Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZC3658

Datum uitspraak2001-09-28
Datum gepubliceerd2001-09-28
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/308HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Mr. A.S. Hartkamp nr. C99/308 zitting 11 mei 2001 Conclusie inzake Levob Gezondheidsverzekering N.V. tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) In cassatie zijn de volgende feiten van belang. Op 18 maart 1993 rond 11.15 uur fietste [betrokkene A] over een pad, dat tussen huizen aan de Bovenwielstraat te Culemborg is gelegen. Haar toen tweejarige dochter [betrokkene B] zat in een kinderzitje voorop de fiets. Ter hoogte van Bovenwielstraat 2 mondt dit pad uit op de Bovenwielstraat. [Betrokkene A] is op de Bovenwielstraat, waar zich toen een Renault-personenauto met kenteken [...], toebehorend aan en bestuurd door verweerder in cassatie [verweerder], ter plaatse van de uitmonding van het pad bevond, met deze auto in aanraking gekomen en ten val gekomen. [Betrokkene B], die daarbij uit het kinderzitje op straat viel, liep daardoor een schedelbasisfractuur op, terwijl ook [betrokkene A] letsel opliep. Ten tijde van het ongeval waren [betrokkene A] en haar dochter [betrokkene B] tegen het risico van ziektekosten verzekerd bij eiseres tot cassatie, Levob. Ter zake van de als gevolg van het ongeval door [betrokkene A] en haar dochter [betrokkene B] gemaakte ziektekosten heeft Levob f. 10.266,- betaald, waarbij een bedrag van f. 471,30 betrekking heeft op het letsel van [betrokkene A]. [Verweerder], althans diens WAM-verzekeraar, is niet bereid deze kosten aan Levob te vergoeden. 2) Bij exploot van 13 januari 1995 heeft Levob [verweerder] gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Arnhem. Zij heeft gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van f. 11.144,07 en van de door Levob in te toekomst te lijden schade, op te maken bij staat. Aan deze vordering heeft Levob ten grondslag gelegd dat [verweerder] bekend was met het bestaan van het pad en wist van de mogelijke nadering van fietsers daarover terwijl hij zijn snelheid niet heeft aangepast en met onverminderde snelheid bleef rijden en onvoldoende oplettend is geweest. [Verweerder] heeft zich ter afwending van aansprakelijkheid beroepen op overmacht, waartoe hij aanvoerde dat hij op het moment van het ongeval stilstond omdat de doorgang voor hem werd belemmerd door een stilstaande vrachtauto en dat [betrokkene A], onttrokken aan zijn gezichtsveld, plotseling het pad uit kwam. Subsidiair heeft hij zich beroepen op medeschuld aan de zijde van [betrokkene A]. 3) Nadat zij op 23 mei 1996 een tussenvonnis had gewezen, heeft de rechtbank bij vonnis van 2 oktober 1997 art. 31 WVW (oud) op het geval van toepassing verklaard en geoordeeld dat het beroep op overmacht van [verweerder] faalt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, [betrokkene A] 50% schuld heeft aan het ongeval omdat zij geen voorrang verleende. Omdat [verweerder] zich jegens [betrokkene B] naar het oordeel van de rechtbank niet kan beroepen op medeschuld, is hij veroordeeld tot betaling van de door Levob gemaakte en in de toekomst nog te maken kosten ter zake van de medische behandeling van [betrokkene B]. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] verplicht is 50% van de door Levob gemaakte kosten ter zake van de medische behandeling van [betrokkene A] te vergoeden. 4) [Verweerder] is onder aanvoering van negen grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Voor zover in cassatie van belang, heeft hij aangevoerd dat de rechtbank art. 31 WVW (oud) ten onrechte van toepassing heeft geacht en ten onrechte heeft overwogen dat hem niet een beroep op over-macht in de zin van art. 31 WVW (oud) toekomt. Bij arrest van 10 november 1998 heeft het hof, evenals de rechtbank, vastgesteld dat art. 31 WVW (oud) op het ongeval van toepassing is. Alvorens over de overige grieven te beslissen, heeft het hof een gerechtelijke plaatsopneming gelast en nadere inlichtingen bij partijen ingewonnen. Op grond van de verkregen informatie heeft