
Jurisprudentie
ZF1103
Datum uitspraak2000-04-21
Datum gepubliceerd2004-01-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers99/97 WET F1 A;99/441 WET F1 A;99/442 WET F1 A;99/443 WET F1 A;99/1076 WET F1 A
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-01-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers99/97 WET F1 A;99/441 WET F1 A;99/442 WET F1 A;99/443 WET F1 A;99/1076 WET F1 A
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerder heeft aan eiser over het subsidietijdvak van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 huursubsidie toegekend ten bedrage van f 3.732,--. Eiser kan zich niet verenigen met de gehanteerde aftrekpost voor de bedrijfsruimte die hij in zijn woning heeft.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO
Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer
Registratienummers:
99/97 WET Fl A
99/441 WET Fl A
99/442 WET Fl A
99/443 WET Fl A
99/1076 WET Fl A
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiser,
en
de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer, Centrale Directie Juridische Zaken, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluiten
Besluiten van verweerder van d.d. 23 december 1998, 12 april 1999, 26 april 1999, 27 april 1999 en 25 juni 1999, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de subsidieperiode 1998-1999.
2_ De feiten en het verloop van de procedure
Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft verweerder aan eiser over het subsidietijdvak van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 huursubsidie toegekend ten bedrage van f 3.732,--.
Eiser kon zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartegen bezwaar ingesteld.
Eiser kan zich niet verenigen met de gehanteerde aftrekpost voor de bedrijfsruimte die hij in zijn woning heeft. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn bezwaren mondeling toe te lichten en verweerder heeft vervolgens bij besluit van 23 december 1998 eisers bezwaren ongegrond verklaard.
Blijkens het door hem ingediende beroepschrift kan eiser zich met dit besluit niet verenigen. Deze beroepzaak is geregistreerd onder nummer: 99/97 WET F1 A.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 februari 1999 beslist op het beroep van eiser in een soortgelijke zaak, maar dan over de periode 1997-1998.
Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder op 12 april 1999 een nieuw besluit genomen met betrekking tot het tijdvak 1998-1999. Met dit besluit is het eerder genomen besluit van 16 oktober 1998 en de beslissing op bezwaar tegen dat besluit van 23 december 1999 gewijzigd en is aan eiser over genoemd tijdvak een huursubsidiebedrag van f 5.832,-- toegekend. Met dit besluit kan eiser zich niet geheel verenigen. Het beroep tegen dit besluit is geregistreerd onder nummer 99/441 WET F1 A.
Bij brief van 26 april 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het besluit van 12 april 1999 op een ambtelijke misslag berust en eiser is een nieuw besluit in het vooruitzicht gesteld. Eiser heeft deze brief als besluit aangemerkt en heeft verzocht ook hiertegen zijn beroepschrift gericht te achten. Dit beroep is geregistreerd onder nummer: 99/443 WET F1 A.
Op 27 april 1999 heeft eiser dit nieuwe besluit ontvangen. Bij dit nieuwe besluit is eiser over de periode 1998-1999 een huursubsidiebedrag van f 3.564,-- toegekend. Eiser heeft aangegeven dat zijn eerder ingestelde beroep ook geacht moet worden tegen dit besluit te zijn gericht. Deze beroepszaak is geregistreerd onder nummer: 99/442 WET F1 A.
Op 25 juni 1999 heeft verweerder, naar aanleiding van eisers beroep, zijn besluit van 27 april 1999 gewijzigd in die zin dat voor de waardering van de bedrijfsruimte is uitgegaan van de feitelijke huurprijs in plaats van de maximaal redelijke huurprijs.
Eiser heeft verzocht zijn eerder ingediende beroep ook tegen dit besluit van toepassing te laten zijn. Deze beroepszaak is geregistreerd onder nummer:
99/1076 WET F1 A.
Met toepassing van artikel 6:19 van de Awb heeft de rechtbank derhalve eisers beroepschrift van 1 februari 1999 geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluiten van 12, 26, 27 april 1999 en 25 juni 1999.
Verweerder heeft op 29 juni 1999 een verweerschrift ingediend.
De beroepschriften zijn, vanwege de samenhang daarmee, gelijktijdig met eisers beroepschriften, geregistreerd onder de nummers 99/443 (voor zover betrekking hebbend op de periode 1997-1998), 99/494 en 99/1028, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 23 maart 2000, waar eiser is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A. Oord.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of de besluiten van verweerder van 28 december 1998, 26 april 1999, 27 april 1999 en 25 juni 1999, waarbij uiteindelijk is beslist op eisers bezwaren tegen verweerders besluit van 16 oktober 1998, in rechte in stand kunnen blijven.
Artikel 1, aanhef en onder d van de Huursubsidiewet (HSW) bepaalt dat onder huurprijs wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woning.
