
Jurisprudentie
ZC3685
Datum uitspraak2001-10-12
Datum gepubliceerd2001-10-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/038HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-10-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/038HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Rolnummer C 00/038 HR
Mr. Bakels
Zitting 1 juni 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[De man]
t e g e n
[De vrouw]
(niet verschenen)
1. Feiten en procesverloop
1.1 Het gaat in deze zaak om een gestelde valse aangifte van een zedendelict en van mishandeling door de ene ex-echtgenoot tegenover de andere.
1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(a) Partijen zijn op 24 mei 1982 met elkaar getrouwd. Hun huwelijk is op 15 november 1991 ontbonden door inschrijving van een tussen hen op 1 oktober 1991 gewezen echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben samen drie minderjarige dochters. De vrouw is door de rechtbank Den Haag benoemd tot voogdes en de man tot toeziend voogd.
(b) De vrouw heeft op 4 januari 1995 bij de politie aangifte gedaan van feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) en mishandeling door de man jegens haar, gepleegd in het tijdvak van juli 1988 tot maart 1991. De man is vervolgens op 13 maart 1995 om 6.10 uur thuis aangehouden en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau. Diezelfde dag is hij om 14.53 uur in vrijheid gesteld.
(c) Bij brief van 13 mei 1995 heeft de officier van justitie aan de man bericht dat hij besloten heeft hem niet (verder) te vervolgen omdat er naar zijn oordeel onvoldoende wettig bewijs is.
(d) Op 23 december 1994, dus tien dagen voor de onder (b) bedoelde aangifte, heeft de president van de rechtbank Den Haag in kort geding aan de man, ondanks verzet daartegen van de vrouw, toestemming gegeven tot het aanvragen van paspoorten voor de drie dochters van partijen in verband met een voorgenomen buitenlandse vakantie. Op dat moment was tussen partijen ook een zaak aanhangig waarin de man een omgangsregeling met zijn dochters vorderde.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft de man de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. Hij vorderde dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het doen van een valse aangifte van feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Tevens verlangde hij dat de rechtbank de vrouw zou veroordelen hem een bedrag van f 25 000,- te voldoen wegens door hem geleden immateriële schade. De man voerde daartoe kort gezegd aan dat de door de vrouw tegen hem gedane aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid is gedaan uit wraak vanwege de afloop van het Haagse kort geding en in verband met een op dat moment aanhangige zaak, waarin de man een omgangsregeling met zijn dochters vorderde.
1.4 De vrouw heeft de vordering gemotiveerd betwist. Zij bestreed dat zij een valse aangifte heeft gedaan en legde daartoe een kopie over van het proces-verbaal van de Rijkspolitie, district Rijn - en Aarlanden, van 24 maart 1995. Zij stelde dat haar aangifte op onderdelen wordt ondersteund door de als getuigen afgelegde verklaringen van haar zuster en de toenmalige oppas van partijen. Zij erkende dat verband bestaat tussen het moment waarop zij aangifte heeft gedaan en het vonnis in het Haagse kort geding. Zij bestreed echter dat zij uit wraak heeft gehandeld en voerde aan de aangifte te hebben gedaan uit vrees dat de man ook de dochters van partijen zal mishandelen.
1.5 Bij vonnis van 12 november 1997 heeft de rechtbank de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis is de man in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Den Haag. Bij het thans bestreden arrest van 16 september 1999 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Het overwoog daartoe met name als volgt. De verklaring die de vrouw geeft voor het moment waarop zij aangifte heeft gedaan, is redelijk en invoelbaar. Het motief dat zij daartoe had, brengt niet mee dat sprake is van een valse aangifte (rov. 4.1). Ten onrechte stelt de man dat de getuigenverklaringen van de zuster van de vrouw en de toenmalige oppas, niet als steunbewijs kunnen gelden. Bezien naar de inhoud ondersteunen deze verklaringen de aangifte wél.1 Het feit dat deze getuigen niet bij de door de vrouw aangegeven feitelijke aanranding aanwezig zijn geweest, kan daaraan niet afdoen. Voorts betreft het belangrijkste gedeelte van hun verklaringen gebeurtenissen waarbij de vrouw niet aanwezig is geweest. Het hof ziet in het door de man gestelde dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze getuigenverklaringen, nog daargelaten dat, als dit anders zou zijn, daaruit nog niet volgt dat sprake is van een valse aangifte (rov. 4.2). De beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging over te gaan, is geen positieve aanwijzing dat de aangifte van de vrouw vals was (rov. 4.3). Van deze laatste stelling draagt de man de bewijslast (rov. 4.4). Dit bewijs volgt niet uit de door de man daartoe aangevoerde argumenten (rov. 4.5).
