Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZC3698

Datum uitspraak2001-10-05
Datum gepubliceerd2001-10-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR01/023HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

R 01/023 Mr. F.F. Langemeijer Parket, 8 juni 2001 Conclusie inzake: [De man] tegen [De vrouw] Edelhoogachtbaar College, In dit alimentatiegeschil gaat het om de berekening van de draagkracht. 1. De feiten en het procesverloop 1.1. Partijen zijn in 1979 gehuwd. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 20 mei 1999 heeft de vrouw (thans gerekestreerde in cassatie) de rechtbank te Groningen verzocht de echtscheiding van partijen uit te spreken en, onder meer, vast te stellen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verschuldigd zal zijn van f 1.500,- per maand. 1.2. Bij beschikking van 4 april 2000 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van f 506,-- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. 1.3. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden en heeft verzocht de alimentatie alsnog te stellen op f 1.832,- per maand. De man heeft incidenteel beroep ingesteld en heeft verzocht de alimentatie op nihil te bepalen. 1.4. Op 20 december 2000 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man te betalen bijdrage vastgesteld op ƒ 1.200,-- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 1.5. De man heeft tegen deze beschikking - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De vrouw, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift ingediend. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Het middel beperkt zich tot één klacht over de wijze waarop het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houdt met de zgn. "Debeka-premies". Dit vraagt om een korte toelichting. De man woont in [...] en werkt voor een Duitse werkgever1. Deze werkgever heeft voor de man een Lebensversicherung als betriebliche Altersversorgung2 afgesloten bij Debeka Lebensversicherung A.G. De werkgever voldoet de premies aan de verzekeraar. In de salarisstroken over de maanden januari t/m juni 2000 (producties bij verweerschrift in appel), waarnaar het hof verwijst, worden de door de werkgever betaalde premies ("DEBEKA BAT") gerekend tot het brutoloon. Op dat brutoloon worden loonbelasting ("Lohnsteuer") en andere loonheffingen ingehouden, waarna een bedrag aan nettoloon resteert ("Summe Nettobezüge"). Dit bedrag wordt, na te zijn verminderd met huur en met de Debeka-premie die immers aan de verzekeraar wordt voldaan, aan de man uitbetaald ("Auszahlungsbetrag"). 2.2. De rechtbank (rov. 6.3) heeft gekozen voor een draagkrachtberekening aan de hand van de bruto-cijfers. De rechtbank heeft aan de inkomstenkant het brutoloon van de man genomen (dus inclusief Debeka-premies) en heeft aan de uitgavenkant de Debeka-premies begrepen onder de vaste maandlasten van de man. In de beschikking worden deze aangeduid als AOW/lijfrentepremie ad DM 343,-, omgerekend in Nederlandse munteenheid: f 383,-. 2.3. In hoger beroep heeft de vrouw o.m. de hoogte van de Debeka-premies ter discussie gesteld (grief I). De man heeft voorgesteld de Debeka-premies als vaste last in mindering te brengen op zijn netto-maandinkomen (verweerschrift in appel blz. 7). Daartegen heeft de vrouw ingebracht dat premies, die niet door man zelf worden betaald, niet als maandlast mogen worden meegenomen in de draagkrachtberekening. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de man het standpunt ingenomen dat, in afwijking van hetgeen de man aanvankelijk had aangevoerd, geen rekening dient te worden gehouden met de Debeka-regeling (p.-v. blz. 2). Het hof heeft dienovereenkomstig in rov. 19 overwogen dat het geen rekening zal houden met de Debeka-bijdrage. Het hof heeft in rov. 25 de Debeka-premies dan ook niet gerekend tot de vaste maandlasten van de man. 2.4. Anders dan de rechtbank, heeft het hof de draagkracht vastgesteld aan de hand van een nettoberekening (zie rov. 4). Het hof heeft aan de hand van de gemiddelde "Summe Nettobezüge" over de eerste zes maanden van 2000 het loon van de man vastgesteld op DM 3.024,- per maand netto (rov. 5). De "Summe Nettobezüge" is, zoals gezegd, berekend aan de hand van een brutobedrag inclusief Debeka-premie. In cassatie klaagt de man dat wanneer het hof de Debeka-premies niet langer meerekent aan de uitgavenkant, het hof ook aan de inkomstenkant de Debeka-premies had moeten wegstrepen. Het hof had, met andere woorden, volgens de klacht zelf maar moeten uitrekenen wat het nettoloon van de man zou zijn geworden indien op de loonstrook zou zijn uitgegaan van een brutobedrag exclusief Debeka-premies. 2.5. De vaststelling van het nettoloon is een vaststelling van feitelijke aard, die in cassatie niet kan worden getoetst, anders dan op begrijpelijkheid van de redengeving. De klacht miskent naar mijn mening dat het hof het nettoloon heeft vastgesteld overeenkomstig de eigen opgave van de man in appel en om die reden niet inconsistent of anderszins onbegrijpelijk is. Toen de man ter terechtzitting in appel zijn eerdere standpunt (Debeka-premies beschouwen als vaste maandelijkse last) liet vallen, heeft hij zich wellicht niet gerealiseerd, in elk geval niet aangevoerd, dat z.i. het bedrag van het netto-inkomen zou moeten worden aangepast. De klacht miskent bovendien dat het het hof als feitenrechter vrijstond bij de vaststelling van de draagkracht rekening te houden met de door de werkgever ten behoeve van de man betaalde Debeka-premie, ook al stond het desbetreffende deel van het loon niet ter vrije beschikking van de man. De slotsom is dat het middel geen doel treft. De klacht noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit (zie het inleidend rekest). Op grond van art. 1 Wet conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed (groene wetgevingseditie II.26) is terecht Nederlands recht toepasselijk geacht. 2 Verweerschrift in appel, bijlage 5. Het gaat kennelijk om een lijfrente als aanvulling op het ouderdomspensioen.


Uitspraak

5 oktober 2001 Eerste Kamer Rek.nr. R01/023HR NS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 20 mei 1999 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken en, onder meer, vast te stellen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verschuldigd zal zijn van ƒ 1.500,-- per maand. De man heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en - voor zover thans van belang - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op ƒ 506,-- per maand. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Zij heeft verzocht voornoemde beschikking van de Rechtbank te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 506,-- bedraagt en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man ƒ 1.832,-- per maand dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de partneralimentatie vast te stellen op nihil, dan wel een door het Hof te bepalen bedrag. Bij beschikking van 20 december 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd voor zover de man is veroordeeld om vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, te voldoen een bedrag van ƒ 506,-- per maand en, in zoverre opnieuw beslissende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op ƒ 1.200,-- per maand. Het meer of anders verzochte heeft het Hof afgewezen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2.Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 oktober 2001.