
Jurisprudentie
BJ1366
Datum uitspraak2008-12-01
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers195827 KG ZA 08-580
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers195827 KG ZA 08-580
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
-
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK BREDA
Sector civiel recht
Team handelsrecht
zaaknummer / rolnummer: 195827 / KG ZA 08-580
Vonnis in kort geding van 1 december 2008
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Oirschot,
eiseres,
advocaat mr. C.F.M.L. van Beukering- Michielsen,
tegen
[gedaagde],
zowel in privé als in zijn hoedanigheid van directeur c.q. bestuurder van Transportbedrijf H.G.W. Welte BV,
wonende te Oisterwijk,
gedaagde,
advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 november 2008,
- de bij brief van 12 november 2008 door de vrouw in het geding gebrachte producties, genummerd 1 tot en met 17,
- de bij brief van 17 november 2008 door de man in het geding gebrachte producties, genummerd 1 tot en met 14,
- de bij brief van 18 november 2008 door de man in het geding gebrachte productie, genummerd 15,
- de mondelinge behandeling op 20 november 2008,
- de pleitnota van de vrouw,
- de pleitnota van de man.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1. De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
1. de beschikkingen van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 27 april 2001 en van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 12 juni 2007
2. evenals de vonnissen van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch sector Kanton d.d. 31 mei 2007 en 16 augustus 2007
uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren en daarbij te bepalen dat de ingijzelingstelling zal mogen plaatshebben een dag na de betekening van dit vonnis en zolang:
a. de man de aan de vrouw verschuldigde alimentatie die hij uit hoofde van de beschikking van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch d.d. 27 april 2001 met inachtneming van de inhoud van de beschikking van het Gerechtshof te ’s- Hertogenbosch d.d. 31 mei 2007 niet of niet volledig aan haar heeft voldaan
b. de man in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Transportbedrijf H.G.W. Welte BV aan die BV nalaat opdracht te geven aan die BV en er op toe te zien dat aan die opdracht uitvoering is gegeven de aan de vrouw uit hoofde van de vonnissen van de kantonrechter d.d. 31 mei 2007 en 16 augustus 2007 verschuldigde bedragen te voldoen
de man te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure alsmede de kosten verbonden aan de ingijzelingstelling binnen veertien dagen vanaf de dagtekening van dit vonnis en – voor het geval voldoening niet binnen bedoelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van eur 131,-- danwel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, op eur 199,--.
2.2.De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
3.1.Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van 27 april 2001 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch is het huwelijk tussen partijen ontbonden. De echtscheidingsbeschikking is op 9 juli 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- In voornoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw, vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers, ten behoeve van haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van fl. 9.583,33 ( eur 4.348,73) per maand.
- Op het inleidend verzoek van de man om de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw op nihil te stellen, is bij beschikking van 15 februari 2006 van de rechtbank Breda de door de man te betalen onderhoudsbijdrage aan
de vrouw met ingang van 9 juli 2001 nader vastgesteld op eur 2.989,-- per maand en voorts met ingang van 1 oktober 2004 op nihil.
- Zowel de man als de vrouw hebben hoger beroep aangetekend tegen de beschikking van 15 februari 2006. Bij beschikking van 12 juni 2007 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie van de man alsnog afgewezen en de beschikking van 27 april 2001 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch bekrachtigd, met uitzondering van de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man per 1 oktober 2004.
- De man heeft vervolgens cassatie ingesteld tegen de beschikking van 12 juni 2007 van het gerechtshof. Het cassatieberoep van de man werd bij beschikking van de Hoge Raad van 5 september 2008 verworpen.
- De vrouw heeft de beschikking van 27 april 2001 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch aan de man betekend en hem aangezegd de alimentatie te betalen.
- De man heeft niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting jegens de vrouw voldaan.
- Eind 2004/begin 2005 heeft de vrouw executoriaal beslag laten leggen op de bij haar bekende bankrekeningen op naam van de man en op al hetgeen de man uit hoofde van zijn rechtsverhouding met H.G.W. Welte Holding BV en alle daarmee gelieerde vennootschappen te vorderen heeft. Ook heeft de vrouw beslag laten leggen op de huurpenningen die de huurders van het tot de (ontbonden) gemeenschap van goederen toebehorende onroerende goed gelegen aan de Beerseweg 11a te Oirschot betalen.