1.6 Tegen dit arrest is de man tijdig in cassatie gekomen.2 Hij heeft vier middelen aangevoerd en gevorderd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak vervolgens zelf zal afdoen of deze zal verwijzen. Ten dienenden dage heeft de man aanvankelijk verzuimd de zaak ter rolle te laten inschrijven. Dit verzuim is tijdig gecorrigeerd door een herstelexploit. De vrouw is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
2. Bespreking van de middelen
2.1 Voordat ik de middelen bespreek, merk ik op dat de vraag die in beide feitelijke instanties door de man op de voorgrond is gesteld, namelijk wat het motief van de vrouw is geweest om aangifte te doen, voor de toewijsbaarheid van zijn vordering op zijn hoogst slechts zijdelings van belang is. Als de vrouw de aangifte inderdaad uit wraak zou hebben gedaan, zoals de man stelt maar vrouw gemotiveerd betwist, zou daarin onder omstandigheden een aanwijzing kunnen worden gezien dat er reden is om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen. Meer kan men daaruit niet afleiden. De enkele - in deze procedure door de feitenrechters overigens niet aannemelijk geachte - omstandigheid dat iemand uit wraak aangifte doet van een jegens haar gepleegd delict, betekent immers nog niet dat die aangifte onjuist is. Het is heel goed mogelijk dat een vrouw, die in de loop van haar huwelijk herhaaldelijk door haar man is geslagen en verkracht - ik zeg overigens niet dat vaststaat dat dit in het onderhavige geval is gebeurd - daarvan jarenlang geen aangifte doet uit motieven als schaamte, angst, onmacht, zelfverwijt, loyaliteitsconflicten, de wens om de kinderen te beschermen en/of de wens om een streep onder het verleden te zetten. Toch kan het op enig moment zover komen, ook jaren later, dat de dader een stap te ver gaat en/of het slachtoffer haar ervaringen voldoende heeft verwerkt, waarna alsnog aangifte volgt. Het motief van een dergelijke aangifte zal dan wel veelal mede de behoefte aan vergelding zijn. Maar ook andere motieven, zoals het doen van een zet op het schaakbord van de gezagsvoorziening of de wens om zich de man verder van het lijf te houden, kunnen daarbij een rol spelen. Hoe dat zij, de omstandigheid dat bij de aangifte mede de behoefte aan vergelding een rol speelt, betekent niet dat die aangifte in beginsel voor vals moet worden gehouden. De redenering van (de advocaat van) de man: de vrouw was boos op de man wegens het Haagse kort geding, dus is de aangifte uit wraak gedaan, dus is zij onwaar, is dan ook veel te simpel.
2.2 Ik richt nu mijn aandacht op de door de man tegen het bestreden arrest aangevoerde klachten. Middel 1 is gericht tegen 's hofs overweging dat de verklaringen van de zuster van de vrouw en de toenmalige oppas, naar de inhoud bezien de aangifte van de vrouw ondersteunen. Volgens het middel is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, kort gezegd omdat die verklaringen niet rechtstreeks betrekking hebben op de door de vrouw gestelde feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
2.3 Het middel faalt reeds omdat de man daarbij geen belang heeft. Tegen de achtergrond van art. 177 Rv is het immers niet aan de vrouw om aan te tonen dat zij niet opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan, maar aan de man om te bewijzen dat dit wel het geval is.
