Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZF0705

Datum uitspraak1998-11-06
Datum gepubliceerd2001-10-25
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers98 / 90 NABW K1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Terugvordering bijstand wegens werkaanvaarding. "Besluit" als bedoeld in art. 66, lid 6, Abw is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 98 / 90 NABW K1 Inzake : A, wonende te B, eiser, tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 16 december 1997, kenmerk: DWJBB/PM 1997 Nr.: 05 KM 420. Datum van terechtzitting: 27 oktober 1998 I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beëindiging van bijstand per 16 september 1997 en de vaststelling van de resterende terugbetalingsverplichtingen, deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 oktober 1998, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven. II. OVERWEGINGEN. Op 13 oktober 1997 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de bijstandsuitkering, die eiser mede ten behoeve van zijn echtgenote en kinderen heeft ontvangen, ingaande 16 september 1997 wordt beëindigd wegens werkaanvaarding. Voorts wordt daarbij meegedeeld dat ten name van eiser nog een bedrag van f.7.842,35, inclusief f.931,87 aan overbruggingsuitkering, openstaat en dat de overbruggingsuitkering wordt verrekend met het eiser nog toekomende vakantiegeld en de uitkering over de periode van 1 september 1997 tot en met 15 september 1997. Verweerder stelt dat eiser het restant van f.6.910,48 zelf dient terug te betalen, waarvoor een betalingsregeling kan worden getroffen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt, waarbij wordt aangevoerd dat hij niet per 16 september maar per 22 september 1997 zijn werkzaamheden is gaan verrichten, zodat beëindiging eerst per 22 september 1997 aan de orde is. Voorts wordt bezwaar gemaakt tegen de stelling dat er nog een bedrag van f.7.842,35 openstaat. Eiser is van mening dat hij in het verleden dit bedrag volledig aan de gemeente heeft terugbetaald. Tot slot is eiser het niet eens met verrekening van de uitkering van 1 september tot en met 15 september 1997, aangezien er in zijn visie geen sprake is van een schuld. Ter hoorzitting op 1 december 1997 wordt van de zijde van eiser gesteld dat in april en mei 1997 eisers uitkering niet is uitbetaald in verband met verrekening van niet opgegeven inkomsten uit een werkloosheidsuitkering, zodat dat gedeelte van de schuld is afgelost. Eisers gemachtigde verzoekt verweerder het saldo van de resterende vordering nogmaals te controleren. Voor zover de schuld voortvloeit uit een besluit van 27 augustus 1997 stelt eisers gemachtigde dat het juist is dat, door het niet instellen van bezwaar, dat besluit in kracht van gewijsde is gegaan. Desgevraagd verklaart eiser dat hij geen bezwaar heeft ingesteld tegen het besluit van 27 augustus 1997 omdat hij in die periode totaal van de kaart en ziek was en wellicht de draagwijdte van dat verzuim niet heeft overzien. Voor zover de schuld voortvloeit uit de veroordeling door de kantonrechter, gedateerd 3 juni 1992, wordt aangegeven dat eiser bereid is met f.150,= per maand te blijven terugbetalen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren voor zover deze zijn gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard en voor zover deze zijn gericht tegen de beëindigingsdatum gegrond verklaard, met instandhouding van de gronden. Daarbij stelt verweerder zich met betrekking tot het onderwerp van de terugvordering op het standpunt dat over de maanden april en mei 1997 de bijstandsuitkering, met inbegrip van het vakantiegeld, wel is uitbetaald. Voorts stelt verweerder dat voor zover eiser destijds niet in staat zou zijn geweest beroep in te stellen tegen het besluit van 27 augustus 1997, voorbij gegaan wordt aan het feit dat, als dat al zo zou zijn geweest, eisers echtgenote zulks had kunnen doen. In beroep wordt gesteld dat eiser de vordering ten bedrage van f.6.986,48 heeft terugbetaald en dat eisers bezwaar op dat punt ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Met betrekking tot de beëindigingsdatum wordt herhaald dat eiser zijn werkzaamheden pas per 22 september 1997 is gaan verrichten. Bij verweerschrift herhaalt verweerder zijn standpunt ten aanzien van het onderwerp van de terugvordering en wordt met betrekking tot de beëindigingsdatum aangekondigd dat verweerder overweegt zijn standpunt te herzien. Bij besluit van 18 mei 1998 deelt verweerder mede dat, nu vast staat dat eiser pas op 22 september 1997 is gestart met zijn werkzaamheden, is besloten de beschikking op bezwaar op het onderdeel van de beëindiging te herzien in die zin dat de beëindigingsdatum wordt vastgesteld op 22 september 1997. Ter zitting is van de zijde van verweerder aangegeven dat beoogd is toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 66, zesde lid, van de Abw en dat de bezwaren met betrekking tot de terugvordering niet- ontvankelijk zijn verklaard op grond van de overweging dat er sprake is van een herhaling van reeds eerder vastgestelde verschuldigde terugvorderingsbedragen. