
Jurisprudentie
ZC3692
Datum uitspraak2001-10-19
Datum gepubliceerd2001-10-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/353HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-10-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/353HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Rolnr. C99/353
Zitting 8 juni 2001
Conclusie mr J. Spier
inzake
[Eiseres]
tegen
Stichting Advocaten-Software
(hierna: SAS)
Edelhoogachtbaar College,
Feiten
1.1 In cassatie kan van de volgende - door de Rechtbank in haar vonnis van 28 juli 1999 vastgestelde - feiten worden uitgegaan.
1.2 SAS is leverancier van een computerprogramma voor een urenregistratie- en een debiteurenbewakingssysteem ten behoeve van advocaten. Dit programma wordt als standaardsoftwarepakket geleverd.
1.3 SAS heeft op 30 september 1994 ten kantore van [eiseres] een demonstratie gegeven van dit programma. [Eiseres] hield in die tijd praktijk in een kantoorkostencombinatie met [B B.V.].
1.4 Vervolgens hebben partijen in de periode daarna onderhandeld over de aanschaf van het programma en de prijs daarvan. Zij zijn het er uiteindelijk op 5 december 1994 over eens geworden dat [eiseres] een licentie van het programma verkreeg voor een bedrag van ƒ 2.000,- exclusief BTW en exclusief acht uur installatie- en instructiekosten. In totaal ging het om een bedrag van ƒ 3.619,-. Aan [B B.V.] zou SAS eveneens een licentie verlenen voor een bedrag van ƒ 2.000,- exclusief BTW.
1.5 SAS heeft het programma op het advocatenkantoor geïnstalleerd met instructies. [eiseres] heeft het verschuldigde bedrag voldaan, maar [B B.V.] niet.
1.6 Bij nota's van 16 februari 1995, 22 februari 1995 en 10 april 1995 heeft SAS aan [eiseres] meerwerk in rekening gebracht voor een totaalbedrag van ƒ 1.141,34. Deze nota's zijn onbetaald gebleven.
1.7 [Eiseres] heeft een aantal keren geklaagd over het ontbreken van bepaalde toepassingsmogelijkheden in het programma. [Eiseres] wilde dat SAS de gewenste toepassingen in het programma zou aanbrengen zonder de extra kosten (volledig) in rekening te brengen. SAS heeft dit geweigerd.
1.8 In december 1995 is het programma geblokkeerd. SAS heeft aangeboden het programma te repareren maar heeft daar bepaalde betalingseisen tegenover gesteld waar [eiseres] het niet mee eens was. Uiteindelijk heeft [eiseres] bij brief van 30 januari 1996 de overeenkomst met SAS ontbonden.
2. Procesverloop
2.1 SAS heeft in deze zaak veroordeling van [eiseres] gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 1.141,34 terzake van kosten verbonden aan - in de bewoordingen van de dagvaarding - "onderhoud- en reparatiewerkzaamheden", zulks met nevenvorderingen. De grondslag van deze vordering zoekt SAS in een met [eiseres] en [B B.V.] gesloten overeenkomst. [eiseres] en [B B.V.] vormen, aldus de dagvaarding, "op basis van kostendeling samen een advocatenmaatschap".
2.2 [Eiseres] heeft er in de eerste plaats op gewezen "een advocatenpraktijk in een kantoorkostenccombinatie" te hebben. "Hij" is in contact gekomen met SAS (cva onder 1).1
2.3 Volgens van Eeghen zouden zij en [B B.V.] beide een licentie krijgen; de installatie- en instructiekosten zouden onderling worden verdeeld (cva onder 4).
2.4.1 Volgens [eiseres] bezat het geleverde programma niet de mogelijkheden die zij verwachtte en ook had mogen verwachten. Zij maakt er gewag van dat SAS onder meer betaling verlangde van een bedrag van ƒ 1.141,34; waarop dit bedrag betrekking zou hebben wordt niet aangegeven (cva onder 10). Onder 14 wordt gewag gemaakt van "meerwerk". Bij dupliek in conventie betoogt [eiseres] dat de "betwiste rekeningen" betrekking hebben op het volgende: "[betrokkene A] had de installatie en instructie voor een vaststaand aantal uren aangenomen (...). De boven het afgesproken aantal gerekende uren heeft [eiseres] betwist en niet betaald" (onder 4). Nader voert zij aan dat er geen meerwerk kan zijn omdat het aantal uren was gefixeerd (onder 11).