het hof bij arrest van 29 juni 1999 geoordeeld dat aan [verweerder] een beroep op overmacht toekomt, het vonnis van de rechtbank vernietigd en aan Levob haar vordering ontzegd. Met betrekking tot het overmachtverweer heeft het hof overwogen als volgt: "2.3 Door de descente en de tijdens de comparitie van partijen door [verweerder] afgelegde en in zoverre niet door Levob betwiste verklaring is komen vast te staan dat op het moment van het ongeval de auto van [verweerder] zich (gedeeltelijk) bevond op de kruising van de Bovenwielstraat te Culemborg met het pad waarop [betrokkene A] op haar fiets reed. Tijdens de comparitie van partijen na de descente heeft [verweerder] verklaard: - dat op het moment van het ongeval op een afstand van ongeveer één meter vóór de auto van [verweerder] een vrachtauto op de Bovenwielstraat stil stond; - dat achter die vrachtauto (tussen die vrachtauto en de auto van [verweerder]) personen bezig waren met laden en lossen. Levob heeft ter comparitie van partijen niet verklaard dat deze feiten onjuist zijn en de tevens ter comparitie gehoorde [betrokkene A] heeft verklaard dat zij zich van de situatie niets meer kan herinneren. [Verweerder] heeft deze aanwezigheid van de vrachtauto ook gesteld in de procedure in eerste aanleg. (...) 2.4 Uit deze feiten blijkt dat de auto van [verweerder] ten tijde van het ongeval zo dicht achter de stilstaande vrachtauto en de zich daarachter bevindende personen bevond, dat deze auto geheel of nagenoeg stil moet hebben gestaan, omdat deze anders in botsing met die vrachtauto of de zich daarachter bevindende personen had moeten zijn gekomen (hetgeen niet is gebeurd). Onder deze omstandigheden valt niet in te zien wat [verweerder] had moeten doen om het ongeval te voorkomen en hoe hij nog oplettender en voorzichtiger aan het verkeer had kunnen deelnemen en zijn snelheid meer had kunnen aanpassen (het verwijt van Levob is dat hij dat niet heeft gedaan) of anderszins had kunnen anticiperen op de nadering van fietsers uit het voornoemde pad. Het feit dat [verweerder], zoals hij zelf heeft verklaard, [betrokkene A] niet had opgemerkt voordat zij tegen zijn auto botste, kan hieraan niet afdoen, omdat niet gesteld of gebleken is hoe [verweerder], nu hij (nagenoeg) stil stond, het ongeval had kunnen voorkomen, indien hij op het moment vóór het ongeval in de richting van [betrokkene A] zou hebben gekeken. De fout van [betrokkene A] (het (al dan niet ten gevolge van een defecte rem) niet stoppen voor en het met haar fiets rijden tegen de (nagenoeg) stilstaande auto van [verweerder]) was voor [verweerder] zo onwaarschijnlijk dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid en billijkheid geen rekening behoefde te houden. Dit alles leidt tot de conclusie dat [verweerder] ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Hiermede komt [verweerder] een beroep op overmacht toe en slagen de grieven 4 en 5." 5) Levob is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft zij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit een inleiding en vier onderdelen. [Verweerder] heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna [verweerder] heeft gedupliceerd. Bespreking van het cassatiemiddel 6) Onderdeel A.1 komt met een motiveringsklacht op tegen de tweede alinea van r.o. 2.4, waarin het hof heeft geoordeeld dat niet valt in te zien wat [verweerder] onder de gegeven omstandigheden had moeten doen om het ongeval te voorkomen of dat hij anderszins had kunnen anticiperen op de nadering van fietsers uit het pad. Levob klaagt erover dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat de vastgestelde feiten en omstandigheden en de gevolgtrekkingen die het hof daaraan heeft verbonden, volgens Levob geen andere conclusie toelaten dan dat tussen de vrachtauto en de auto van [verweerder] ongeveer één meter was vrijgelaten en het hof in het licht daarvan de mogelijkheid had moeten onderzoeken dat [verweerder] het ongeval had kunnen voorkomen door op de kruising van de Bovenwielstraat en het pad meer ruimte vrij te laten. 