van de op 14 juli 1998 uitgesproken schorsing/voorlopige voorziening af. Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 1999 door mr. W.M.P. van Alphen als president, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Genuit als griffier. Griffier, President, Afschrift verzonden op: Tegen de uitspraak op het beroep kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.