Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZC3691

Datum uitspraak2001-10-12
Datum gepubliceerd2001-10-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/333HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnummer C 99/333HR Mr. Bakels Zitting 1 juni 2001 Conclusie inzake [De vrouw] t e g e n [De man] 1. Feiten en procesverloop 1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de verdeling van het saldo dat resteerde bij de verkoop van het op naam van de vrouw gestelde huis, dat partijen gedurende enige jaren tot hun gemeenschappelijke woning heeft gediend. 1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Partijen hebben in de periode van 1986 tot mei 1992 met elkaar samengewoond. In 1989 is een voor gemeenschappelijke bewoning bestemd huis gekocht, gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats] (hierna: het huis). Het huis is in de registers ten name van de vrouw gesteld. In een op 31 januari 1991 tussen partijen gesloten samenlevingscontract komt dienaangaande onder meer het volgende beding voor: "Woning in eigendom 1. In geval een door partijen gezamenlijk te bewonen woning wordt gekocht, zal deze door hen gemeenschappelijk in eigendom worden verkregen, ieder voor de helft. In dat geval zullen zij, voor zover redelijkerwijs mogelijk, in het bij gelegenheid van de aankoop uit eigen middelen te financieren bedrag, ieder voor de helft bijdragen. Indien niet gelijkelijk wordt bijgedragen, ontstaat voor degene die méér dan de ander bijdraagt, een renteloze vordering ter vergoeding, opeisbaar bij vervreemding van de woning (...) en bij het einde van de samenwoning (...)." In de desbetreffende notariële akte hebben de man en de vrouw voorts verklaard dat het huis tot hun gemeenschappelijke zaken behoort. Bij de verkoop van het huis is na aftrek van kosten een opbrengst gerealiseerd van f 79.437,70, die is overgeboekt op een rekening van de vrouw. 1.3 Tegen deze achtergrond heeft de man de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Hij vorderde onder meer verdeling van het bij de verkoop van het huis gerealiseerde saldo naar de maatstaf van art. 4 van het tussen partijen gesloten samenlevingscontract. Hij voerde daartoe aan dat hij een veel hoger bedrag aan de verwerving van het huis heeft bijgedragen dan de vrouw. De vrouw voerde gemotiveerd verweer en stelde voorts een vordering in reconventie in, die in cassatie niet meer ter zake doet. 1.4 De rechtbank wees op 2 oktober 1995 een tussenvonnis, waarin zij een comparitie van partijen gelastte. Nadat deze comparitie was gehouden en partijen nader hadden geconcludeerd, wees de rechtbank op 23 juli 1998 eindvonnis. In conventie en in reconventie tegelijk oordelend, veroordeelde zij de vrouw om aan de man een bedrag van f 8.477,01 in termijnen te voldoen. Zij overwoog daartoe kort gezegd dat de vrouw aan de man wegens de aan- en verkoop van het huis een bedrag verschuldigd is van f 42.302,01, terwijl de man aan de vrouw wegens door haar gedane aflossingen op de daartoe aangegane hypothecaire lening, een bedrag van f 33.825,- moet voldoen. Deze beide bedragen zijn in het dictum met elkaar verrekend. 1.5 De man is tegen het eindvonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Den Haag. Bij arrest van 25 juni 1999 heeft het hof in conventie en in reconventie het bestreden vonnis vernietigd voorzover aan zijn oordeel onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man een bedrag van f 76.404,50 te voldoen. Kort weergegeven overwoog het hof daartoe dat uit art. 4 van het tussen partijen gesloten samenlevingscontract volgt dat de eigendom van het huis gemeenschappelijk is, hetgeen betekent dat een eventuele overwaarde bij de verkoop daarvan, bij helfte aan ieder der partijen toekomt. Voorzover een van beiden meer dan de ander in de aankoop daarvan heeft bijgedragen, is deze gerechtigd bij vervreemding van het huis dat meerdere, zonder rentevergoeding, eerst uit te nemen, waarna de resterende overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld (rov. 4). Uit de door partijen over en weer verdedigde stellingen en de daartoe door hen overgelegde stukken volgt dat de vrouw voor de financiering van de aankoop van het huis een bedrag van f 44.250, - heeft bijgedragen en de man een bedrag van f 117.622,06 (rov. 5). Hoewel beide partijen stellen dat zij uit eigen middelen gelden hebben voldaan ter aflossing van de op het huis drukkende hypothecaire lening, zijn die posten niet aannemelijk geworden (rov. 6). Omdat de man dus f 73.372, - meer heeft bijgedragen aan de financiering van de aankoop dan de vrouw, komt dit bedrag hem uit de netto-opbrengst van het huis toe. Het restant, namelijk een bedrag van f 6.065, -, komt partijen ieder voor de helft toe (rov. 7). 1.6 De vrouw is tijdig tegen dit arrest in cassatie gekomen.(1) Zij voerde daartoe vier middelen aan. De man concludeerde tot verwerping. Beide partijen hebben hun onderscheiden stellingen vervolgens schriftelijk doen toelichten. 