7) Bij de behandeling van deze klacht dient het volgende tot uitgangspunt. Krachtens art. 31 lid 1 WVW (oud) is, indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden betrokken is bij een aanrijding waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen en zaken, de eigenaar of houder verplicht die schade te vergoeden. Ter afwending van deze aansprakelijkheid kan de eigenaar of houder (danwel diens WAM-verzekeraar) zich beroepen op overmacht, welk beroep slechts slaagt als aannemelijk is geworden dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen het slachtoffer zelf - alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn ver-keersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527; HR 4 oktober 1996, NJ 1996, 147, m.nt. CJHB; HR 17 november 2000, RvdW 2000, 234 en de conclusie van AG Strikwerda voor dat arrest). Wat betreft de stelplicht en bewijslast houdt het voorgaande in dat de eigenaar of houder van het motorrijtuig (dan wel zijn WAM-verzekeraar) de feiten moet bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat het ongeval is te wijten aan overmacht aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig in de zin van art. 31 lid 1 WVW (oud)(zie HR 17 november 2000, RvdW 2000, 234). Indien overmacht aannemelijk is, zal de gelaedeerde fietser of voetganger op zijn beurt feiten en omstandigheden moeten aanvoeren die de rechter tot de conclusie kunnen brengen dat de bestuurder niet in overmacht handelde, maar zijn rijgedrag had moeten aanpassen aan de situatie waarin de vermeende overmacht gelegen was. 8) Tegen deze achtergrond wordt naar mijn mening de klacht van Levob tevergeefs voorgesteld. Levob heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat [verweerder] aansprakelijk was voor de schade omdat hij zijn verkeersgedrag niet had aangepast en met onverminderde snelheid was door blijven rijden (zie conclusie van repliek onder 11; akte houdende uitlating producties onder 3; conclusie na enquête onder 6,7; memorie van antwoord onder 12, 17, 22). [Verweerder] heeft hiertegen verweer gevoerd, inhoudende dat hij op het moment van het ongeval zijn auto tot stilstand had gebracht (zie conclusie van antwoord onder 4; conclusie van dupliek onder 3; antwoordakte uitlating producties onder 2; proces-verbaal van getuigenverhoor [verweerder] d.d. 9 december 1996; memorie van grieven inleiding, grief I, grief III; verklaring [verweerder] naar aanleiding van gerechtelijke plaatsopneming). Levob heeft nagelaten om in reactie daarop aan te voeren dat, indien vastgesteld zou worden dat [verweerder] zijn auto op het moment van het ongeval inderdaad tot stilstand had gebracht, hij dit op een onjuiste wijze had gedaan en/of dat hij daarbij onvoldoende rekening had gehouden met de mogelijke fouten van andere verkeersdeelnemers. Zij heeft derhalve nagelaten feiten en omstandigheden te stellen waaraan het recht het door haar beoogde rechtsgevolg verbindt (zie Mon. Nieuw BW A-24 (Asser), nrs. 24 (p. 42) en 29 (p. 54)), terwijl zij erop bedacht had kunnen zijn dat het hof zich niet met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het overmachtverweer zou verenigen (vgl. HR 29 januari 1993, NJ 1993, 490). Nu geen rechtsregel meebrengt dat het hof zelfstandig had moeten onderzoeken of [verweerder] zijn auto op een onjuiste wijze tot stilstand heeft gebracht (vgl. HR 24 mei 1991, NJ 1991, 506, waar tevergeefs geklaagd werd dat het hof bij het vaststellen van overmacht had nagelaten te onderzoeken of de automobilist aannemelijk had gemaakt dat het foutieve rijgedrag van de fietser niet door zijn gedrag kon zijn veroorzaakt), en uit de jurisprudentie met betrekking tot de weerlegging van een overmachtverweer kan worden afgeleid dat het slachtoffer dit gemotiveerd dient te stellen (vgl. HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527), kan de klacht m.i. niet tot cassatie leiden. 