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij beperkt de rechtbank zich tot dat onderdeel van het bestreden besluit dat nog in geschil is tussen partijen en dat handelt over eisers bezwaren tegen de mededeling van 13 oktober 1997 over het bedrag van de resterende schuld. Het besluit waartegen het beroep is gericht is onmiskenbaar een besluit in de zin van de Awb, nu een besluit op bezwaar reeds als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling behelst, daargelaten of het besluit waartegen het bezwaar is gericht is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het beroep daartegen kan derhalve door de rechtbank worden ontvangen. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor beantwoording van de vraag of de mededeling waar het zojuist omschreven bezwaar tegen is gericht (geweest) eveneens aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van de Awb. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In artikel 66, zesde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald dat bij beëindiging van bijstand burgemeester en wethouders, na onderzoek, tijdig een besluit nemen met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan. Bij beschikking van de kantonrechter van 3 juni 1992 is bepaald dat eiser en zijn echtgenote een ten onrechte genoten bedrag aan bijstand van f.11.248,12 aan verweerders gemeente dienen terug te betalen, zulks in termijnen van f.150,= per maand. Bij besluit van besluit van 27 augustus 1997 heeft verweerder aan eiser en zijn echtgenote meegedeeld dat zij, wegens het niet opgeven van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), ten onrechte bijstand hebben ontvangen ten bedrage van f.3.496,03 en dat dit bedrag wordt teruggevorderd. Eiser en zijn echtgenote hebben daartegen bezwaar gemaakt en bij besluit van 9 oktober 1997 heeft verweerder die bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar is geen beroep ingesteld. Naast het beëindigingsbesluit van 13 oktober 1997 heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 66, zesde lid, van de Abw mededeling gedaan van de resterende verplichtingen zoals die voortvloeien uit de beschikking van de kantonrechter van 3 juni 1992 en het -in bezwaar gehandhaafde- besluit van 27 augustus 1997. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zodoende enkel mededeling gedaan van de stand van zaken met betrekking tot verplichtingen die voortvloeien uit eerdere beslissingen met formele rechtskracht, zonder daarmee afzonderlijke rechtsgevolgen in het leven te roepen. De rechtbank is bovendien, met verweerder, van oordeel dat die vermelding van het schuldsaldo niet gericht is geweest op afzonderlijk rechtsgevolg. In het schrijven van 13 oktober 1997 kan evenmin een beslissing worden gelezen omtrent de afwikkeling van de resterende verplichtingen, die gericht is geweest op wijziging van eisers rechtspositie. Een mededeling die voortvloeit uit eerdere, inmiddels in rechte onaantastbaar geworden, besluiten, roept geen andere rechtsgevolgen in het leven dan het eerdere besluit en is derhalve evenmin een besluit in de zin van de Awb. De rechtbank onderschrijft dan ook de door verweerder ter zitting op 27 oktober 1998 gegeven motivering van de niet- ontvankelijkverklaring, inhoudende dat de mededeling in het schrijven van 13 oktober 1997 een herhaling is van rechtens onaantastbaar geworden besluiten. Aangezien het bezwaar van eiser zich richt tegen dit louter informatieve onderdeel van het schrijven van 13 oktober 1997, acht de rechtbank het bezwaar in zoverre niet gericht tegen een besluit. Dat artikel 66, zesde lid, van de Abw spreekt van "besluit" maakt vorenstaand oordeel niet anders, nu er geen aanleiding is te veronderstellen dat de wetgever met die formulering -bewust- heeft willen afwijken van het bepaalde in de Awb. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het schrijven van 13 oktober 1997 voor zover daarbij mededeling is gedaan van de resterende verplichtingen, niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft derhalve terecht het bezwaar van eiser tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het thans bestreden besluit dient dan ook voor ongegrond te worden gehouden. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING. De arrondissementsrechtbank te Roermond; gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), E.J.A.M. Bakermans en W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 november 1998. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: verzonden op: EvM Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.