
Jurisprudentie
BJ5683
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-08-21
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.013.010.01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-08-21
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.013.010.01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Partneralimentatie: uitleg van artikel 1:160 BW, omvang van de verplichting; duur van de verplichting; einde na 12 jaar, geen verlenging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 14 januari 2009
Zaaknummer : 105.013.010.01
Rekestnummer : R08/00581
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-266
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.R.P. Drielsma,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.P. Vandervoodt.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 9 april 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 januari 2008 van de rechtbank Rotterdam, welke beschikking is verbeterd bij beschikking van 20 februari 2008.
De vrouw heeft op 17 juli 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.
De man heeft op 29 augustus 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 15 april 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Op 26 november 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaten onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is - met wijziging van de beschikking van 18 januari 1995, met ingang van 11 januari 2008 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook te noemen: partneralimentatie) bepaald op € 1.533,20 per maand. Voorts is vastgesteld dat de alimentatieverplichting van de man zal eindigen per 28 juli 2009. Tevens is bepaald dat verlenging na voormelde datum mogelijk is. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP
1. In geschil zijn ten aanzien van de partneralimentatie, de toepasselijkheid van artikel 1: 160 Burgerlijk Wetboek (BW), de beëindiging van rechtswege van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw en de ingangsdatum van de toekenning van een verlengde alimentatieverplichting.
2. De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatietermijn af te wijzen:
• primair op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW: nu de vrouw heeft samengewoond met een ander als waren zij gehuwd, is de alimentatieverplichting van de man van rechtswege geëindigd;
• subsidiair op basis van het bepaalde in artikel 1:157 BW lid 5: beëindiging van de alimentatieverplichting is niet van zodanige ingrijpende aard, dat ongewijzigde handhaving van de wettelijke termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd.
3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans de bestreden beschikking - onder herstel van het incidenteel door de vrouw gevraagde - te bekrachtigen en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tevens verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar verzoek alsnog toe te wijzen, met dusdanige redactie van de beschikking dat daaruit voortvloeit dat de man aansluitend op grond van de 12-jaarstermijn geëindigde alimentatieverplichting, die alimentatieverplichting onverminderd gehandhaafd ziet vanaf 27 maart 2007, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de door het hof te geven beschikking, kosten rechtens.
4. De man bestrijdt haar beroep, en verzoekt het beroep van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en verzoekt voorts de door de vrouw verzochte proceskostenveroordeling af te wijzen en de proceskosten te compenseren.
5. Ter toelichting op zijn hoger beroep heeft de man zeven grieven aangevoerd.
6. In de meest verstrekkende grief (de tweede) stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 1: 160 BW dusdanig restrictief moet worden uitgelegd dat dit artikel in de onderhavige situatie niet van toepassing is aangezien de partner van de vrouw gedurende de periode van samenleving nog was gehuwd.
De man voert daartoe – kort samengevat – aan dat het concubinaat dat heeft bestaan tussen de vrouw en haar toenmalige partner van mei 2003 tot en met mei 2004 alle elementen had van een “volledige tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap welke het kenmerk is van een normaal huwelijk.” De ratio van de beslissing van de Hoge Raad van 13 juli 2001 is dat de keuze om de samenwoning om te zetten in een huwelijk ontbreekt, indien, en voor zolang als, een van de partners (nog) is gehuwd. Deze restrictieve uitleg geldt niet indien de alimentatiegerechtigde samenwoont met een partner die verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure met als daadwerkelijk resultaat de echtscheiding.
7. De vrouw heeft de grief gemotiveerd bestreden.
8. Het hof overweegt als volgt. Een positieve beantwoording van de vraag of artikel 1: 160 BW van toepassing is heeft verstrekkende gevolgen, te weten dat aan de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud definitief en in zijn geheel een einde komt. Gezien deze ratio dient artikel 1: 160 BW restrictief te worden uitgelegd. Het samenleven met een gehuwde man valt niet onder de reikwijdte van dit artikel, zo heeft de Hoge Raad beslist in de uitspraak waarnaar de man heeft verwezen en van welke beslissing de Hoge Raad niet is teruggekomen (HR 11 april 2008, LJN:BC3928).