2.Bespreking van de middelen 2.1 Middel 1 bevat twee rechtsklachten die beide zijn gericht tegen 's hofs overweging in rov. 4, dat de eigendom van het huis gemeenschappelijk is. Ten eerste voert de vrouw aan dat zij in eerste aanleg - niet serieus weersproken - heeft gesteld dat zij alleen eigenares was van het huis en dat het hof heeft nagelaten te toetsen aan de regel van openbare orde, die inhoudt dat eigendomsovergang van onroerende zaken uitsluitend kan worden bewerkstelligd door inschrijving van een daartoe strekkende akte in de openbare registers. Ten tweede betoogt zij dat het hof niet heeft getoetst aan haar in eerste aanleg verdedigde en in hoger beroep niet prijsgegeven stelling, dat zij alleen eigenares was van het huis. 2.2 De eerste klacht mist feitelijke grondslag omdat 's hofs door het middel aangevallen overweging niet aldus moet worden verstaan dat de man in goederenrechtelijke zin mede-eigenaar is geworden van het op naam van de vrouw gestelde huis. Het hof heeft wél geoordeeld dat het bij de verkoop van het huis resterende saldo verbintenisrechtelijk tussen hen moet worden verdeeld op grond van het samenlevingscontract, naar de maatstaf van art. 4 daarvan. Daar is niets vreemds aan omdat het eenieder vrijstaat zich te verbinden de opbrengst van een hem toebehorend goed met een ander te delen. Het maken van een dergelijke afspraak ligt zelfs alleszins voor de hand wanneer het gaat om een voor gemeenschappelijke bewoning bestemd huis waarvan de aankoop door de beide partners is gefinancierd, maar dat op naam van één van hen is gezet, zoals in het onderhavige geval. 2.3 Bij deze uitleg die het hof aan het samenlevingscontract heeft gegeven, mist ook de tweede klacht van het middel feitelijke grondslag. De bestreden overweging van het hof is immers niet gebaseerd op het uitgangspunt dat het huis in goederenrechtelijke zin mede-eigendom van partijen zou zijn, maar op de verbintenisrechtelijke verhouding tussen partijen. Daarom hoefde het hof niet expliciet in te gaan op de in eerste aanleg verdedigde en in hoger beroep niet prijsgegeven stelling van de vrouw dat zij alleen eigenares van het huis was. Dit was in de door het hof gekozen benadering immers niet van belang voor de beslissing van de zaak, zodat het met een stilzwijgende (impliciete) verwerping kon volstaan. 2.4 Middel 2 is gericht tegen de door het hof in rov. 4 geschetste systematiek voor de verdeling van de opbrengst van het huis. 2.5 Voorzover het middel voortbouwt op middel 1, moet het in het lot daarvan delen. Voorzover het zelfstandige betekenis heeft, wordt onder (a) gesteld dat het hof in rov. 4 geen inzicht heeft geboden in de door hem gevolgde gedachtegang en gemaakte berekening, die ertoe leidden dat de man een ander bedrag kreeg dan hij vorderde. Zoals gezegd is 's hofs in rov. 4 uiteengezette uitgangspunt dat een eventuele overwaarde van het huis bij de verkoop daarvan, bij helfte aan ieder der partijen toekomt. Voorzover een van beiden meer dan de ander in de aankoop daarvan heeft bijgedragen, is deze gerechtigd bij vervreemding van het huis dat meerdere, zonder rentevergoeding, eerst uit te nemen, waarna de resterende overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld. Dit uitgangspunt is glashelder. In zoverre gaat de motiveringsklacht dus niet op. Voorzover het middel klaagt dat het hof in rov. 4 geen inzicht heeft geboden in zijn berekeningen, mist het feitelijke grondslag omdat het hof dit inzicht niet in rov. 4, maar in de rov. 5-7 heeft geboden. Voorzover het middel erover klaagt dat de man een ander bedrag kreeg toegewezen dan hij vorderde, ziet het over het hoofd dat rechter die - binnen de grenzen van de vordering -van oordeel is dat aan eiser een lager bedrag toekomt dan verlangd, dit mindere dient toe te wijzen. 2.6 De klacht onder (b) gaat over bepaalde door het hof meegetelde bedragen. De klacht loopt stuk op art. 407 lid 2 Rv omdat het middel niet uiteenzet om welke bedragen het gaat en waarom die al dan niet in welke zin moeten worden meegeteld. 2.7 Middel 3 is moeilijk te doorgronden. Zoveel is zeker, dat het zich richt tegen het feit dat het hof in rov. 5 onder (a) aannemelijk heeft geacht dat partijen een gemeenschappelijke bankrekening hebben geopend met het oog op een overbruggingskrediet dat bestemd was voor de verwerving van het huis. Daarvan uitgaande is het hof vervolgens zoveel mogelijk nagegaan welke mutaties op die rekening hebben plaatsgevonden en aan wie van beide partijen deze moet worden toegerekend, zulks met het oog op de vraag in hoeverre ieder van hen heeft bijgedragen aan de financiering van de aankoop van het huis. Volgens het middel is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof uit het feit dat deze rekening ten tijde van de aankoop van het huis is geopend en dat het debetsaldo daarvan is afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het huis, heeft afgeleid (1) dat het daarop gestorte geld rechtstreeks ten goede is gekomen aan de verkoper van het huis en (2) "dat dit onafwendbaar automatisme het enkele gevolg zou zijn van een bijzonder oogmerk van degenen die deze 'en/of - rekening' openden." 