- De man heeft na de beslaglegging door de vrouw aan de rechtbank in kort geding opheffing gevraagd van die beslagen. Bij vonnis van 7 juni 2005 is die vordering afgewezen.
- De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het kort geding vonnis van 7 juni 2005. Bij arrest van het gerechtshof van 18 juli 2006 is het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
-De man is directeur grootaandeelhouder van H.G.W. Welte Holdingmaatschappij BV (verder te noemen: de Holding). Die BV houdt op haar beurt alle aandelen van Transportbedrijf H.G.W. Welte BV(verder te noemen: Transportbedrijf), van H.G.W. Welte Pensioen BV (verder te noemen: Pensioen BV) en van Wetrako BV, van welke vennootschappen de man bestuurder is.
- De man ontvang zijn salaris van Transportbedrijf.
- Transportbedrijf heeft geweigerd te voldoen aan haar wettelijke plicht de alimentatie op het loon in te houden en af te dragen.
- De vrouw heeft vervolgens Transportbedrijf gedagvaard en gevorderd Transportbedrijf te veroordelen tot betaling van de door de man verschuldigde alimentatie. Transportbedrijf heeft een reconventionele vordering ingesteld tegen de vrouw ten belope van de helft van de tot de gemeenschap van goederen behorende schuld in rekening-courant aan de Holding. Ter bewaring van die vordering heeft Transportbedrijf op 21 november 2005 conservatoir beslag gelegd op al hetgeen de deurwaarder uit hoofde van het door de vrouw gelegde executoriale alimentatiebeslag inmiddels onder zich had of mocht verkrijgen. Voorts heeft Transportbedrijf op 2 mei 2006 conservatoir beslag gelegd onder de man op al hetgeen de man aan de vrouw verschuldigd is of zal worden.
-Bij vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 31 mei 2007 is de vordering van de vrouw toegewezen, Transportbedrijf is veroordeeld tot betaling van een bedrag ad eur 95.840,39. De vordering van Transportbedrijf is afgewezen. Bij vonnis van 16 augustus 2007 heeft de kantonrechter het vonnis van 31 mei 2007 alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- De man heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen van de kantonrechter. Die procedure loopt nog.
- De vrouw heeft beide vonnissen op 10 september 2007 aan Transportbedrijf doen betekenen en bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag ad eur 95.840,39 vermeerderd met kosten aan de deurwaarder te voldoen.
- Op 19 september 2007 heeft de vrouw ten laste van Transportbedrijf executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de ABN AMRO. Uit de door ABN AMRO uitgebrachte verklaring blijkt dat de vorderingen die de bank heeft op Transportbedrijf de vorderingen van Transportbedrijf op de bank overtreffen. ABN AMRO meldt dat er voor de vrouw derhalve geen belang bestaat bij handhaving van het beslag.
- De belastingdienst heeft ten laste van de vrouw beslag gelegd onder de man. Bij brief van 7 november 2008 heeft de belastingdienst aan de man bericht dat het totale bedrag waar het beslag voor is gelegd tot en met 14 november 2008 eur 44.372,99 bedraagt.
- Op 14 november 2008 heeft de man een bedrag ad eur 44.372,99 aan de belastingdienst betaald.Voorts heeft de man een bedrag ad eur 20.000,-- betaald op de derdenrekening van de advocaat van de vrouw.
- Bij deze rechtbank loopt een procedure waarin de vrouw verzoekt de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen.
3.2.De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man zijn alimentatie-verplichtingen die hij uit hoofde van de beschikkingen van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 april 2001 en van het gerechtshof van 12 juni 2007 aan de vrouw dient te voldoen, niet nakomt. Zij stelt dat de achterstand in de alimentatiebetalingen thans eur 133.202,69 bedraagt.