Reeds om deze reden mist artikel 1: 160 BW toepassing, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld en komt het hof niet toe aan het overige dat de man in het licht van deze grief heeft aangevoerd. De tweede grief faalt. Hetzelfde heeft dientengevolge te gelden voor de derde grief.
9. De eerste, vierde, vijfde en zesde grief van de man, alsmede de grief van de vrouw in het incidenteel appel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
In de eerste grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van de vrouw, gezien haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, gedurende de gehele twaalf jaren niet kon worden gevergd dat zij zich zou inspannen om een inkomen te verwerven. In de vierde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw geen mogelijkheden had om vermogen op te bouwen teneinde na twaalf jaren alimentatie in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. In de vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat hij is uitgegaan van een verkeerde lezing van de echtscheidingsbeschikking. De zesde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat, gelet op de duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw, haar inkomen- en vermogenspositie beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd.
Samengevat voert de man ter toelichting op deze grieven het volgende aan. De vrouw was voor 50% arbeidsgeschikt en van haar kon dus worden gevergd dat zij zich zou inspannen om met voor haar passende werkzaamheden zich een aanvullend inkomen te verwerven. De vrouw had waardevolle kwaliteiten ontwikkeld en werkervaring opgebouwd. Zij is ten tijde van het huwelijk werkzaam geweest in haar eigen vennootschap Moerasmos B.V. en voorts in de in 1995 opgerichte stichting Solo Tours. Dat de vrouw in 2007 volledig arbeidsongeschikt is verklaard biedt onvoldoende grondslag voor een verlenging van de alimentatietermijn. De vrouw had het boven haar behoefte genoten inkomen op een spaarrekening kunnen zetten of in een lijfrentevoorziening kunnen onderbrengen en zij had de overwaarde uit de echtelijke woning kunnen aanwenden om de woonlasten zo laag mogelijk te houden ofwel haar inkomenspositie na twaalf jaar te versterken. Bij verkoop van de aan de vrouw toegedeelde voormalig echtelijke woning resteerde na aflossing van de hypothecaire geldlening een bedrag van € 108.000,-. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom zij voor de aankoop van een nieuw appartement met een aanschafprijs van € 171.529,- een hypothecaire geldlening van € 304.032,- heeft moeten afsluiten. Zou zij de gehele overwaarde in dit appartement hebben geïnvesteerd dan was de hypotheekschuld thans maximaal € 65.000,- geweest.
Tot het moment van toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw werd voor de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening gehouden met een hypothecaire last van ƒ 1.845,59 per maand en een levensverzekering van ƒ 800,- per maand als onderpand, dit terwijl de vrouw eenzijdig met de bank was overeengekomen de betaling van de levensverzekering te beëindigen. De genoemde verplichting van ƒ 800,- had de vrouw in de periode van 1 april 1995 tot 14 maart 2000 derhalve niet. Bovendien heeft de vrouw haar hypothecaire lening overgesloten waardoor de rente over de periode van 26 februari 1998 tot 14 maart 2000 is verlaagd van ƒ 1.845,59 tot ƒ 1.298,- per maand. Dit alles heeft de vrouw voor de man verzwegen. Hierdoor heeft de vrouw meer alimentatie ontvangen dan waarop zij op grond van haar daadwerkelijke behoefte recht had. Een verlengingsverzoek kan slechts bij uitzondering worden toegewezen en van een dergelijke uitzonderingssituatie is geen sprake.
