Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF3606

Datum uitspraak1998-10-19
Datum gepubliceerd2001-12-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersE03.96.1763
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State No. E03.96.1763. Datum uitspraak: 19 oktober 1998. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geschil tussen: [appellanten]. e.a. te [woonplaats] (appellanten) en burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (verweerders). Procesverloop Bij besluit van 22 juli 1996, kenmerk 6/4150/FG/B5096 hebben verweerders aan [bedrijf], [adres], nadere eisen opgelegd krachtens voorschrift II.3.11 van bijlage I, behorende bij het Besluit detailhandel milieubeheer. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht. Tegen dit besluit hebben appellanten bij verweerders een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 3 december 1996, kenmerk EAMIL.05, verzonden 3 december 1996, hebben verweerders de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften zijn aan deze uitspraak gehecht. Tegen het besluit van 3 december 1996 hebben appellanten bij schrijven van 10 december 1996, ingekomen bij de arrondissementsrechtbank te Breda op 12 december 1996, beroep ingesteld. Het beroepschrift is overeenkomstig artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Raad van State en is aan deze uitspraak gehecht. Desgevraagd hebben verweerders een verweerschrift ingediend en heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 20.15 van de Wet milieubeheer uitgebracht. Het geschil is op 16 april 1998 behandeld in een openbare zitting van de Afdeling, waarin appellanten bij monde van [woordvoerders appelanten]., en verweerders, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verweerder], hun standpunten hebben toegelicht. Overwegingen In artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is, indien bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Appellanten hebben betoogd dat verweerders in strijd hebben gehandeld met artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellanten hebben er op gewezen dat de adviescommissie slechts uit een voorzitter en één lid bestond. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het advies van de adviescommissie, en daarmee het bestreden besluit, rechtsgeldig tot stand is gekomen. In dit verband hebben verweerders betoogd dat het, gelet op artikel 7:13, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mogelijk is het horen en in het verlengde daarvan de advisering op te dragen aan de voorzitter en één lid. Ingevolge artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is dit artikel van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld: a. die bestaat een adviescommissie uit een voorzitter en ten minste twee leden, b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen. Artikel 7:13, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Door verweerders is ten behoeve van de beslissing op het bezwaar de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften Bergen op Zoom, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, gevraagd een advies uit brengen. Deze commissie bestaat uit een voorziiter en twee leden. Niet in geschil is dat in dit geval het horen en adviseren heeft plaatsgevonden door de voorzitter en één lid van de commissie. Een van de leden van commissie heeft zich voor aanvang van de hoorzitting teruggetrokken vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Anders dan verweerders, is de Afdeling van oordeel dat uit artikel 7:13, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht niet volgt dat de gehele advisering kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid. Uit de tekst van artikel 7:13, derde lid, noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikellid verder strekt dan dat een regeling is gegeven met betrekking tot het horen door de commissie. Geconstateerd moet worden dat advisering door de voorzitter en slechts één commissielid in strijd is met artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Daardoor valt niet uit te sluiten, dat een ander advies is uitgebracht dan het geval geweest zou zijn indien de commissie uit drie leden zou hebben bestaan. Nu verweerders een in strijd met de wet tot stand gekomen advies zonder meer ten grondslag hebben gelegd aan het bestreden besluit, is dit besluit naar het oordeel van de Afdeling niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen en berust het niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Ten overvloede merkt de Afdeling nog op dat verweerders zorgvuldig hadden dienen te onderzoeken of zij zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit detailhandel milieubeheer valt. In dit verband wijst de Afdeling er op dat ter zitting is gebleken dat verweerders bij de beoordeling van de vraag of de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor detailhandel hebben nagelaten het bij de inrichting behorende binnenterrein en de daar plaatsvindende activiteiten te betrekken. De Afdeling acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de Afdeling rekening houdt met het feit dat de onderhavige zaak ter zitting samen is behandeld met zaak E03.96.1526. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van verweerders van 3 december 1996, kenmerk EAMIL.05; III. veroordeelt verweerders in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van ƒ 145,45,--; het bedrag dient door de gemeente Bergen op Zoom te worden vergoed; IV. gelast dat door de gemeente Bergen op Zoom aan appellanten het door hen gestorte recht (ƒ 200,-) wordt vergoed. Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 1998. 1