
Jurisprudentie
ZF1314
Datum uitspraak2001-03-20
Datum gepubliceerd2001-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 00/35
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 00/35
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT
Reg. nr.: SBR 00/35
UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:
A h.o.d.n. B, gevestigd te C, e i s e r,
en
het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, v e r w e e r d e r.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.
Bij besluit van 13 december 1999 heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van eiser tegen verweerders besluit van 5 maart 1999 inhoudende de vaststelling van premieplicht ingevolge de sociale verzekeringswetten in verband met de werkzaamheden van consulenten ten behoeve van eisers bedrijf.
Namens eiser is tegen het besluit van 13 december 1999 bij brief van 6 januari 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld, waarna de gronden van het beroep bij brief gedateerd 28 februari 2000 zijn ingediend.
Bij brief van 8 februari 1999 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 8 juni 2000 heeft verweerder naar aanleiding van de gronden van het beroep een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 februari 2001, waar eiser is verschenen bij gemachtigde mr. P. de Vos, advocaat te Amsterdam.
Verweerder is, na voorafgaande kennisgeving daartoe, niet verschenen.
2. OVERWEGINGEN.
In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden met ingang van april 1998 premieplicht ingevolge de sociale verzekeringswetten aanwezig acht in verband met de werkzaamheden van de betreffende consulenten.
Feiten Eiser heeft een eenmanszaak, "B" (hierna: B), die gespecialiseerd is in het verkopen van reizen via consulenten. Deze consulenten benaderen, gebruik makend van hun eigen netwerk, potentiële vakantiegangers, doorgaans bij de mensen thuis. Tot voor kort heeft eiser ook een reisbureau gehad. De consulenten droegen ten tijde van het bestreden besluit voor zo'n 20% bij in de verkoop van reizen door eiser. Momenteel werken er circa 33 consulenten voor eiser. De consulenten ontvangen per geboekte reis een provisie tussen 3 en 6%.
Op verzoek van eiser heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar het eventuele bestaan van een verzekeringsplicht. In dat kader hebben medewerkers van verweerder gesproken met eiser en met vijf consulenten. Voorts heeft verweerder de beschikking gekregen over (onder meer) de overeenkomst tussen de B en de vakantieconsulent, alsmede over het Reglement van de B. In dit reglement staat onder andere het volgende:
"2. Verplichtingen van de vakantie consulent:
i De vakantie consulent is gehouden de opdrachten, aanwijzingen en instructies van de zijde van de B naar beste kunnen uit te voeren en op te volgen.
Bij de uitoefening van zijn/haar taak als consulent is hij/zij gehouden uitsluitend de door de B aangereikte juiste en meest recente informatie en informatie- en brochuremateriaal door te geven en te gebruiken tegenover derden, alsmede de door de B beschikbaar te stellen aanvraagformulieren te hanteren, deze met iedere afzonderlijke cliënt te bespreken, in te vullen en door de cliënt te laten ondertekenen. Vervolgens is de consulent gehouden het aldus ingevulde formulier onverwijld per post ter beoordeling ter hand te stellen aan de B.
Het is de vakantieconsulent niet toegestaan ten aanzien van de door hem/haar ten behoeve van de B bemiddelde aanvragen enige voor de B bindende toezeggingen te doen.
De vakantie consulent is gehouden om zakelijk bescheiden en roerende zaken, welke door de B aan de vakantie consulent ter beschikking zijn gesteld, zorgvuldig te bewaren en in goede staat te houden. Bij beëindiging van de overeenkomst is de vakantie consulent gehouden alle ter beschikking gestelde bescheiden en zaken te overhandigen aan de B. ..."
Bij besluit van 5 maart 1999 heeft verweerder medegedeeld dat zijns inziens sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten.
Bij brief gedateerd 7 april 1998 wordt namens eiser bezwaar gemaakt tegen het van toepassing achten van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten.
Op 1 december 1999 heeft verweerder eiser en diens gemachtigde omtrent eisers bezwaren gehoord.