2.4 Ten overvloede merk ik op dat het middel op een onjuiste rechtsopvatting berust, voorzover het ervan uitgaat dat aan een getuigenverklaring slechts waarde toekomt als deze rechtstreeks betrekking heeft op het gestelde delict. De waardering van de bewijsmiddelen is aan het oordeel van de feitenrechters overgelaten en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet, integendeel zelfs. De zuster van de vrouw heeft immers, blijkens het onder 1.4 genoemde proces-verbaal3, kort gezegd verklaard dat de man zich ook aan haar seksueel heeft opgedrongen, onder andere door - toen zij 16 of 17 jaar oud was - tegen haar zin haar borsten en vagina te strelen en door eenmaal aan haar vagina te likken nadat zij in de logeerkamer van partijen naar bed was gegaan; dat de man vreselijk agressief deed als er dingen gebeurden die niet helemaal naar zijn zin waren en dat zijn agressie zich dan meestal op de vrouw richtte. Het hof kon uit deze verklaring redelijkerwijs afleiden, zoals het blijkbaar heeft gedaan, dat de man in seksueel opzicht de wensen van anderen in zijn omgeving niet of onvoldoende respecteerde en dat hij agressief tegen de vrouw kon optreden als hij zijn zin niet kreeg. In zoverre wordt de aangifte van de vrouw door deze getuigenverklaring ondersteund.
2.5 De verklaring van de toenmalige oppas van partijen4 houdt kort gezegd in dat zij, toen zij alleen was in het huis van partijen, een opengeslagen blocnote zag liggen waarin door de man was geschreven. Daarin stond o.m. dat de man de vrouw op enig moment op de grond had gegooid en haar vervolgens anaal had verkracht. Ongeveer een week later heeft de oppas dit met de vrouw besproken. De vrouw vertelde haar toen dat de man haar wel vaker had verkracht; dat hij vaak anaal contact wilde en dat de vrouw dat niet wilde. Het is evident dat de aangifte van de vrouw door deze verklaring wordt gesteund.
2.6 Middel 2 bevat geen begrijpelijke klacht. Het loopt dus vast op art. 407 lid 2 Rv.
2.7 Middel 3 stelt, naar ik begrijp, dat het in de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid niet op de weg van de man lag om te bewijzen dat de vrouw opzettelijk een valse aangifte had gedaan, maar op de weg van de vrouw om aan te tonen dat de door haar gedane aangifte juist was.
2.8 Het middel faalt. Het bestrijdt op zichzelf terecht niet dat uit art. 177 Rv in beginsel volgt dat de man, die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde valse aangifte, de bewijslast draagt van die valsheid. De procespartij die een van deze hoofdregel afwijkende verdeling van de bewijslast wil bepleiten op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, dient daartoe in de feitelijke instanties een gemotiveerd beroep te doen op de specifieke omstandigheden van het geval die een andere verdeling van de bewijslast rechtvaardigen. In dit licht loopt het middel reeds vast op art. 407 lid 2 Rv omdat het niet de vindplaats in de stukken aangeeft waar een dergelijk betoog zou zijn gehouden. Ten overvloede voeg ik hieraan toe dat de enkele omstandigheid dat het voor de man moeilijk is om het van hem verlangde bewijs te leveren, (vanzelfsprekend) nog niet een omkering van de bewijslast rechtvaardigt.
2.9 Middel 4 ten slotte houdt, als ik het goed begrijp, dezelfde klacht in als middel 3 en faalt dus op dezelfde grond.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO en met veroordeling van de man in de kosten, tot op heden aan de zijde van de vrouw te begroten op nihil.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Over deze verklaringen nader onder 2.5 en 2.6 van deze conclusie.
2 De cassatiedagvaarding dateert van 15 december 1999.
3 Doorgenummerde blz. 22-25.
4 Doorgenummerde blz. 18-20.
Uitspraak
12 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/038HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R. Müller,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 27 november 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:
1. te verklaren voor recht, dat het valselijk aangifte doen door de vrouw, als zou de man zich hebben schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van een of meer personen, jegens de man onrechtmatig is geweest;
2. de vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden de schade, die de man heeft geleden door het jegens hem onrechtmatig handelen van de vrouw, ad ƒ 25.000,--;
3. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding en in de kosten, die de man heeft moeten maken voor buitengerechtelijke juridische bijstand ad ƒ 1.500,--.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 november 1997 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 16 september 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO en met veroordeling van de man in de kosten, aan de zijde van de vrouw te begroten op nihil.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beant-woording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de man in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.