Artikel 5, eerste lid onder a van de HSW bepaalt dat onder rekenhuur wordt verstaan de huurprijs die de huurder op de peildatum per maand verschuldigd is, verminderd met het bedrag dat daarin is begrepen voor een bedrijfsruimte die tot de woning behoort.
Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de HSW is op de hoogte van de huursubsidie onder meer afhankelijk van de hoogte van de rekenhuur.
Op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid van de HSW kan de minister de toekenning herzien als de huursubsidie is toegekend in afwijking van de HSW of de daarop berustende bepalingen.
Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder ten onrechte het schrijven van 26 april 1999 niet als besluit heeft aangemerkt. Nu dit schrijven op rechtsgevolg is gericht had verweerder dit als besluit moeten aanmerken.
Verweerder heeft hierin dan ook ten onrechte geen bezwaar- en beroepsclausule opgenomen, aldus eiser. Vervolgens heeft eiser aangevoerd dat verweerder in zijn besluiten van 26 en 27 april 1999 heeft vermeld dat de nieuwe beslissingen zijn gebaseerd op nieuw ontvangen informatie, terwijl verweerder al veel eerder over deze informatie beschikte. In ieder geval voordat verweerder zijn besluit van 12 april 1999 nam. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat met het oog op de rechtszekerheid het besluit van 12 april 1999 in stand moet worden gelaten.
Voorts kan eiser zich niet verenigen met de wijze waarop verweerder de hoogte van de huursubsidie heeft vastgesteld. Eisers bezwaren zijn met name gericht tegen de wijze waarop verweerder een bedrag op de huurprijs in mindering heeft gebracht in verband met de zich in de woning bevindende bedrijfsruimte. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder te veroordelen in de kosten van het beroep en eiser maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de huusubsidiebedragen waarop eiser alsnog aanspraak kan maken.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit van 12 april beruste op een kennelijke misslag en dat dat voor eiser ook duidelijk was, althans had kunnen zijn. Het schrijven van 26 april 1999 is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, aldus verweerder. In het besluit van 27 april 1999 is verweerder nog uitgegaan van de verkeerde huurprijs van de woning, maar dit is bij besluit van 25 juni 1999 hersteld. Verweerder is voor de bepaling van de hoogte van de huursubsidie ervan uitgegaan dat aan de bedrijfsruimte in de woning 45 punten moeten worden toegekend. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder inzichtelijk gemaakt hoe verweerder aan die 45 punten is gekomen.
Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke bespreking van het geschil, overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van de zaak 99/97 WET F1 A:
Verweerder is door zijn latere besluiten van 27 april 1999 en 25 juni 1999 teruggekomen op zijn besluit van 23 december 1998. Verweerder heeft dit besluit echter niet expliciet ingetrokken. Derhalve beslist de rechtbank dat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen dit besluit en verklaart zij het beroep gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.
Ten aanzien van de zaak 99/443 WET F1 A:
Zoals aangegeven heeft eiser in deze zaak beroep ingesteld tegen verweerders brief van 26 april 1999. De rechtbank is van oordeel dat deze brief, die een aankondiging bevat van verweerders nieuw te nemen besluiten na vaststelling van de onjuistheid van de besluiten van 28 december 1998 en 12 april 1999 een informatieve brief is die niet op enig rechtsgevolg is gericht. Deze brief kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen de mogelijkheid van bezwaar en beroep zou openstaan.
Nu eiser hiertegen wel beroep heeft ingesteld, dient te worden bepaald dat dit beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van de zaak 99/441 WET F1 A:
Eiser heeft als bezwaar tegen dit besluit aangevoerd dat verweerder daarin ten onrechte heeft opgenomen dat hij tot zijn nieuwe besluit is gekomen op grond van nieuwe informatie. Voor het overige kan eiser zich met dit besluit verenigen. Verweerder heeft zich over dit onderdeel niet echt uitgelaten, maar heeft wel aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 1999 mede aanleiding is geweest voor de wijziging van het besluit. De rechtbank laat in het midden of er sprake is van wel of geen nieuwe informatie, nu dit voor de procedurele- en inhoudelijke beoordeling van het geschil van generlei waarde is.
Eiser heeft geen enkel procesbelang bij de beoordeling van deze grief, zodat de rechtbank eisers beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de zaak 99/442 WET F1 A:
Eisers beroep tegen verweerders besluit van 27 april 1999 is gegrond.
Verweerder heeft namelijk op 25 juni 1999 een nieuw besluit afgegeven, waarin de huursubsidie over bedoeld tijdvak 1998/1999 Is herzien. Nu verweerder zijn besluit van 27 april 1999 niet expliciet heeft ingetrokken, dient de rechtbank te beslissen dat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 27 april 1999 en dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Het besluit van 27 april dient te worden vernietigd.
Dan komt de rechtbank vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil in de zaak 99/1076 WET F1 A.