De vrouw heeft tevergeefs getracht de alimentatiebedragen te incasseren middels diverse executoriale beslagen, waaronder executoriaal beslag onder Transportbedrijf op het loon van de man. Omdat Transportbedrijf niet voldeed aan haar wettelijke plicht hetgeen zij schuldig is aan de man in te houden en aan de beslaglegger af te dragen en evenmin wenste te verklaren wat zij aan de man schuldig was, heeft de vrouw vervolgens Transportbedrijf gedagvaard en gevorderd die BV te veroordelen tot betaling van de door de man verschuldigde alimentatie. Deze vordering is toegewezen en de vrouw heeft, wederom tevergeefs, executoriaal beslag doen leggen. Zij heeft thans geen enkel inkomen, noch uit alimenatie noch uit pensioen. De huwelijksgoederengemeenschap van partijen is nog niet verdeeld. De vrouw wordt echter wel door de fiscus aangeslagen om belasting te betalen over vermogen, waarover zij niet kan beschikken, omdat de man het beheer heeft over de bestanddelen van de huwelijksgoedere-gemeenschap. Daardoor raakt zij in financiële problemen. De vrouw stelt dat het enig werkende middel om de man tot betaling van de vastgestelde bijdrage te bewegen, op dit moment de toepassing van lijfsdwang is.
3.3. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. In deze procedure staat vast dat de man niet vrijwillig heeft voldaan aan zijn (volledige) onderhoudsplicht jegens de vrouw zoals de rechtbank ’s-Hertogenbosch die bij haar beschikking van 27 april 2001 heeft opgelegd. Ook Transportbedrijf voldoet niet aan het vonnis waarbij zij is veroordeeld tot betaling van de achterstallige alimentatie aan de vrouw, hoewel ook dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
De vrouw begroot de achterstand in de alimentatie op eur 133.202,69. De man stelt zich op het standpunt dat de achterstand maximaal eur 70.185,-- kan bedragen, nu de vrouw bij haar berekening geen rekening heeft gehouden met een bedrag van eur 18.644,70 dat de Rabobank Oirschot-De Beerzen heeft voldaan en een bedrag van eur 44.372,99 dat hij aan de Belastingdienst heeft betaald.
3.5.Het verweer van de man dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, treft geen doel. Het belang van de vrouw bij betaling van de achterstallige alimentatie is evident aanwezig, nu de alimentatie bestemd is voor het levensonderhoud. De vrouw heeft al sinds 2001 recht op een bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud. De vrouw heeft geen andere inkomsten. Zij beschikte in het verleden weliswaar over een vermogen, maar heeft op dat vermogen moeten interen om haar levensonderhoud en de vele procedures die tussen partijen zijn gevoerd te kunnen bekostigen. Daarnaast krijgt zij, omdat de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen nog niet is verdeeld en daartoe een vermogen behoort, jaarlijks hoge belastingaanslagen over haar deel van het vermogen waarover zij echter niet de beschikking heeft en ook geen vruchten van plukt. De voorzieningenrechter acht deze omstandigheden voldoende om een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen aan te nemen.
3.6.Ten aanzien van de gevorderde lijfsdwang overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Lijfsdwang is een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid ontnomen wordt. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt, tenzij de schuldenaar aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan de beschikkingen te voldoen.
3.7.De man betwist voorts dat lijfsdwang nog het enige executiemiddel is dat de vrouw ten dienste staat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Transportbedrijf ter verzekering van haar vordering op de vrouw beslag heeft doen leggen onder de man. Dit beslag belemmert de man in de betaling van de achterstallige alimentatie. De vrouw meent kennelijk, aldus de man, dat het door Transportbedrijf gelegde beslag ten onrechte is gelegd, maar als dat zo is, dan dient zij in kort geding opheffing van het beslag te vorderen in plaats van toepassing van lijfsdwang.
De voorzieningenrechter overweegt dat niet aannemelijk is dat de man aan de vrouw zal gaan betalen, indien het onder hem gelegde beslag wordt opgeheven. De man heeft immers ter zitting, desgevraagd, in duidelijke bewoordingen verklaard dat hij niet over wenst te gaan tot betaling van de achterstallige alimentatie, omdat hij de verschuldigde achterstallige alimentatie wil verrekenen met een vordering die hij op de vrouw heeft terzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Het verweer van de man slaagt niet. Rekening houdend met het gegeven dat de vrouw sedert december 2004 tot heden alle haar ter beschikking staande middelen heeft ingezet om tot inning van de achterstallige alimentatie-gelden te komen en dat alle pogingen nagenoeg zonder resultaat zijn gebleven, moet er thans voorshands vanuit gegaan worden dat er geen vermogensbestanddelen van de man of diens bedrijven traceerbaar zijn, waarop de vrouw haar vordering op de man kan verhalen. Nu gebleken is dat de man niet vrijwillig aan zijn alimentatieverplichtingen zal voldoen, vormt gijzeling nog het enige executiemiddel dat de vrouw ten dienste staat.