9) Onderdeel A.2 keert zich met motiveringsklachten tegen de derde alinea van r.o. 2.4 van het arrest van het hof. De feiten en omstandigheden die door het hof zijn vastgesteld en aangenomen laten volgens de klacht geen andere conclusie toe dan dat [verweerder], indien hij oplettend was geweest en rekening had gehouden met de aanwezigheid van fietsers komend uit genoemd pad, met welke mogelijkheid hij bekend was, [betrokkene A] had kunnen zien naderen. Indien hij voorafgaand aan het ongeval in de richting van [betrokkene A] zou hebben gekeken, had hij haar nadering kunnen opmerken, zijn auto terstond dan wel op ruimere afstand achter de vrachtauto tot stilstand kunnen brengen en daarmee het ongeval kunnen voorkomen. Dit zou slechts anders zijn indien [betrokkene A] de kruising met hoge snelheid zou hebben genaderd, hetgeen echter niet is vastgesteld. Gezien deze door Levob geformuleerde constateringen is het volgens haar niet begrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat het feit dat [verweerder] [betrokkene A] niet had opgemerkt voordat zij tegen de auto botste, niet kon afdoen aan zijn overmacht, omdat niet is gesteld of gebleken dat [verweerder] het ongeval had kunnen voorkomen indien hij op het moment vóór het ongeval in de richting van [betrokkene A] zou hebben gekeken. Bovendien wordt erover geklaagd dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt wat het heeft verstaan onder "op het moment vóór het ongeval". Indien het op het oog heeft gehad het moment waarop [betrokkene A] voor [verweerder] zichtbaar werd en ervan is uitgegaan dat dat moment zodanig kort voor het moment van het ongeval lag dat [verweerder] zijn auto niet in relevante mate eerder tot stilstand had kunnen brengen en de doorgang op de kruising voor [betrokkene A] had kunnen vrijlaten, is deze beslissing in het licht van door Levob getrokken conclusies niet begrijpelijk. Als het tot uitdrukking heeft gebracht dat [betrokkene A] op dat moment de auto van [verweerder] reeds zo dicht was genaderd, dat een aanrijding onvermijdelijk was, is deze beslissing gezien de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden en de daaraan door Levob verbonden conclusies evenmin begrijpelijk, aldus het onderdeel. 10) Deze klachten miskennen m.i., evenals de klacht vervat in onderdeel A.1, dat het hof bij de beoordeling van een beroep op overmacht niet ambtshalve behoeft te onderzoeken of er feiten en omstandigheden zijn die door partijen niet zijn aangevoerd en die zouden kunnen meebrengen dat een in beginsel geslaagd beroep op overmacht faalt. Zoals bij de bespreking van onderdeel A.1 reeds werd aangegeven, heeft Levob zich er steeds op beroepen dat [verweerder] op onjuiste wijze heeft gereden omdat hij met onverminderde snelheid bleef doorrijden. Zij heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren met betrekking tot de snelheid van [betrokkene A] en de mogelijkheid van [verweerder] om zijn auto eerder tot stilstand te brengen, welke het hof ertoe zouden verplichten te onderzoeken of [verweerder] zijn auto op onjuiste wijze tot stilstand heeft gebracht. Nu het hof heeft overwogen dat [verweerder] niet een verkeersfout heeft gemaakt omdat hij stilstond, kon het zonder zijn motiveringsplicht te schenden tot het oordeel komen dat hieraan niet kan afdoen dat [verweerder] [betrokkene A] niet had opgemerkt voordat zij tegen zijn auto botste. 11) Onderdeel A.3 richt eveneens een motiveringsklacht tegen de derde alinea van r.o. 2.4, inhoudende dat het hof er ten onrechte niet van heeft blijk gegeven dat het heeft onderzocht of [verweerder] het ongeval had kunnen voorkomen door de kruising van de Bovenwielstraat en het pad waarover [betrokkene A] reed vrij te laten ook zonder dat hij [betrokkene A] had kunnen opmerken. Deze klacht is niet gericht tegen hetgeen in de derde alinea van r.o. 2.4 van het hof is overwogen maar klaagt er opnieuw over dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of [verweerder] een verkeersfout heeft gemaakt door zijn auto op een onjuiste wijze tot stilstand te brengen. Zij faalt op de gronden vermeld bij de bespreking van onderdeel A.1. 