Verweerder heeft de bezwaren bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Standpunt van verweerder Bij het bestreden besluit (en in beroep) stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser voor de betreffende consulenten terecht premieplicht is opgelegd.
Volgens verweerder is in het onderhavige geval sprake van een commerciële en professionele instelling waarbij het aannemelijk is dat eiser als werkgever gezag kan uitoefenen. Daartoe wijst verweerder met name op de inhoud van de overeenkomst en het bijbehorende reglement. Voorts voert verweerder aan dat de Centrale Raad van Beroep (verder: CRvB) heeft bepaald dat de aard van de werkzaamheden kan meebrengen dat een werknemer grote vrijheid heeft bij de indeling van de werktijden, doch dat toch voldaan kan worden aan de voorwaarden van een gezagsverhouding indien zulks gebeurt met instemming van de werkgever. Ten aanzien van de opmerking van de kant van eiser dat de consulenten hun eigen correspondentieadres gebruiken, overweegt verweerder dat de betreffende consulenten zich duidelijk presenteren als onderdeel van de organisatie die eiser heeft opgezet. Daarnaast overweegt verweerder dat het aantal reizen dat de betreffende consulenten verkopen een aanzienlijk deel van de bedrijfsvoering uitmaakt en dat eiser voor een substantieel deel van zijn inkomsten afhankelijk is van de inbreng van die consulenten, hetgeen de vrijblijvendheid van de werkzaamheden niet aannemelijk maakt. Voorts acht verweerder het van belang dat eiser het bedrijfsrisico draagt wanneer een klant, wiens reis niet aan de verwachtingen voldoet, de schade verhaald wil zien en dat eiser verantwoordelijk is voor het verkochte produkt.
Standpunt van eiser Eiser stelt in beroep dat geen premieplicht bestaat omdat tussen eiser en de consulenten geen sprake is van een dienstbetrekking. Aangevoerd is dat de overeenkomst tussen eisers bedrijf en de werkzame vakantieconsulenten geen arbeidscontract betreft, doch een samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van bemiddeling. Eiser meent dat de omstandigheid dat de consulenten geen geld mogen incasseren niet met zich meebrengt dat zij niet voor eigen rekening en risico handelen, omdat bij niet betalen door een klant de schade door het reisbureau verhaald wordt op de consulent. Voorts is benadrukt dat er voor de consulenten geen verplichtingen zijn betreffende werktijd, kledingvoorschriften, huisregels, concurrentiebeding en dat er zelfs geen verplichting bestaat om te werken.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser benadrukt dat de consulent zijn of haar werkzaamheden verricht op eigen initiatief en op plaatsen en tijden die hem of haar goeddunken. Er bestaan geen verplichtingen om een minimum aantal reizen te verkopen. Eiser heeft ook niet zoveel omzet nodig, omdat het werken met de consulenten weinig kosten met zich brengt. Bovendien heeft eiser een vaste klant in Y, die jaarlijks goed is voor een omzet van circa 1 miljoen gulden. Eiser heeft verder geen zeggenschap over de verrichtingen van de betreffende consulenten, die zelf kunnen uitkiezen welke klanten zij benaderen en die zelf hun werktijden bepalen. Volgens eiser is niet aan het voor premieplicht op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten vereiste van het bestaan van een gezagsverhouding voldaan, nu uit het contract tussen eiser en de consulenten blijkt dat eiser geen bindende instructies kan geven. Voorzover artikel 2.1 van het Reglement B de indruk wekt dat eiser zeggenschap heeft over de gedraging van de consulenten is dit een misverstand. De intentie is dat de consulenten zich conformeren aan de, in de reiswereld geldende, gebruiken. Eiser stelt dat in de praktijk geen inhoud wordt gegeven aan deze bepalingen doordat eiser de consulenten naar eigen inzicht laat opereren. Volgens eiser blijkt dit ook uit de bevindingen van de inspecteurs van verweerder. Eiser wijst erop dat er voor de consulent geen enkele inkomensgarantie is, dat de consulent wel degelijk ondernemingsrisico loopt en dat hij of zij verschillende kosten moet maken, zoals reis- en telefoonkosten.