10. De vrouw voert verweer. Zij werd reeds in 1996 voor 65 % arbeidsongeschikt verklaard. Als zij al had kunnen werken dan had zij zich niet een zodanig inkomen kunnen verwerven dat zij gelden had kunnen sparen. Reeds in 1995 is door de rechtbank overwogen dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat het medisch gezien voor haar niet verantwoord was om weer te gaan werken. Zij is in 2007 voor 100% arbeidsongeschikt verklaard en daarmee is de behoefte van de vrouw ook na de twaalf-jaars termijn een gegeven. Het inkomen dat de vrouw tijdens het huwelijk ontving werd volledig door het gezin geconsumeerd De vrouw bestrijdt dat zij vermogen had kunnen opbouwen. Hetgeen de man memoreert omtrent de woonlasten is een achterhaald verhaal omdat het voornamelijk ziet op een periode waarvan de man eerst achteraf heeft gesteld dat hij er teveel alimentatie over betaalde. Die kwestie is al eerder aan de rechtbank voorgelegd en de man is toen niet-ontvankelijk verklaard in zijn wijzigingsverzoek. De vrouw viel voor de pensioenafrekening onder het regime Boon/Van Loon. Van een substantiële overwaarde na de boedelscheiding was geen sprake.
11. In haar incidentele grief stelt de vrouw dat de rechtbank in haar beslissing ten onrechte een formulering heeft gebruikt die ertoe leidt dat tussen de periode van het einde van de twaalf jaarstermijn enerzijds en de datum van de beschikking anderzijds, een periode is ontstaan waarover de man geen alimentatie hoeft te betalen. Het is voorts de bedoeling van de vrouw dat de alimentatie voor onbepaalde tijd blijft doorlopen. De man heeft deze grief gemotiveerd bestreden.
12. Het hof stelt het volgende voorop.
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft als uitgangspunt voor de wet te gelden dat de alimentatieplicht na twaalf jaar in beginsel definitief eindigt. De rechtsgrondslag van alimentatie is de nawerking van de wederzijdse verantwoordelijkheid van de echtgenoten binnen het huwelijk die noodzaakt tot een billijke vereffening van de economische nadelen als gevolg van dat huwelijk. Dit uitgangspunt fungeert als rechtvaardigingsgrond voor een in duur beperkte onderhoudsplicht. Aan de hand van de concrete omstandigheden van partijen worden de mate waarin en de periode waarvoor de nadelen aan de kant van de ene echtgenoot redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de andere echtgenoot bepaald. Enerzijds dient de alimentatiegerechtigde die een verzoek tot verlenging indient aannemelijk te maken dat zij gelet op haar situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van alimentatie verstoken kan blijven. Anderzijds kunnen omstandigheden van de alimentatieplichtige en de situatie van beide partijen en hun onderlinge verhoudingen ten tijde van het huwelijk mede bepalend zijn voor de situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zich alsdan bevindt. De alimentatietoekenning geeft het recht om op een geleidelijke wijze een levensstijl te ontwikkelen die is aangepast aan het eigen inkomen. De gronden voor toekenning van alimentatie zijn na verloop van kortere of langere tijd uitgewerkt en rechtvaardigen niet een blijvende alimentatie. Voor een verlenging van de alimentatieplicht gelden zware criteria.
13. Partijen zijn op 30 maart 1966 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. In juni 1992 zijn partijen uit elkaar gegaan. Beide kinderen waren toen meerderjarig. Op 27 maart 1995 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking is een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw toegekend van ƒ 5.667,- per maand zolang de echtelijke woning niet aan een derde in eigendom is overgedragen dan wel aan de vrouw is toe gescheiden en van ƒ 4.000,- per maand, zodra dit wel is gebeurd. Daaraan voorafgaand heeft de vrouw in gevolge voorlopige voorzieningen een bijdrage in haar levensonderhoud van de man ontvangen gedurende een periode van twee jaar en negen maanden.