2.4.2 In verband met de schade die zij heeft geleden door het pretens ondeugdelijke systeem vordert [eiseres] ontbinding van de overeenkomst, vergoeding van haar schade op te maken bij staat en terugbetaling van hetgeen reeds is voldaan.
2.4.3 SAS heeft in reconventie als verweer aangevoerd dat de door [eiseres] opgesomde tekortkomingen van het programma zien op mogelijkheden die ook in het gedemonstreerde programma ontbraken, terwijl de overeenkomst tussen partijen betrekking had op het gedemonstreerde programma.
2.5 Als prod. 2 bij cva heeft [eiseres] een onder meer door mr [...] voor akkoord getekende brief in geding gebracht waarin is te lezen dat "Van Gogh Case Tools" (kennelijk de handelsnaam van SAS) "op voorhand" aan [eiseres] het licentiebedrag zomede "8 uur werkinspanning onzerzijds á f. 135,= in rekening brengen. Of en in welke mate hij deze laatste post wil verrekenen met [betrokkene C] laten wij aan hem over."
2.6.1 De Kantonrechter heeft het - onder 2.4.3 samengevatte - reconventionele verweer gehonoreerd. Voorts heeft de Kantonrechter in reconventie overwogen dat [eiseres] niet aannemelijk had gemaakt dat zij er aanspraak op had dat SAS zonder kosten aanpassingswerkzaamheden zou verrichten (rov. 9-12).
2.6.2 Nu vaststaat dat [eiseres] de opdracht tot aanpassing van het programma had verstrekt, achtte de Kantonrechter haar gehouden tot betaling van het door SAS gevorderde bedrag (rov. 13). Hij wees de vordering in conventie toe en in reconventie af.
2.7 [Eiseres] heeft van het vonnis van de Kantonrechter hoger beroep ingesteld en het geschil in volle omvang aan de Rechtbank voorgelegd. Bij mvg wordt gesteld dat "de nota's" "opgedrongen meeruren" betreffen terwijl daarvan - gezien de afgesproken prijs - geen sprake kan zijn (onder 7). Het zou hierbij gaan om (naar mag worden aangenomen het verhelpen van) "klachten over het laten functioneren van het programma" (onder 8). Voor de openstaande rekeningen van [B B.V.] kon zij niet worden aangesproken (onder 12).
2.8.1 SAS heeft te berde gebracht dat [eiseres] in elk geval een bedrag van ƒ 1.141,31 niet heeft betaald; [eiseres] en [B B.V.] vormden, volgens haar, één kantoor (mva onder 10). Zij heeft slechts "extra werkzaamheden" in rekening gebracht; het ging daarbij onder meer om een hersteloperatie en met name niet om de kosten van de installatie van het programma (onder 13).
2.8.2 SAS heeft bij mva een "declaratie" van 16 februari 1995 en een van 22 februari 1995 overgelegd. Daarop wordt gewag gemaakt van een groot aantal werkzaamheden met de daarmee gemoeide tijd. (Terzijde: welke onderdelen daarvan voor de onderhavige procedure van belang zouden zijn, wordt niet uit de doeken gedaan. De inleidende dagvaarding maakt nog melding van een nota van 10 april 1995; een specificatie is niet overgelegd).
2.9 Bij pleidooi heeft [eiseres] aangevoerd dat SAS "10 extra uren" in rekening heeft gebracht hoewel "geen opdracht (is) gegeven voor extra werk"; er was ook geen sprake van "extra meerwerk". Zij vervolgt haar betoog aldus: "de uren zijn besteed aan het invoeren van het programma" (pleitnotities mr Van de Water onder 19). Als niet-betaling van ƒ 1.100 al wanprestatie zou opleveren dan kan zij, volgens [eiseres], geen opschorting rechtvaardigen gezien de overlast en de schade die [eiseres] heeft geleden (onder 26). Immers is de boekhouding volledig afhankelijk van het urenprogramma (onder 27).
2.10 Blijkens het p.v. van de openbare terechtzitting bij de Rechtbank heeft [betrokkene A] desgevraagd verklaard dat de meerwerkfacturen betrekking hadden op extra instructie-uren. [Betrokkene D] belde steeds voor nadere uitleg. De facturen zagen niet op "extra aanpassingen aan het programma".
2.11.1 De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft zij, voor zover in cassatie van belang, het navolgende overwogen.