12) Onderdeel A.4 klaagt erover dat het hof de feitelijke uitgangspunten van de rechtbank dat ten tijde van het ongeval bij de uitgang van het pad, anders dan nu, geen rode paaltjes stonden, waardoor je als fietser gedwongen wordt af te stappen voordat je op de Bovenwielstraat komt en dat [verweerder] bekend was met de situatie dat iedereen het pad zomaar uit fietste, zonder redengeving niet heeft aanvaard. Op grond daarvan is de beslissing in de vierde alinea van r.o. 2.4 van het hof, inhoudende dat de fout van [betrokkene A] voor [verweerder] zo onwaarschijnlijk was dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid en billijkheid geen rekening behoefde te houden, volgens Levob onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast wordt erover geklaagd dat, op grond van de feitelijke uitgangspunten van de rechtbank, de fout van [betrokkene A] niet zo onwaarschijnlijk is dat [verweerder] daarmee geen rekening behoefde te houden en dat indien het hof zich niet met deze feitelijke uitgangspunten zou hebben verenigd, zijn anders luidende beslissing onvoldoende is gemotiveerd. 13) De klacht dat het hof de feitelijke uitgangspunten van de rechtbank niet zou hebben aanvaard, mist feitelijke grondslag. De klacht dat het hof, gezien de feitelijke uitgangspunten van de rechtbank, onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de fout van [betrokkene A] zo onwaarschijnlijk was dat [verweerder] daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden, faalt m.i. eveneens. Niet onbegrijpelijk is dat het hof de fout van [betrokkene A] (het (al dan niet ten gevolge van een defecte rem) niet stoppen voor en het met haar fiets rijden tegen de (nagenoeg) stilstaande auto van [verweerder]) zo onwaarschijnlijk heeft geacht dat [verweerder] daarmee, ondanks het ontbreken van rode paaltjes en ondanks het feit dat uit het pad zomaar mensen komen fietsen, geen rekening behoefde te houden. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (Advocaat-Generaal)


Uitspraak

28 september 2001 Eerste Kamer Nr. C99/308HR NS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: LEVOB GEZONDHEIDSVERZEKERING N.V., gevestigd te Leusden, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.L.W. Sillevis Smitt, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Levob - heeft bij exploit van 13 januari 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van ƒ 11.144,07, althans van enig bedrag door de Rechtbank in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 1992, althans vanaf de dag der dagvaarding, te berekenen tot de dag der algehele voldoening, en voorts [verweerder] te veroordelen tot betaling van de door Levob in de toekomst te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [Verweerder] heeft de vordering bestreden. Nadat de Rechtbank bij tussenvonnis van 23 mei 1996 Levob toegelaten had tot het bewijs, dat [verweerder] op 8 maart 1992 op de Bovenwielstraat ter hoogte van het perceel Bovenwielstraat 2 met de door hem bestuurde auto tegen de fietsende [betrokkene A] is aangereden, waardoor [betrokkene A] en haar dochter [betrokkene B] ten val zijn gekomen, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 2 oktober 1997 [verweerder] veroordeeld tot betaling aan Levob van ƒ 10.908,42, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 13 januari 1995 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede [verweerder] veroordeeld tot betaling van de overige kosten van medische behandeling van [betrokkene B] en 50 % van de overige kosten van medische behandeling van [betrokkene A], voor zover die kosten het gevolg zijn van de aanrijding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Tegen dit eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Nadat het Hof bij tussenarrest van 10 november 1998 een gerechtelijke plaatsopneming had gelast, heeft het Hof bij eindarrest van 29 juni 1999 het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Levob haar vordering ontzegd. Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het eindarrest van het Hof heeft Levob beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Levob in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot of ƒ 792,20 aan veschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2001.