2.8 Het hof is in zijn rov. 5 nagegaan in hoeverre beide partijen financieel hebben bijgedragen aan de verwerving van het huis. Het heeft daartoe aannemelijk geacht dat deze verwerving is gefinancierd via een speciaal daartoe door beide partijen geopende bankreke-ning. Vervolgens is het nagegaan in hoeverre deze rekening is gevoed door aan beide partijen toe te rekenen stortingen. Het heeft dit onderzoek verricht om recht te doen aan art. 4 van het tussen partijen gesloten samenlevingscontract. Deze gedachtegang is m.i. even helder als juist en in elk geval niet onbegrijpelijk - en verder gaat de toetsing in cassatie van feitelijke oordelen niet - zodat klacht (1) faalt, voorzover zij al feitelijke grondslag heeft. Klacht (2) mist feitelijke grondslag. In de zojuist weergegeven gedachtegang van het hof speelt noch de aard van de 'en/of - rekening', noch enig 'onafwendbaar automatisme' een rol. 2.9 Voorzover middel 4, dat is gericht tegen rov. 5 onder (b) - (h), voortbouwt op de middelen 1-3, moet het in het lot daarvan delen. Voorzover het zelfstandige betekenis heeft, berust het op de stelling dat de door het hof uit de omstandigheden van het geval getrokken conclusie, dat de door de man gedane storting op voormelde gemeenschappelijke rekening van f 35.000, - is aangewend voor de financiering van het huis, mede is gebaseerd op twee in het middel geformuleerde regels. 2.10 De eerste regel is, aldus de gedachtegang die het middel aan het hof toeschrijft, "dat het oogmerk waarmee een gemeenschappelijke rekening geopend wordt, van stond af aan en voor altijd bepaalt waaraan het geld besteed wordt dat op die gemeenschappelijke rekening gestort wordt". Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag, omdat de boven weergegeven gedachtegang van het hof geenszins op deze regel - wat daarvan verder zij - is gebaseerd, ook niet mede. 2.11 De tweede regel die het middel in 's hofs oordeel meent te herkennen is, "dat geen acht geslagen wordt op het gemeenschappelijk worden van geld dat op een gemeenschappelijke rekening gestort wordt, waardoor irrelevant zou zijn wat er na de stortingen met het geld gebeurd is en slechts gelet zou hoeven worden op hetgeen de stortende partij met de storting beoogde (...)". Ook in zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Rechthebbenden op het saldo van een gemeenschappelijke rekening zijn degenen die het saldo hebben gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze belanghebbenden bestaat in zoverre een gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW. 's Hofs arrest is echter niet (mede) op dit goederenrechtelijke aspect van de stortingen op de gemeenschappelijke rekening gebaseerd maar, zoals opgemerkt, uitsluitend op een toerekening van die stortingen aan de beide partners met het oog op de tussen hen afgesproken verrekening. 3. Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van 101a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 De cassatiedagvaarding dateert van 24 september 1999.


Uitspraak

12 oktober 2001 Eerste Kamer Nr. C99/333HR NS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 10 augustus 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd: 1. de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 66.727,66 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 2. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man dan wel aan een door de man aan te wijzen derde binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de bij conclusie van eis gespecificeerde zaken, op straffe van een dadelijk aan de man te verbeuren dwangsom. De vrouw heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie een vordering ingesteld, die in cassatie niet meer ter zake doet. Na een ingevolge een tussenvonnis van 2 oktober 1995 op 22 augustus 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 23 juli 1998, in conventie en in reconventie, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen, in maandelijkse termijnen van ƒ 250,--, een bedrag van ƒ 8.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen. Tegen het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft gevorderd het vonnis van 23 juli 1998 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw primair alsnog te veroordelen tot betaling van de somma van ƒ 78.543,07 subsidiair tot een nader door het Hof te bepalen bedrag zoals in goede justitie behoort, verhoogd met de wettelijke rente. Bij arrest van 25 juni 1999 heeft het Hof, in conventie en in reconventie, het bestreden vonnis vernietigd voor zover aan haar oordeel onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 76.404,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 101a RO. 3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op ƒ 4.945,-- in totaal, waarvan ƒ 4.740,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 205,-- aan de man. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.