2.11.2 [Eiseres] heeft niet met zoveel woorden betwist dat door SAS daadwerkelijk tien uren extra aan instructie zijn besteed. Dat SAS extra instructies heeft moeten geven op verzoek van "het advocatenkantoor" is, volgens de Rechtbank, "door SAS bij pleidooi in hoger beroep nog onweersproken gesteld" (rov. 6 eerste volle alinea).
2.11.3 [Eiseres] mocht, volgens de Rechtbank, niet verwachten dat het programma de toepassingsmogelijkheden bevatte waarnaar tijdens de demonstratie was geïnformeerd (rov. 6 blz. 6).
2.11.4 Uit hetgeen onder 2.11.2 en 2.11.3 is weergegeven2, trekt de Rechtbank de conclusie dat [eiseres] "de meerwerkfacturen aan SAS verschuldigd is" (rov. 7).
2.12 Ten aanzien van het beroep van SAS op een retentie- of opschortingsrecht heeft de Rechtbank overwogen dat er voldoende samenhang was tussen de vordering van SAS op basis van de meerwerknota's en de verplichting van SAS om [eiseres] weer toegang te verschaffen tot het programma. Zodoende kwam SAS een beroep toe op het opschortingsrecht.
2.13 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. SAS heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt summierlijk schriftelijk toegelicht. [Eiseres] heeft nog gerepliceerd.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
Inleiding
3.1 Uit hetgeen onder 2 is weergegeven, vloeit m.i. voort dat partijen in feitelijke aanleg zeer vaag zijn gebleven over de vraag waarop het door SAS gevorderde nauwkeurig betrekking heeft. Allerhande - weinig verhelderende - stukken zijn overgelegd. De nota's zijn niet in geding gebracht.
3.2 Klaarblijkelijk worstelde de Rechtbank met dezelfde vraag. Naar mag worden aangenomen was dit de reden waarom de voorzitter aan [betrokkene A] (van SAS) heeft gevraagd wat de post meerwerk inhield. Het - onder 2.10 vermelde - op deze vraag gegeven antwoord kan uiteraard juist zijn; het past niet goed in de beweringen van beide partijen.
3.3 Nochtans is de Rechtbank voortgegaan op het spoor van het antwoord van [betrokkene A]. De moeilijkheid dat dit antwoord in feite een geheel nieuwe wending aan de procedure gaf3, heeft zij kennelijk getracht op te lossen door te overwegen dat SAS zulks "bij hoger beroep nog onweersproken heeft gesteld". Aldus wordt gesuggereerd dat SAS deze stelling al eerder te berde had gebracht ("nog"). Die suggestie is evenwel onjuist.
3.4.1 Het gaat in casu niet om de vraag of een procespartij voor het eerst bij pleidooi in appèl een geheel nieuwe feitelijke grondslag onder haar vordering mag schuiven. Immers blijkt uit niets (en is door de Rechtbank ook niet overwogen) dat SAS zulks heeft gedaan.
3.4.2 Het gaat wél om de vraag of de wijze waarop de Rechtbank de grondslag van de vordering heeft genterpreteerd steun vindt in de stukken. Die laatste vraag staat, naar ik begrijp, in de middelen centraal.
Bespreking van de klachten ten gronde
3.5 Naar de kern genomen klagen de middelen I en II er over dat de Rechtbank te werk is gegaan als onder 3.2, 3.3 en 3.4.2 vermeld. Ik zou willen aannemen dat de moeilijk begrijpelijke laatste alinea van middel II de glazen van [eiseres] niet ingooit.
3.6.1 In hetgeen onder 3.1 - 3.4 is opgemerkt ligt besloten dat deze klachten m.i. terecht worden voorgedragen.
3.6.2 Weliswaar is de uitleg van de processtukken in zeer overwegende mate een feitelijke kwestie (en daarmee onttrokken aan toetsing in cassatie), de uitleg waartoe de Rechtbank kennelijk is gekomen, kan zelfs een marginale toets niet doorstaan. Het valt op zich te prijzen dat zij heeft getracht goede zin te geven aan niet begrijpelijke uiteenzettingen van beide partijen en dat zij getracht heeft deze te persen in een wél duidelijk antwoord op een expliciet gestelde vraag, er had ten minste enig feitelijk aanknopingspunt voor deze werkwijze moeten zijn. Dat ontbreekt m.i.
3.7 Op hetgeen in de - niet steeds duidelijke - in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichtingen op de middelen te berde wordt gebracht, behoeft bij deze stand van zaken niet te worden ingegaan.
