Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF3014

Datum uitspraak1997-10-30
Datum gepubliceerd2003-06-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersE03.96.0527
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ingevolge 6:6 Awb behoeft verzuim niet eerder te worden hersteld dan nadat hersteltermijn is geboden.

Bezwaar tegen dwangsombesluit niet-ontvankelijk verklaard wegens verzuim indiening gronden. Appellanten hebben bij schrijven van 13 februari 1996 een ongemotiveerd bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 26 oktober 1995. Daarbij hebben appellanten verweerders gevraagd om uitstel voor het aanvoeren van de gronden voor het bezwaar. Verweerders stellen dat zij bij brief van 14 februari 1996 dit verzoek om uitstel hebben gehonoreerd en appellanten tot 13 maart 1996 de tijd hebben gegeven hun bezwaarschrift te motiveren. Appellanten stellen deze brief van 14 februari 1996 nooit te hebben ontvangen. De Afdeling is van oordeel, dat 6:6 Awb aldus moet worden begrepen, dat op een bestuursorgaan de verplichting rust de indiener van een bezwaarschrift, dat niet voldoet aan de wettelijke eisen, uitdrukkelijk een termijn te stellen om dat gebrek te herstellen. Daaruit volgt dat de indiener van het bezwaarschrift het gebrek niet eerder hoeft te herstellen dan nadat hem een bericht van het bestuursorgaan heeft bereikt waarin hem daartoe een termijn wordt gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat zij een termijnstelling als bedoeld in artikel 6:6, voornoemd, hebben ontvangen. Verweerders hebben niet aannemelijk kunnen maken dat die termijnstelling door appellanten wel is ontvangen. Beroep gegrond.



Uitspraak

Raad van State No. E03.96.0527. Datum uitspraak: 30 oktober 1997. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geschil tussen: 1. Nedoil B.V. te Roermond 2. [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten) en burgemeester en wethouders van Echt (verweerders). Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 1995, bekendgemaakt op 5 januari 1996, hebben verweerders bepaald dat door appellante sub 2 vanaf 2 maanden na het van kracht worden van het besluit een dwangsom wordt verbeurd van ƒ 5.000,-- voor elke week dat de inrichting aan de [adres] te [plaats] niet in werking is overeenkomstig de voorschriften van Bijlage I bij het Besluit tankstations milieubeheer. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen is gesteld op ƒ 250.000,--. Het besluit is aan deze uitspraak gehecht. Bij besluit van 26 maart 1996, verzonden 4 april 1996, nr. Wm0082/960510, hebben verweerders het bezwaarschrift van appellanten tegen het bovengenoemde besluit niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit is aan deze uitspraak gehecht. Tegen het laatstgenoemde besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aan deze uitspraak gehecht. Het geschil is op 12 december 1996 behandeld in een openbare zitting van de Afdeling, waarin appellanten, vertegenwoordigd door mr J.H.M. D., en verweerders, bij monde van J.A.G. B., hun standpunten hebben uiteengezet. Overwegingen In artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is indien bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 27 oktober 1995, bekendgemaakt op 5 januari 1996, hebben verweerders bepaald dat door appellante sub 2 vanaf 2 maanden na het van kracht worden van het besluit een dwangsom wordt verbeurd van ƒ 5.000,-- voor elke week dat de inrichting aan de [adres] te [plaats] niet in werking is overeenkomstig de voorschriften van Bijlage I bij het Besluit tankstations milieubeheer. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen is gesteld op ƒ 250.000,--. Bij besluit van 26 maart 1996 hebben verweerders het bezwaarschrift van appellanten tegen het bovengenoemde besluit niet-ontvankelijk verklaard. Het laatstgenoemde besluit berust op de motivering, dat appellanten hebben verzuimd hun bezwaarschrift tegen het besluit van 27 oktober 1995 te motiveren. Appellanten hebben bij schrijven van 13 februari 1996 een ongemotiveerd bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 26 oktober 1995. Daarbij hebben appellanten verweerders gevraagd om uitstel voor het aanvoeren van de gronden voor het bezwaar. Verweerders stellen, dat zij bij brief van 14 februari 1996 dit verzoek om uitstel hebben gehonoreerd en appellanten tot 13 maart 1996 de tijd hebben gegeven hun bezwaarschrift te motiveren. Appellanten stellen deze brief van 14 februari 1996 nooit te hebben ontvangen. Zij zijn van mening dat artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht met zich brengt, dat zij hun bezwaarschrift pas hoefden te motiveren wanneer hen daadwerkelijk een termijnstelling had bereikt. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht moet een bezwaarschrift tenminste de gronden van het bezwaar bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De Afdeling is van oordeel, dat artikel 6:6, voornoemd, aldus moet worden begrepen, dat op een bestuursorgaan de verplichting rust de indiener van een bezwaarschrift, dat niet voldoet aan de wettelijke eisen, uitdrukkelijk een termijn te stellen om dat gebrek te herstellen. Daaruit volgt dat de indiener van het bezwaarschrift het gebrek niet eerder hoeft te herstellen dan nadat hem een bericht van het bestuursorgaan heeft bereikt waarin hem daartoe een termijn wordt gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat zij een termijnstelling als bedoeld in artikel 6:6, voornoemd, hebben ontvangen. Verweerders hebben niet aannemelijk kunnen maken dat die termijnstelling door appellanten wel is ontvangen. Uit het bovenstaande volgt, dat verweerders het bezwaarschrift van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Voorts acht de Afdeling termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht op de hieronder nader aangegeven wijze. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten sub 1 en 2 ter zitting door dezelfde raadsman zijn vertegenwoordigd. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van verweerders van 26 maart 1996, nr. Wm0082/960510; III. veroordeelt verweerders in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte kosten tot een bedrag van ƒ 1065,-- aan appellant sub 1, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot een bedrag van ƒ 1065,-- aan appellant sub 2, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De bedragen dienen door de gemeente Echt te worden vergoed aan appellanten sub 1 en 2; IV. gelast dat de gemeente Echt aan appellanten sub 1 en 2 het door hen gestorte recht (respectievelijk ƒ 400,-- en ƒ 200,--) vergoedt. Aldus vastgesteld te Den Haag op 30 oktober 1997. 2