Voorts voert de gemachtigde van eiser aan dat de activiteiten van de consulenten vooral moeten worden bezien als nevenactiviteit naast hun echte dienstbetrekking. Zo is één van hen administratief medewerkster, een ander dirigent en weer een ander secretaresse. Die dienstbetrekkingen vormen de hoofdactiviteit van de consulenten. Bovendien zijn er zelfs consulenten bij eiser werkzaam die tevens consulent voor een andere organisatie zijn.
Volgens de gemachtigde van eiser is evenmin voldaan aan het vereiste van een loonbetalingsverplichting, nu de consulenten slechts een provisie ontvangen.
Beoordeling van het geschil De rechtbank overweegt als volgt.
De artikelen 3 tot en met 7b van de sociale verzekeringswetten (Werkloosheidswet, Ziektewet, Ziekenfondswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) bepalen wie verplicht verzekerd is ingevolge die wetten. Op grond van de artikelen 3 van die wetten is dit de werknemer, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Onder privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt verstaan de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Daarvan is sprake indien drie elementen en de dienstbetrekking aanwezig zijn, te weten de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting tot loonbetaling en een gezagsverhouding. Of deze elementen in een concrete situatie aanwezig zijn, dient te worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Ten aanzien van het bestaan van een gezagsverhouding tussen de betreffende consulenten en eiser overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks hetgeen in het Reglement B in het hiervoor genoemde artikel 2i is bepaald, niet aannemelijk is geworden dat sprake is (geweest) van feitelijke aanwijzingen tijdens de uitvoering van het werk.Voorts acht de rechtbank het van belang dat de betreffende consulenten naast hun incidentele werkzaamheden voor eiser zich grotendeels bezighouden met werk van geheel andere aard, hetgeen de vrijblijvendheid van de relatie met eiser onderstreept.
De omstandigheid dat betrokkenen het werk grotendeels thuis verrichten en de vrijheid die ze toekomt met betrekking tot de inrichting en de indeling van het werk staan, met met het oog op de overige omstandigheden van dit geval, het aannemen van een gezagsverhouding naar het oordeel van de rechtbank in de weg.
Daarnaast heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat de consulenten niet gehouden zijn alle werkzaamheden persoonlijk te verrichten. In dat verband wordt overwogen dat van de zijde van eiser is gesteld dat de partner van de consulent de telefoon kan aannemen of brochures bij potentiële vakantiegangers thuis kan bezorgen, hetgeen door verweerder niet is weersproken. Geoordeeld wordt dat dit niet duidt op een situatie waarin een verzekeringsplicht moet worden aangenomen. Ten slotte is door eiser aangevoerd dat de consulenten investeringen moeten doen (het kopen van een koffer en het volgen van een cursus voor de consulent zonder ervaring in de reiswereld), dat aan hen geen inkomen gegarandeerd is, dat zij zelf reclame maken, alsmede dat zij activiteiten voor andere organisaties mogen ontwikkelen. Ook deze punten heeft verweerder niet weersproken.
De rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan alle criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de genoemde sociale verzekeringswetten. Hetgeen door partijen overigens nog is aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking.
De in de eerste alinea van deze rubriek geformuleerde vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord.
Gelet op het voorgaande is eisers beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Tevens is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1.420,= als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen door de gemachtigde ter zitting) en f 15,= als reiskosten van eiser.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING.
De arrondissementsrechtbank te Utrecht,
recht doende,
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt het bestreden besluit van 13 december 1999,
bepaalt dat het Lisv het door eiser betaalde griffierecht van f 60,= aan hem vergoedt,
veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 1.435,= te betalen door het Lisv.
Aldus vastgesteld door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op .
De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:
E.M. Tol J. Barkel-van Berchum
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.