Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF1558

Datum uitspraak1994-08-26
Datum gepubliceerd2002-09-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers94/06562
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende verzet niet ontvankelijk. Organen die met rechtspraak zijn belast worden niet als bestuursorgaan a.b.i. art. 1:3 Awb aangemerkt. Uitspraak van rechtbank is geen besluit als bedoeld in art. 8:81 Awb.


Uitspraak

PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr. 94/06562 Inzake [verzoeker 1] en [verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers, tegen burgemeester en wethouders van Gouda, verweerders Derde partij Afdeling Civiele Werken van de gemeente Gouda, vergunninghouder. 1. Gevraagde voorlopige voorziening. Voorlopige voorziening is verzocht ten aanzien van het besluit van verweerders van 1 maart 1994, kenmerk: Afdeling A.B.J.Z./R. en V., no. 9923/93, verzonden op 11 maart 1994, waarbij de bezwaren van verzoekers tegen het besluit van 25 mei 1993, dat strekt tot het verlenen van vergunning voor het plaatsen van een steiger op het perceel, kadastraal bekend gemeente Gouda, sectie D, no. 3422, plaatselijk bekend achter het pand Vest 268, ongegrond zijn verklaard. Tegen dit besluit hebben verzoekers bij schrijven gedateerd 21 april 1994, ingekomen op 26 april 1994, beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Bij uitspraak van deze rechtbank van 11 juli 1994, ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, verzonden op 12 juli 1994, is het beroep voornoemd, wegens overschrijding van de toepasselijke wettelijke termijn voor het instellen van beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij schrijven van 15 augustus 1994 is tegen voornoemde uitspraak een verzetschrift ingediend, waarop nog niet is beslist door de rechtbank. Bij schrijven van 16 augustus 1994 hebben verzoekers zich tevens tot de president gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het bestreden besluit. 2. Zitting. Datum: 22 augustus 1994. Verzoekers zijn verschenen, vertegenwoordigd door mr. L.C. Zandwijk, advocaat te Rhoon. Verweerders zijn vertegenwoordigd door R.M. Willemse en A. Joling, ambtenaren der gemeente. 3. Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient onder besluit te worden verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Niet als bestuursorgaan worden aangemerkt - voor zover hier van belang onafhankelijke, bij wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast. De president stelt vast dat in dit geval sprake is van een verzoek om voorlopige voorziening hangende een verzetschrift als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb, gericht tegen de uitspraak van deze rechtbank van 11 juli 1994. Een uitspraak van de rechtbank kan echter naar het oordeel van de president niet als een besluit als bedoeld in artikel 8:81 voornoemd worden aangemerkt. Daarbij heeft de president aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State - zoals onder meer neergelegd in de uitspraak inzake S03.93.2157 d.d. 1 juni 1993 - met betrekking tot de toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State, terwijl een verzetschrift als bedoeld in artikel 106 van genoemde wet was ingediend tegen een uitspraak van de voorzitter van de Afdeling als bedoeld in artikel 105 van die wet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht blijkt niet dat de wetgever op dit punt een wijziging in de toegang tot de voorlopige voorzieningenprocedure heeft willen bewerkstelligen, zoals dat in andere gevallen (bijvoorbeeld bij administratief beroep) wel is geschied. Ook uit het systeem van de wet valt niet af te leiden dat aan het begrip "besluit" in artikel 8:81 een ruimere betekenis moet worden gehecht en dat daaronder in voorkomende gevallen ook de uitspraak van de rechtbank kan worden begrepen. Zo is in artikel 8:85, tweede lid, van de wet bepaald dat de voorlopige voorziening in elk geval vervalt, zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Deze bepaling wijst erop dat er geen plaats is voor een maatregel van de president die zich ook nog uitstrekt over de periode nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, tenzij - zie lid 2, onder c de rechtbank daaromtrent bij haar uitspraak zelf een beslissing neemt. In het verlengde hiervan kan ook geen ruimte bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening eerst nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Gesteld kan worden dat, indien de rechtbank naar aanleiding van het verzetschrift tot de slotsom komt dat het verzet gegrond is, de uitspraak vervalt en opnieuw - of wederom - sprake is van een besluit, waartegen beroep aanhangig is, zoals bedoeld in artikel 8:81. De president stelt vast dat op dat moment de mogelijkheid van het vragen van een voorlopige voorziening weer openstaat. Dit betekent echter niet, dat voorafgaande aan zodanige beslissing van de rechtbank met betrekking tot het ingediende verzet - bij welke beslissing de rechtbank zich dient te beperken tot de vraag of al of niet terecht is uitgesproken dat sprake is van termijnoverschrijding het de president wel vrij zou staan zich een oordeel te vormen over het inhoudelijke geschil dat partijen verdeeld houdt. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook in het geval een voorlopige voorziening wordt gevraagd terwijl een beroepschrift is ingediend dat naar aanvankelijk oordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, de president naar vaste jurisprudentie om die reden niet aan een inhoudelijke beoordeling pleegt toe te komen. Dat kan niet anders zijn, indien de niet-ontvankelijkheid al door de rechtbank is uitgesproken, zoals in dit geval is geschied. De omstandigheid dat - mocht het verzet op een later tijdstip gegrond worden verklaard - sprake is van een onomkeerbare situatie, waardoor het nadeel dat verzoekers met het onderhavige verzoek pogen te voorkomen al is ingetreden, kan voor de president geen argument vormen om een ander standpunt dan hierboven is verwoord in te nemen. Verzoekers hebben immers zelf dat risico genomen, door niet eerder dan in dit stadium van de procedure een voorlopige voorziening te vragen. Uit het vorenstaande volgt dat de president in dit geval aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet toe kan komen. Deswege wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken. Beslist wordt als volgt. 4. Beslissing. De president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk. Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 1994, in tegenwoordigheid van de griffier. Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage