Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZB9101

Datum uitspraak2000-12-12
Datum gepubliceerd2003-07-10
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers98/8893 NABW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Inlichtingenplicht. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Verlaging. Evenredigheidsbeginsel. Geldlening. Ten onrechte geen rekening gehouden met belastingschulden.


Uitspraak

98/8893 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 18 november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden. De gemachtigde van appellant heeft eveneens nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 31 oktober 2000, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr Aarnoudse voornoemd, en waar gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Aanvang 1995 heeft eiser na een bedrijfsbeëindiging een aanvraag om uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) ingediend, welke aanvraag wegens het verstrekken van onvoldoende inlichtingen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, is afgewezen. Eiser is tegen deze afwijzing niet in bezwaar gekomen. Kort daarop werd eiser door de heer C. benaderd om medevennoot te worden van de X. VOF (hierna te noemen: VOF). De VOF, waarvan noch onderhands, noch notariëel een oprichtingsakte is opgemaakt, werd op 1 april 1995 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Deventer. Volgens afspraak op basis van een gentleman's agreement zou eiser, die geen kapitaal, doch slechts arbeid inbracht en wiens functie bestond uit het adviseren aan de heer C. terzake van investeringen in verschillende bedrijven, voor 50% in de winst delen. In september 1995 is eiser tevens voor een bedrag ad f 55.000,--, volgens eiser afkomstig uit de VOF, deelgenoot geworden in een casino. Omdat het casino niet goed bleek te lopen, heeft eiser zich hieruit enige tijd later teruggetrokken. Eiser zou niets hebben verdiend, doch slechts quitte hebben gespeeld. Vervolgens heeft eiser op 1 februari 1996 als huurder voor een bedrag ad f 50.000,-- café Y. aan de P.straat te B. overgenomen, welk bedrag eiser eveneens aan de VOF zou hebben onttrokken. In verband met het feit dat dit café niet liep, heeft eiser het café in oktober 1996, volgens eigen zeggen voor een bedrag ad f 6.000,-- weer van de hand gedaan. Van deze transactie staat evenwel niets op papier. Het enige dat eiser in dit verband kan overleggen is een bewijs van uitschrijving van de Kamer van Koophandel. Op 14 januari 1997 diende de echtgenote van eiser, mevrouw D., een aanvraag voor bijstand inzake de kosten van levensonderhoud en woonkostentoeslag in, omdat zij door haar echtgenoot zou zijn verlaten. Bij het intake-gesprek bleek evenwel dat er tussen beide echtelieden nog wel contact was en dat een echtscheiding (nog) niet werd overwogen, in verband waarmee eisers echtgenote werd medegedeeld dat zowel door haar als haar echtgenoot een bijstandsaanvrage moest worden ingediend. Vervolgens werd op 27 januari 1997 een gezamenlijke aanvraag om bijstand ingediend. Omdat tijdens de aanvraagprocedure geconstateerd werd dat eiser niet alle voor het vaststellen van het recht op bijstand benodigde informatie had overgelegd - zo bleek eiser de beschikking te hebben gehad over een auto, die een waarde van circa f 40.000,-- vertegenwoordigde - werd eiser hiervoor alsnog een hersteltermijn geboden. Daar eiser naar het oordeel van verweerder wederom in gebreke bleef, heeft verweerder de aanvraag om bijstand bij besluit d.d. 24 maart 1997 (verzonden d.d. 26 maart 1997) afgewezen. Hierbij is o.m. overwogen dat, nu eiser geen duidelijkheid inzake zijn inkomens- en vermogenspositie heeft gegeven en eiser zich in een positie heeft gemanoeuvreerd, dat niet meer op grond van enigszins betrouwbare gegevens kan worden vastgesteld of en in hoeverre over financiële middelen werd of wordt beschikt en op welke wijze eventuele intering heeft plaatsgevonden, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Namens eiser is tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij bezwaarschrift d.d. 7 april 1997. (...) Bij besluit d.d. 7 juli 1997 heeft verweerder besloten het primaire besluit te herzien en eiser met ingang van 14 januari 1997, zijnde de datum van aanvraag, bijstand toe te kennen naar de norm voor een gezin. Voorts is hierbij besloten op de te verlenen bijstand met ingang van 14 januari 1997 voor de duur van twee maanden een sanctie van 20% wegens schending van de in artikel 65 van de Abw neergelegde informatieplicht toe te passen. In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser, behalve het niet verstrekken van relevante informatie over de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening, tevens heeft nagelaten uit eigen beweging mee te delen dat hij ten tijde van de bijstandsaanvraag beschikte over een auto, waarvan de waarde op dat moment ca. f 40.000,-- bedroeg. Voorts is bij het bestreden besluit overwogen met ingang van 14 maart 1997 op de te verlenen bijstand een sanctie van 20% wegens een betoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten (artikel 14, eerste lid, van de Abw) toe te passen. In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser door het door de verzekeringsmaatschappij aan hem uitgekeerde verzekeringsbedrag ad f 42.000,--, zulks in verband met diefstal van zijn auto, door te storten naar de heer C. ter betaling van een niet-aantoonbare schuld, een keuze heeft gemaakt die niet op de bijstand kan worden afgewenteld. Voor wat betreft de bijstand die verleend wordt wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten is besloten deze tot een bedrag ad f 23.000,-- in de vorm van een geldlening te verstrekken, die wordt terugbetaald middels een maandelijkse inhouding van 10% op de van toepassing zijnde bijstandsnorm (art. 24, sub b, van de Abw). Hierbij is overwogen dat, nu sprake is van een vermogen dat uitgaat boven het zogenaamde vrij te laten bescheiden vermogen, eiser geacht wordt dit vermogen in te teren tot de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen, overeenkomstig de hiertoe in de jurisprudentie ontwikkelde interingsnorm. Uitgaande van een vermogen van f 42.000,-- had eiser nog de beschikking kunnen hebben over f 23.000,-- (vermogen minus f 19.000,-- vrij te laten bescheiden vermogen). Uitgaande van de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm plus een particuliere ziektekostenverzekering (in casu f 1.981,50 maal 1,5 = f 2.972,25 plus f 431,-- = f 3.403,25 per maand) had eiser ca. 6,5 maand van dit vermogen kunnen leven alvorens bijstand verleend had behoeven te worden. Bij besluit d.d. 21 juli 1997 heeft verweerder het besluit d.d. 7 juli 1997 in zoverre herzien, dat de bijstand, die in de vorm van een geldlening wordt verleend wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten alsnog is teruggebracht naar een bedrag ad f 14.046,56,--". Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 21 juli 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en daarmee de in artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw) neergelegde informatieplicht heeft geschonden, en dat appellant niet aannemelijk heeft weten te maken dat de op zijn naam staande Mazda geen bestanddeel van zijn vermogen vormde. Appellant kan naar het oordeel van de rechtbank voorts worden verweten dat hij de verzekeringsuitkering aan zijn medevennoot heeft doorbetaald, waardoor hij zich eerder dan nodig was in een bijstandbehoeftige positie heeft gebracht. Appellant houdt in hoger beroep staande dat aan zijn zijde geen sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten en dat de in artikel 65 van de Abw neergelegde informatieplicht evenmin is geschonden. Daartoe heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat de Mazda was gefinancierd met gelden van zijn medevennoot C. (hierna: C.) en om die reden niet als zijn bezit kon worden aangemerkt en niet is vermeld op het inlichtingenformulier. Met betrekking tot de op de uitkering van appellant opgelegde maatregelen overweegt de Raad het volgende. De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant, door bij de indiening van zijn aanvraag onvoldoende informatie te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie en niet uit eigen beweging opgave te doen van het feit dat hij een Mazda op zijn naam had staan, de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Mazda, die op zijn naam verzekerd was en op 14 januari 1997 tot zijn beschikking stond, niet tot zijn vermogen behoorde. Evenmin is aangetoond dat de auto op de door appellant gestelde wijze is gefinancierd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde terecht de bijstand tijdelijk gedeeltelijk heeft geweigerd met toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde de verlaging van de bijstandsuitkering kunnen vaststellen op 20% gedurende twee maanden zonder in strijd te komen met de wet of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waartoe ook het evenredigheidsbeginsel wordt gerekend. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant enkele dagen voor of op 14 maart 1997 een verzekeringsuitkering van f 42.000,--, die hij in verband met door hem aangegeven diefstal van de Mazda op 17 januari 1997 had ontvangen, over laten maken naar zijn medevennoot C. Door deze handelwijze, waarmee appellant ook naar het oordeel van de Raad blijk heeft gegeven van een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, is appellant onnodig op bijstand aangewezen gebleven. De stelling van appellant dat hij als gevolg van de onttrekkingen aan de X. VOF (hierna: de VOF), onder meer ten behoeve van de aankoop van de Mazda, een schuld had aan de VOF c.q. aan zijn medevennoot C., kan bij gebreke van een deugdelijke financiële administratie van de VOF niet door hem worden gestaafd. De Raad gaat er dan ook van uit dat het bedrag van f 42.000,-- aan appellant toekwam en dat hij niet gehouden was dit bedrag over te maken aan C. De Raad ziet evenmin gronden om de in dit geval toegepaste verlaging van 20% gedurende twee maanden onrechtmatig te achten. Met betrekking tot de vorm van de aan appellant verstrekte bijstand overweegt de Raad het volgende. Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw kan bijstand eveneens worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft de overmaking van de door appellant ontvangen verzekeringsuitkering, hetgeen door gedaagde terecht als een tekortschietend besef in de zin van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw is aangemerkt, kort voor of op 14 maart 1997 plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad kan hierin geen grond worden gevonden om reeds vanaf 14 januari 1997 de bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening; dit kan eerst vanaf de datum waarop de afschrijving ten gunste van C. heeft plaatsgevonden. De Raad stelt voorts vast dat gedaagde bij de berekening van de periode waarover de bijstand met toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw in de vorm van een geldlening wordt verleend slechts de verzekeringsuitkering van f 42.000,-- in aanmerking heeft genomen onder aftrek van het vrij te laten vermogen van f 19.000,--. Gedaagde heeft daarbij echter verzuimd om rekening te houden met het feit dat appellant ten tijde van de afschrijving van dat bedrag belastingschulden had. Appellant heeft daarvan melding gemaakt op het inlichtingenformulier bij zijn bijstandsaanvraag; zijn gemachtigde heeft in hoger beroep daarvan bewijsstukken overgelegd. De omstandigheid dat appellant een verzoek tot nihilstelling van deze belastingschulden had ingediend, doet geen afbreuk aan het bestaan van die belastingschulden op het tijdstip van afschrijving van het bedrag van f 42.000,--. De Raad tekent hierbij aan dat hij evenals gedaagde niet aannemelijk acht dat appellant op dat tijdstip nog andere schulden had. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voorzover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Abw) voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal met betrekking tot de vorm van de verstrekte bijstand opnieuw op het bezwaarschrift moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hierin ligt besloten dat ook de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep en op f 1.420,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw ten aanzien van appellant; Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van deze uitspraak; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 2.840,--, te betalen door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad; Gelast de gemeente Deventer aan appellant het gestorte recht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden. Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg. JdB 0512