De vrouw is geboren op 28 juli 1944. De vrouw heeft gedurende het huwelijk voortdurend gewerkt. Ten tijde van het uiteengaan van partijen had zij een eigen onderneming, een besloten vennootschap, waarmee zij opdrachten voor projectontwikkelaars uitvoerde. Zij verdiende daarmee een inkomen van tussen de ƒ 70.000,- en ƒ 80.000,- bruto per jaar . De vrouw heeft vanuit deze onderneming geen pensioen opgebouwd. De onderneming is in 2005 ontbonden. De vrouw heeft in 1994 een ziektewet-uitkering aangevraagd. Zij is aansluitend een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) gaan ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van 1 december 2006 is haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100% en is haar arbeidsongeschiktheidsuitkering dientengevolge verhoogd van € 696,44 netto per maand tot € 1.135,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Vanaf een datum in 2000 en tot een datum in 2006 is de vrouw voorts werkzaam geweest als “lady-speaker” op modeshows gedurende ongeveer zestig dagen per jaar.
In het kader van de pensioenverrekening met de man ontvangt de vrouw € 200,- bruto per maand.
14. De alimentatieverplichting van de man bedroeg tot 27 maart 2007, geïndexeerd, € 2.368,20 per maand. Het inkomen dat de vrouw per 27 maart 2007 - de datum waarop ingevolge de wet de alimentatieverplichting van de man eindigt - ontvangt, bestaat, naar de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard, uit een WAO-uitkering van € 1.135,- netto per maand en daarnaast € 140,- netto per maand aan pensioen. Wanneer de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt zal de vrouw, in plaats van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een AOW-uitkering gaan ontvangen. Het wegvallen van de door de man betaalde uitkering tot levensonderhoud betekent dan ook een ingrijpende inkomensterugval nu deze meer dan 50% bedraagt.
15. Het hof zal - in het licht van hetgeen onder 12 is weergegeven - vervolgens moeten beoordelen of de vrouw bijzondere omstandigheden aannemelijk maakt, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, zoals bedoeld in artikel 1: 157 lid 5, eerste volzin, BW.
16. Vast staat dat de vrouw, indien de man geen alimentatie meer verschuldigd is, nog altijd een inkomen geniet, dat boven het bestaansminimum, ofwel de bijstandsnorm voor een alleenstaande, ligt. Immers, op het moment van het verstrijken van de termijn van twaalf jaren heeft zij een WAO/WAZ-uitkering van € 1.134,- netto per maand exclusief vakantietoeslag en een netto pensioen van 140,- per maand. Dat zij daarmee niet meer het bestedingspatroon kan aanhouden zoals zij dat tot dan toe heeft gedaan, acht het hof niet van voldoende belang. Het uitgangspunt van de wet is immers, zoals weergegeven, dat de vrouw zich gedurende de periode van twaalf jaren op geleidelijke wijze een levensstijl heeft kunnen ontwikkelen, die is aangepast aan het eigen inkomen.
17. Voorzover ook de uitgaven van deze (soberder) levensstijl niet geheel uit het eigen inkomen zouden kunnen worden bestreden is van belang in hoeverre de vrouw een vermogen heeft en/of aan vermogensopbouw heeft kunnen doen, dan wel een inkomensvoorziening op termijn heeft gerealiseerd of had kunnen realiseren. Daartoe overweegt het hof als volgt.
18. De man heeft onbetwist gesteld dat de rechtbank bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud van de zijde van de man, is uitgegaan van hypothecaire lasten van ƒ 1.845,59 aan hypotheekrente en ƒ 800,- per maand aan aflossing, dit terwijl op dat moment die aflossingsverplichting door een afspraak van de vrouw met de bank was weggevallen. Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt ook dat de rechtbank met deze lasten voor de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening houdt waar de rechtbank overweegt: “de rechtbank acht zolang de echtelijke woning nog niet aan een derde is overgedragen dan wel aan de vrouw is toegescheiden een bijdrage van ƒ 5.667,- per maand zijdens de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw redelijk en billijk, welke bijdrage, gelet op voormelde gegevens en het terzake overwogene, de draagkracht van de man niet te boven gaat.”