3.8.1 Voorzover de middelen I en II de klacht behelzen dat - uitgaande van de interpretatie van de grondslag van de vordering zoals de Rechtbank deze in haar vonnis geeft - de overeenkomst in de weg staat aan een betalingsverplichting voor meer dan 8 uur instructie falen zij. Immers heeft de Rechtbank, kennelijk voortbouwend op het - blijkbaar niet weersproken - relaas van [betrokkene A] zoals opgenomen in het p.v. kennelijk aangenomen dat
a. de overeenkomst ziet op een standaardinstructie;
b. daarom extra vragen die uitgaan boven de standaardinstructie in rekening mochten worden gebracht.
3.8.2 Het ligt voor de hand - en berust bovendien op een waardering van feitelijke aard en met name op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de overeenkomst - dat een leverancier van software niet onbeperkt kosteloos met vragen kan worden bestookt. Dat geldt a fortiori wanneer - zoals in casu - op diens standaardprijs voor instructie door de afnemer met succes zeer sterk is beknibbeld.
3.8.3 Weliswaar is een oordeel als onder 3.8.1 en 3.8.2 niet met zoveel woorden in het bestreden vonnis te lezen, ik zou het ervoor willen houden dat het er wel in ligt besloten. In dit verband zij in het bijzonder gewezen op de - cryptische, maar moeilijk voor andere uitleg vatbare - passage dat [eiseres] zich er "gezien de afspraak (...) dat installatie- en instructie-uren door [eiseres] zouden worden voldaan" niet op kan beroepen dat "deze extra uren bij [B B.V.] in rekening hadden moeten worden gebracht". Hierbij valt te bedenken dat de overeenkomst tussen [B B.V.] en [eiseres] gelijkluidend is. Als de overeenkomst er niet aan in de weg staat dat [B B.V.] voor extra uren moet betalen (zoals de Rechtbank kennelijk aanneemt) dan geldt datzelfde voor [eiseres].
3.8.4 Ik stip hierbij aan dat een klacht als onder 3.8.1 in de eerste volzin vermeld slechts met de nodige goede wil in de middelen is te lezen en dat de klacht er dan kennelijk eveneens vanuit gaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de overeenkomst niet aan de vordering in de weg staat.
3.9 Middel II klaagt er voorts over dat de Rechtbank heeft miskend dat [eiseres] geen opdracht heeft gegeven tot het "onderwerpelijke en betwiste 10 uur meerwerk". Volgens het middel zou hetgeen is gefactureerd betrekking hebben op aanpassingen wegens tekortkomingen. Na verwijzing zal, zo nodig, op die kwestie kunnen worden ingegaan.
3.10 Het derde middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat SAS vanaf december 1995 bevoegd was de toegang tot het computerprogramma voor [eiseres] op te schorten totdat de meerwerknota's waren voldaan.
3.11 [Eiseres] verwijt de Rechtbank in de eerste plaats dat onduidelijk is op welke samenhang wordt gedoeld. Die klacht mist doel. De Rechtbank heeft - zoals in de eerste twee middelen ook wordt aangestipt - wel degelijk aangegeven op welke samenhang zij het oog heeft.
3.12 De kern van het middel is dat de niet betaalde en betwiste meerwerknota's onvoldoende rechtvaardiging vormen voor het door SAS ingeroepen opschortingsrecht. Volgens [eiseres] is - zo versta ik het middel - sprake van disproportionaliteit gezien haar schade.
3.13 Het middel gispt bovendien het oordeel van de Rechtbank omdat, naar ik begrijp, SAS ten onrechte haar opschortingsrecht mede heeft gebaseerd op wanprestatie van [B B.V.]. Deze klacht ziet eraan voorbij dat voor de vraag of het bestreden vonnis juist is zonder gewicht is welke redenen SAS heeft aangevoerd.
3.14 Ten slotte wordt de Rechtbank aangewreven te hebben miskend dat "SAS haar gronden voor opschorting bereid was te laten varen behoudens de incassokosten". Hieruit zou het geringe gewicht dat SAS toekende aan de niet-betaling blijken. Deze klacht mist reeds doel omdat de daarin betrokken stelling geen steun vindt in de gedingstukken; ook niet in de genoemde productie.
3.15 Derhalve resteert de proportionaliteitsklacht weergegeven onder 3.12.
3.16 Het middel faalt reeds omdat niet voldoende uit de doeken wordt gedaan waarom sprake zou zijn van disproportionaliteit.4 Weliswaar gaat het om betaling van een betrekkelijk beperkt bedrag, dat bedrag is in het licht van de overeengekomen prestatie geenszins onbeduidend.
3.17 Daar komt bij dat het middel wel rept van schade voor [eiseres] maar niet aangeeft welke omvang deze heeft of had kunnen hebben (hetgeen trouwens ook in feitelijke aanleg in het vage is gebleven).
3.18 Evenredigheid laat zich niet meten wanneer de zwaarte van de gewichten onbekend is. Ten aanzien van de in het middel genoemde belangen van [eiseres] is dat onbekend.
3.19 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat niet-betaling van wel overeengekomen bedragen kostbare gevolgen kan hebben.5 Dat is ongetwijfeld te betreuren, maar de meest geëigende oplossing daarvoor is tijdig schulden te voldoen.
Ten slotte
3.20 Deze zaak is één van de vele voorbeelden die duidelijk maken dat ons procesrecht dringend aan herziening toe is. In een ideale wereld is het wellicht wenselijk dat drie rechterlijke colleges (en als Uw Raad deze conclusie volgt ten minste vier) zich buigen over een zaak met een gering financieel belang waarin partijen (mogelijk vanwege dat belang) niet duidelijk hebben kunnen maken waarover zij procederen. In een tijd waarin de rechterlijke macht dreigt te bezwijken onder de last van steeds meer en steeds gecompliceerder (gemaakte) procedures is dat een weelde die de rechter afhoudt van zaken waarin grotere (niet noodzakelijkerwijs financiële) belangen op het spel staan.
3.21 Tegen deze achtergrond bezien, bekoort het resultaat waartoe deze conclusie komt (mij) niet bovenmatig. Het bestreden vonnis met de mantel der liefde toedekken, ging mij om de genoemde redenen evenwel te ver.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Ik sta hierbij kort stil omdat [eiseres] in cassatie terloops deze kwestie aanroert.
2 Ik heb de niet gemakkelijk te begrijpen passage over het recht van SAS te verlangen dat [eiseres] zou betalen voor de extra toepassingen weggelaten omdat dit klaarblijkelijk op een andere vraag ziet.
3 Met veel goede wil zou uit prod. 13, door [eiseres] bij cva overgelegd, kunnen worden afgeleid dat SAS mede een vordering pretendeert op grond van extra instructie. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat deze brief kan worden aangemerkt als een basis van de door SAS in deze procedure aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling (hetgeen m.i. niet zo is), blijft overeind dat SAS mede andere werkzaamheden aan haar vordering ten grondslag legt, ook in die (weinig duidelijke) brief trouwens.
4 Vgl. M.V. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europees privaatrecht (diss. Utrecht 1999) blz. 303.
5 Vgl. HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 JBMV en
HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277.
Uitspraak
19 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/353HR
CP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R. Menschaert,
t e g e n
STICHTING ADVOCATEN SOFTWARE, gevestigd te Lelystad,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. Vermeulen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: SAS - heeft bij exploit van 7 mei 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Amsterdam en gevorderd [eiseres] te veroordelen om aan SAS te betalen de somma van ƒ 1.492,70 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd te verklaren voor recht dat SAS toerekenbaar tekort is geschoten, en dat de overeenkomst met betrekking tot levering en installatie van het programma als ontbonden geldt en dat SAS gehouden is tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede ter restitutie aan [eiseres] te betalen de som van ƒ 3.619,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 1995 tot aan de dag der voldoening.
SAS heeft de vorderingen bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 15 januari 1998 de vordering in conventie toegewezen en in reconventie afge-wezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. Zij heeft haar eis vermeerderd in dier voege dat zij tevens vordert
-te verklaren voor recht dat SAS toerekenbaar is tekortgeschoten c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door gebruik te maken van haar retentie- en opschortingsrecht;
- SAS te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.
Bij vonnis van 28 juli 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
SAS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals die zijn vastgesteld door de Rechtbank in haar vonnis onder 2.
3.2 Bij nota's van 16 februari 1995, 22 februari 1995 en 10 april 1995 heeft SAS aan [eiseres] meerwerk in rekening gebracht voor in totaal ƒ 1141,34. Deze nota's zijn onbetaald gebleven. SAS heeft in conventie betaling gevorderd van deze nota's. [Eiseres] heeft verweer gevoerd tegen voormelde vordering en in reconventie gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, ontbinding van de overeenkomst van 5 december 1994, vergoeding van haar schade op te maken bij staat en terugbetaling van hetgeen reeds is voldaan.
De Kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en die in reconventie afgewezen.
In hoger beroep heeft [eiseres] haar eis aldus vermeerderd dat zij zich tevens erop heeft beroepen dat SAS toerekenbaar is tekortgeschoten c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door gebruik te maken van haar retentie- en opschortingsrecht.
De Rechtbank heeft vooropgesteld dat de grieven beogen het geschil in volle omvang aan de Rechtbank voor te leggen en zich derhalve lenen voor gezamenlijke behandeling. Zij is tot de slotsom gekomen dat de grieven falen en heeft het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.
3.3 De middelen I en II keren zich tegen het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 7 dat [eiseres] de meerwerk-facturen aan SAS is verschuldigd, en de voor dit oordeel in rov. 6 gegeven motivering.
3.4 De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiseres] niet met zoveel woorden heeft betwist dat door SAS daadwerkelijk tien extra uren zijn besteed aan instructie en dat door SAS bij pleidooi in hoger beroep nog onweersproken is gesteld dat SAS extra instructies heeft moeten geven op verzoek van [eiseres]. Deze oordelen, die van feitelijke aard zijn en derhalve in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst, zijn tegen de achtergrond van het debat van partijen zoals daarvan blijkt uit de gedingstukken niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. De tegen deze oordelen gerichte klachten falen derhalve.
3.5.1Ook de klacht die erop neerkomt dat de Rechtbank ten onrechte de grondslag van de vordering, te weten: het verricht hebben van (extra) onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, heeft verlaten door zonder de wettelijk voorgeschreven wijziging van eis de vordering in conventie te beoordelen en toe te wijzen op de grondslag van verricht meerwerk bestaande in tien uren extra instructie, kan niet tot cassatie leiden.
3.5.2 In de dit geding inleidende dagvaarding is betaling gevorderd van de drie voormelde nota's met wettelijke rente. Met betrekking tot deze nota's is in deze dagvaarding vermeld dat zij betrekking hebben op onderhouds- en reparatiewerkzaamheden. Naar blijkt uit de verdere stukken van het geding, is onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag op welke werkzaamheden deze nota's - die door partijen niet in het geding zijn gebracht - nu precies betrekking hadden. In de memorie van antwoord onder 11 is vermeld dat er slechts extra kosten in rekening zijn gebracht "voor extra werkzaamheden welke niet in het basispakket zijn verdisconteerd." Bij deze memorie zijn specificaties overgelegd bij de nota's van 16 en 22 februari 1995. Deze specificaties houden een urenver-antwoording in, waarin melding gemaakt wordt van reistijd en werkzaamheden.
3.5.3 Kennelijk en, in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk, is de Rechtbank ervan uitgegaan dat de meerwerkfacturen betrekking hadden op "extra werkzaamheden welke niet in het basispakket zijn verdisconteerd".
3.5.4 In het audiëntieblad van de openbare terechtzitting van de voor de Rechtbank gehouden pleidooien is onder meer vermeld dat [betrokkene A], voorzitter van SAS, op een vraag van de voorzitter heeft medegedeeld dat de meer-werkfacturen betrekking hadden op extra instructie-uren, omdat de afgesproken acht uur aan instructie niet voldoende bleken te zijn. Met "de afgesproken acht uur aan instructie" wordt klaarblijkelijk gedoeld op de op 5 december 1994 afgesproken, door van Eeghen betaalde acht uur instructie.
3.5.5 Het in 3.5.2 - 3.5.4 overwogene leidt tot de slotsom dat de Rechtbank in conventie recht heeft gedaan op de in 3.5.3 vermelde grondslag, zoals desgevraagd toegelicht bij pleidooi. De in 3.5.1 vermelde klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
3.6 Het oordeel van de Rechtbank dat [eiseres] de meer-werkfacturen die betrekking hebben op tien uren extra instructie, aan SAS verschuldigd is, geeft voorts niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuiten de overige klachten van de middelen 1 en II af.
3.7 Middel III keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 9 dat SAS zich met recht heeft beroepen op een retentie- c.q. opschortingsrecht. Het middel faalt op de gronden vermeld onder 3.11 - 3.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Spier.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SAS begroot op ƒ 623,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.