De huurcommissie heeft op 21 januari 1998 onderzoek verricht naar de aanwezige bedrijfsruimte in de woning van eiser. Op 29 januari 1998 heeft de huurcommissie verklaard dat de kwaliteit van de woning van eiser uitgedrukt in punten 199 bedraagt.
De oppervlakte van de bedrijfsruimte heeft de huurcommissie gewaardeerd op 21 punten.
Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voor de waardering van de bedrijfsruimte niet enkel uitgegaan moet worden van de oppervlakte, maar dat ook de overige voorzieningen in de woning voor een deel aan de bedrijfsruimte moeten worden toegerekend.
Verweerder heeft vervolgens aan de bedrijfsruimte meer punten toegekend dan de 21 punten die verband houden met de oppervlakte van die ruimte. Verweerder heeft daartoe alle voorzieningen in en om de woning beoordeeld op hun (gedeeltelijk) nut voor de bedrijfsruimte. Zo heeft verweerder bijvoorbeeld de aan de keuken toegekende punten voor de helft toegekend aan de bedrijfsruimte. Verweerder heeft dit gemotiveerd door te stellen dat eiser in de uitoefening van zijn bedrijfswerkzaamheden, gebruik maakt van die ruimte.
De rechtbank kan verweerder in deze opstelling niet geheel volgen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder punten die direct aan de bedrijfsruimte zijn toe te rekenen van de waardering van de woning mocht aftrekken. Dit geldt met name voor de punten voor het oppervlakte van de ruimte, maar ook voor de punten voor het aantal vertrekken met centrale verwarming. Het is redelijk deze punten, voor zover die zijn toegekend voor de bedrijfsruimte op de huurprijs in mindering te brengen.
De rechtbank vermag echter niet in te zien hoe door de aanwezigheid van de bedrijfsruimte de waardering van de woning op de overige punten, zoals de waardering voor de woonomgeving of voor de aanwezigheid van de keuken minder wordt. Deze afwijking van de door de huurcommissie opgestelde puntenwaardering voor de woonruimte komt de rechtbank niet juist voor.
Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet tot het besluit heeft kunnen komen en het besluit dient dan ook als onvoldoende gemotiveerd te worden verworpen.
Verweerder zal niet inachtneming van deze overweging opnieuw op eisers bezwaren hebben te beschikken.
Ten aanzien van eisers verzoek om vergoeding van de wettelijke rente overweegt de rechtbank dat voor toewijzing daarvan dient te worden uitgegaan van het besluit, waarvan de onrechtmatigheid vaststaat. Verweerders visie dat er moet worden uitgegaan van de datum waarop verweerder uiterlijk had dienen te beslissen is derhalve onjuist.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat de wettelijke rente moet worden bepaald over het bedrag dat ten gevolge van het onrechtmatige besluit vertraagd is betaald, te berekenen over dat bedrag, telkens vanaf het moment dat had moeten zijn betaald indien tijdig en correct was beslist omtrent de wettelijke aanspraken van eiser, tot het moment dat de betaling ervan alsnog heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
Nu eiser in de zaken geregistreerd onder de nummers: 99/494, 99/441, 99/443 en 99/1028 proceskosten toegewezen heeft gekregen, bestaande uit reis- en verletkosten in verband met verschijning ter zitting, bestaat er geen aanleiding om eiser ook in onderhavige zaken die kosten toe te kennen, aangezien er ten behoeve van alle zaken tezamen slechts één zitting heeft plaatsgehad. Voor de overige gevraagde kosten geldt dat, gelet op de toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat de kosten van tijdverzuim in verband met het opstellen van de beroepschriften en aanvullende correspondentie, worden aangemerkt als kosten die redelijkerwijs voor rekening van eiser behoren te blijven, nu aan eiser niet door een derde beroepsmatige rechtsbijstand is verleend. Er is naar het oordeel van de rechtbank in casu geen reden om van die regel af te wijken.
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, beslist de rechtbank als volgt.
4. Beslissing
De Arrondissementsrechtbank te Almelo;
Recht doende:
- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen verweerders schrijven van 26 april 1999;
- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen verweerders besluit van 12 april 1999;
- verklaart eisers beroep tegen verweerders besluiten van 23 december 1998, 27 april 1999 en 25 juni 1999 gegrond en vernietigt deze besluiten;
- bepaalt dat verweerder opnieuw zal hebben te beslissen op eisers bezwaren tegen het besluit van 16 oktober 1998, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- verstaat dat verweerder een besluit neemt omtrent de hoogte van de aan eiser toekomende schadevergoeding bestaande uit wettelijke rente, berekend op de wijze zoals in deze uitspraak is overwogen;
- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad f 210,-- vergoedt, eveneens door de Staat der Nederlanden aan eiser te betalen,
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na heden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 21 APR 2000 door mr. E.G. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. I.A. van Gemert als griffier