Voorts heeft de man onbetwist gesteld dat de vrouw andermaal de hypothecaire lasten heeft verlaagd door een renteverlaging van ƒ 1.845,59 naar ƒ 1.298,- per maand te realiseren in de periode van 26 februari 1998 tot 14 maart 2000. Nu daarmee de vrouw een hogere uitkering tot levensonderhoud is toegekend dan overeenkwam met haar behoefte zoals de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, had de vrouw uit dit meerdere kunnen sparen of een inkomensvoorziening op termijn kunnen realiseren en had zij dit ook naar het oordeel van het hof behoren te doen. De omstandigheid dat de man in zijn vordering tot terugbetaling van gesteld onverschuldigd betaalde alimentatie niet-ontvankelijk is verklaard, doet daaraan niet af.
19. Voor wat betreft de stellingen van de man aangaande het vermogen dat de vrouw uit de verkoop van de echtelijke woning heeft gerealiseerd, overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat de vrouw, toen zij de voormalig echtelijke woning nog bewoonde, na de echtscheiding en de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap met de man nog een hypotheekschuld had van € 181.818,- tegen een rentevoet van 4,4%. Na verkoop van deze woning in 2002 resteerde, na aftrek van deze lening en een bedrag aan gemaakte verkoopkosten, een bedrag vanwege overwaarde van € 108.000,-. Dat de vrouw deze overwaarde niet heeft geïncasseerd is toe te rekenen aan een nieuwe hypothecaire lening die zij voor de aankoop van een appartement had gesloten ten bedrage van € 304.032,-. Uit de overwaarde van de echtelijke woning is eerst een bedrag van € 90.756,- afgelost aan overbruggingskrediet, waarna nog een hypotheek resteerde van € 213.276,-. De vrouw heeft geen duidelijkheid verschaft over de vraag waarom zij - tegen de achtergrond van hetgeen onder 12 is weergegeven - is overgegaan tot een zo aanzienlijke verhoging van haar woonlasten, mede afgezet tegen het aankoopbedrag van de nieuwe woning van € 171.529,-; niet alleen het bedrag maar ook de rentevoet voor de nieuwe lening was aanzienlijk hoger dan de daaraan voorafgaande. Het hof kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat de vrouw onvoldoende heeft bespaard op haar uitgaven, waardoor zij haar mogelijkheid tot een op termijn gegenereerd vermogen dan wel een op termijn gegenereerde inkomensvoorziening fors heeft beperkt en kennelijk heeft nagelaten. De keuze van de vrouw om in [woonplaats] een woning te kopen, kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet op de man worden afgewenteld, althans is geen omstandigheid als bedoeld onder 15.
20. Voorts is het hof gebleken dat de vrouw blijkens de aangifte Inkomstenbelasting 2005 op 31 december 2005 nog altijd de beschikking had over een vermogen van € 54.005,-. Over de daaropvolgende jaren heeft de vrouw geen inzicht verschaft. Dat tegenover dat vermogen nog schulden stonden acht het hof niet relevant nu de vrouw ook daarover geen opheldering heeft verschaft, zodat over de noodzaak daarvan niet kan worden geoordeeld. Voorzover dit vermogen zou zijn verminderd door tegenvallende beleggingen, zoals de vrouw ter terechtzitting heeft aangevoerd, is dit een omstandigheid die niet voor rekening en risico van de man behoort te komen. Omtrent de door de vrouw gestelde en door de man betwiste hoge advocaatkosten, die haar vermogen zouden hebben verminderd, heeft de vrouw niets aangetoond.
21. De wetgever is ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud en dat dit in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de vrouw er niet alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken in de mate waaraan de vrouw stelt die nodig te hebben. En overigens heeft de vrouw geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.
22. Gelet op het voorgaande komt het hof aan de beoordeling van de draagkracht van de man niet toe en heeft de man om die reden bij de bespreking van de zevende grief geen belang. Voorts behoeft de grief van de vrouw in het incidenteel appel gelet hierop evenmin bespreking. Dit betekent dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het inleidende verzoek van de vrouw alsnog zal worden afgewezen.
BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Mink en Van Wijk, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2009.