Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZB7242

Datum uitspraak1997-10-30
Datum gepubliceerd2002-07-01
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers96/7635 MAW
Statusgepubliceerd


Uitspraak

96/7635 MAW O U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 25 juli 1996 onder nr. AWB 95/7241 MAWKMA gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 7 augustus 1997, waar appellant is verschenen bij mr B. Damen, advocaat te Nijkerk, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr R.R.H. Laurens, werkzaam bij het ministerie van Defensie. II. MOTIVERING Appellant, sergeant der Koninklijke Marine (KM), is tijdens zijn plaatsing aan boord van Hr.Ms. X. op 9 december 1994 door zijn commandant tuchtrechtelijk gestraft met een geldboete, zulks op grond dat appellant op 3 december 1994 (een werkdag) omstreeks 8.30 uur "in kennelijke staat van dronkenschap al bierdrinkend" is aangetroffen in het onderofficiersverblijf van genoemd schip. Naast deze strafoplegging (in beroep bevestigd door de militaire kamer van de rechtbank te Arnhem bij uitspraak van 14 februari 1995), heeft de commandant appellant voor de periode van 9 tot en met 15 december een drankverbod opgelegd. Dit verbod, tevens inhoudende het verbod om appellant alcoholhoudende drank te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen, is bekend gemaakt door ophanging van een daartoe strekkende "bekendmaking commandant nr.61/94" bij de bar onderofficieren. Tegen dit alcoholverbod is namens appellant administratief beroep ingesteld bij gedaagde. Bij besluit van 14 juli 1995 is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het door appellant aangevochten besluit een dienstbevel is en niet een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroepschrift is aangemerkt als een beklag inzake een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel en ingevolge het Besluit klachtrecht militairen van 25 juni 1991 doorgezonden aan de commandant der zeemacht, die het beklag bij beslissing van 11 september 1995 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 14 juli 1995 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Door en namens appellant is - kort weergegeven - in (hoger) beroep betoogd dat het besluit van 14 juli 1995 geen schriftelijk dienstbevel is maar, gelet ook op de publicatie bij eerdergenoemde bekendmaking, een administratieve maatregel die uitsluitend door de commandant kan worden opgelegd in de hoedanigheid van bestuursorgaan in de zin van de Awb. De aan appellant verweten gedragingen worden niet ontkend, maar het opgelegde alcoholverbod wordt in strijd geacht met name met het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet neergelegde grondrecht dat een ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. De Raad dient thans de vraag te beantwoorden of gedaagde bij het bestreden besluit ten onrechte appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 9 december 1994 van de commandant van Hr.Ms. X. en overweegt terzake het volgende. In artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is besluit gedefinieerd als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling, gericht op rechtsgevolg. Ingevolge artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan: "een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld". De Raad is van oordeel dat de commandant van een marine-vaartuig bij de uitoefening van die commandantsfunctie moet worden aangemerkt als een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Inherent aan het uitoefenen van die functie is de aan de commandant in diverse regelingen gegeven bevoegdheid tot het nemen van beslissingen ten aanzien van het op het marinevaartuig werkzame marinepersoneel. Deze beslissingen zijn hetzij aan te merken als beslissingen met een zuiver intern karakter dan wel als beslissingen gericht op extern rechtsgevolg. Bij de eerste categorie kan worden gedacht aan bepaalde interne, min of meer algemene, ordemaatregelen, terwijl de tweede categorie ziet op beslissingen, gericht op extern rechtsgevolg, welke strekken tot ingrijpen in de rechtspositie van de individuele ambtenaar en waarbij, in tegenstelling tot de eerste categorie, sprake is van een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Van zodanig ingrijpen in de rechtspositie zal zeker sprake zijn indien een besluit van het bestuursorgaan ten aanzien van een ambtenaar (mede) als gevolg heeft dat die ambtenaar wordt beperkt in de uitoefening van zijn grondrechten. In het onderhavige geval heeft de commandant toepassing gegeven aan het voorschrift betreffende de scheepsorganisatie 1 VVKM 1, punt 5493, inhoudende dat de commandant bij gebleken misbruik van alcoholhoudende dranken aan de betrokkene(n) een (tijdelijk) verbod tot het gebruik van alcoholhoudende dranken bij de eenheid kan opleggen. Aan appellant is een algeheel (zowel in als buiten werktijd geldend) drankverbod opgelegd voor de periode van 9 tot en met 15 december 1994, waarbij tevens aan derden is verboden om appellant alcoholhoudende drank te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen. De Raad is van oordeel dat dit, bij eerdergenoemde bekendmaking bekend gestelde, verbod gelet op de aan appellant opgelegde algehele beperking van alcoholgebruik gedurende een bepaalde periode moet worden aangemerkt als een op extern rechtsgevolg gerichte, derhalve publiekrechtelijke, rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu sprake is van direct ingrijpen in de rechtspositie van appellant. Het vorenstaande houdt in dat gedaagde bij het bestreden besluit van 14 juli 1995 ten onrechte het door appellant ingediende bezwaar tegen het besluit van de commandant van Hr.Ms. X. van 9 december 1994 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven en dat gedaagde een nieuw besluit zal dienen te nemen op het door appellant ingediende administratief beroep. Gelet op het vorenoverwogene ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordeling tot betaling van de proceskosten van appellant te bedrage van f 1.420,-- in eerste aanleg en f 1.420,-- in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Vernietigt het bestreden besluit; Verklaart het primaire beroep alsnog gegrond; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen op het door appellant tegen het besluit van 9 december 1994 ingestelde administratief beroep; Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ad f 200,- en f 300, in totaal f 500,- vergoedt, te betalen door de Staat der Nederlanden; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van f 2.840,--, te betalen door de Staat der Nederlanden. Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 1997. (get.) W. van den Brink. (get.) P.H. Schippers. HD 04.11