
Jurisprudentie
ZF2742
Datum uitspraak1997-03-26
Datum gepubliceerd2003-07-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers96/35 WET A AZ 29
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-07-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers96/35 WET A AZ 29
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet reageren op aanmaning verzuim te herstellen
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
Reg.nr.: 96/35 WET A AZ 29
Inzake: A, wonende te B, eiser,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder.
1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT
Besluit van verweerder van 23 november 1995.
II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 augustus 1995 heeft verweerder afwijzend beslist op eisers verzoek om aan hem het Nederlanderschap te verlenen.
Tegen dit besluit heeft eiser op 12 september 1995 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 29 december 1995 beroep ingesteld. Desgevraagd zijn de gronden van het beroep bij brief van 1 februari 1996 ingediend.
Verweerder heeft op 23 februari 1996 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 29 jufi 1996 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 17 februari 1997 alwaar eiser in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw rnr P.C.M.M. van Eeuwijk.
III. MOTIVERING
Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Feiten
Eiser is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Bij brief van 3 oktober 1994 heeft eiser aan Hare Majesteit de Koningin verzocht hem tot Nederlander te naturaliseren. Eiser woonde voor en op 16 mei 1995 op het adres X. Op 2 augustus 1995 heeft verweerder aan eiser doen weten dat hij eisers aanvraag niet heeft ingewilligd. Deze brief was gericht aan het adres X. Tegen dit besluit heeft eiser op 12 september 1995 een bezwaarschrift ingediend. In dat bezwaarschrift heeft eiser niet aangegeven dat hij is verhuisd. Onder de door verweerder overgelegde en op de zaak betrekking hebbende stukken bevindt zich een afschrift van een brief van 28 september 1995 waarin verweerder eiser attent maakt op de verplichting dat een bezwaarschrift gemotiveerd dient te zijn. Tevens doet verweerder eiser in die brief weten dat hij van mening is dat eisers bezwaarschrift niet is gemotiveerd en stelt hij eiser in de gelegenheid de gronden waarop het bezwaarschrift rust aan te voeren binnen veertien dagen na 28 september 1995. Voorts schrijft verweerder in die brief dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien verweerder niet tijdig alsnog de gronden ontvangt. De brief is gericht aan het adres Y te B. Op de inhoud van deze brief is door eiser niet gereageerd. Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit nietontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Vast staat dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van verweerder van 28 september 1995 waarin verweerder hem in de gelegenheid heeft gesteld de gronden waarop het bezwaarschrift rust aan te voeren binnen veertien dagen.
Eiser heeft gesteld dat hij de brief van 28 september 1995 niet heeft ontvangen en daarop dan ook niet heeft kunnen reageren. Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat op de enveloppe van het bezwaarschrift als verzendadres stond vermeld: Y te B. Dat is voor verweerder de reden geweest om de brief van 28 september 1995 naar dat adres te verzenden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Een redelijke uitleg van artikel 6:5 van de Awb brengt met zich dat in dit concrete geval het bezwaar slechts dan nietontvankelijk kon worden verklaard, indien verweerder redelijkerwijs uit mocht gaan van de veronderstelling dat de brief van 28 september 1995 eiser daadwerkelijk heeft bereikt. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het risico dat een brief niet of niet goed aankomt in het algemeen rust op de verzenden van die brief. Indien verweerder dan ook zekerheid wenste te hebben omtrent de ontvangst van de brief van 28 september 1995 had hij daartoe - mede gelet op ingrijpende gevolgen die verweerder wenste te verbinden aan het niet reageren van eiser op de inhoud van deze brief - zelf het initiatief moeten nemen, bijvoorbeeld door aangetekende verzending, door verzending 'met bericht van ontvangst' of door de brief zelf af te doen geven. Deze initiatieven zijn door verweerder niet ontplooid.
Op grond van het voorgaande en het verhandelde ter zitting moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat er op zijn minst twijfel is gerezen over het antwoord op de vraag of de brief van 28 september 1995 eiser al dan niet heeft bereikt. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat uit het gedrag van eiser tijdens de (administratieve) procedure kan worden afgeleid dat zijn houding steeds een zodanige is geweest dat hij, al dan niet in rechte, een heroverweging wenste te bewerkstelligen van het primaire besluit.
De rechtbank ziet op basis van het voorgaande in dit concrete geval onvoldoende grond om de gevolgen van de gerezen twijfel niet toe te rekenen aan verweerder.
Het vorenstaande geeft de rechtbank aanleiding te concluderen dat in het onderhavige geval niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk de gelegenheid heeft gehad het door verweerder geconstateerde verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte al dan niet kennelijk - niet-ontvankefijk heeft verklaard.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep derhalve gegrond is en het bestreden besluit in aarnnerking komt voor vernietiging wegens strijd met het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb.
Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift dienen te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb in die zin, dat verweerder zal dienen te beslissen binnen zes weken na toezending van de uitspraak.
Gelet op het hiervoor overwogene alsmede op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, stelt de rechtbank tenslotte vast dat het door eiser gestorte griffierecht dient te worden vergoed door de Staat der Nederlanden.
Beslist wordt als volgt.
IV. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- stelt verweerder een temiijn van zes weken na toezending van deze uitspraak voor het nemen van een nieuw besluit;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht groot fl. 200,-- aan eiser vergoedt.
Gewezen door de mr P.W.A. Gerritzen-Rode, rechter, in tegenwoordigheid van mr J.H.M. van de Ven, griffier,
en uitgesproken in het openbaar op: 26 maart 1997 door mr P.W.A. Gerritzen-Rode, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift verzonden op:26 maart 1997 Tegen deze uitspraak kunneneen belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zesweken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdefing bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.
Conc: AW CoH: AW D: B