3.8.De man heeft voorts gesteld dat het belang van de vrouw bij toepassing van de gevorderde lijfsdwang niet opweegt tegen zijn belang. Hij heeft daartoe aangevoerd dat onderwerp van de verdelingsprocedure die thans aanhangig is voor deze rechtbank een geconsolideerde vordering van eur 516.624,-- van de Holding op partijen is. Deze geconsolideerde vordering van de Holding bestaat voor een deel uit een lening die Pensioen BV heeft gesloten met partijen. De man lost op grond van een vaststellingsovereenkomst af op deze schuld aan Pensioen BV. Op dit moment heeft de man reeds eur 240.000,-- op deze lening afgelost. De man stelt dat hij uit hoofde van deze aflossing een vordering op de vrouw heeft die de vordering terzake alimentatie overtreft. Indien in de verdelingsprocedure de schulden aan de man worden toebedeeld, waaronder de geconsolideerde schuld aan de Holding, zou er sprake kunnen zijn van onderbedeling aan de zijde van de man. Of de aan hem toe te bedelen activa deze onderbedeling kunnen compenseren is volstrekt onduidelijk, omdat dit afhangt van de taxatie van verschillende activa, waaronder de aandelen in de Holding, aldus de man. De waarde van deze aandelen worden door de man becijferd op nihil. Indien hij nu zou overgaan tot betaling van de volledige achterstallige alimentatie, dan loopt hij het risico dat, indien uiteindelijk blijkt dat hij nog een vordering uit hoofde van overbedeling op de vrouw heeft en de vrouw weigert om hem ter zake te betalen en/of onvoldoende verhaal biedt, hij achter het net vist. Daarbij komt nog dat de bedrijfsvoering van Transportbedrijf afhankelijk is van zijn aanwezigheid op het bedrijf. In geval van toepassing van lijfsdwang zal de continuïteit van het bedrijf ernstig in gevaar komen.
De tegenvordering van de man wordt gemotiveerd betwist door de vrouw. Zij stelt dat de man niet één onderdeel, te weten de passiva, uit de verdeling kan lichten en op die grond een tegenvordering kan formuleren. Tegenover genoemde passiva staan ook een groot aantal waardevolle activa, die voor een deel nog gewaardeerd moeten worden. Activa en passiva dienen in onderlinge samenhang bezien te worden, aldus de vrouw.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de waardering van de bestanddelen daarvan onderwerp van geschil zijn in een bij deze rechtbank aanhangige verdelingsprocedure. Om de gegrondheid van de tegenvordering vast te stellen is nadere bewijslevering noodzakelijk, waarvoor in het kader van een kort geding geen plaats is. De tegenvordering van de man is derhalve niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Daarom zal de voorzieningenrechter op de voet van artikel 6:136 BW het beroep op verrekening passeren. Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat de activa en passsiva die tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren in onderling verband bezien dienen te worden. Het door de man in het geding gebrachte advies voor de waardebepaling van de aandelen van de Holding maakt dit niet anders, nu dit rapport slechts een advies bevat en de vrouw de inhoud van dit rapport heeft betwist.
De stelling van de man dat door gijzeling van zijn persoon de continuïteit van het Transportbedrijf ernstig in gevaar komt acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk, nu twee zonen van partijen werkzaam zijn in het bedrijf met de bedoeling het bedrijf in de toekomst over te nemen. De omstandigheid dat de man niet kan werken is inherent aan de lijfsdwang.
De onderhoudsverplichting jegens de vrouw is een zwaarwegende verplichting die op de man rust en de vrouw heeft een groot belang bij de tenuitvoerlegging, nu zij als gevolg van het niet nakomen van het rechterlijk vonnis door de man in ernstige financiële problemen is geraakt. De vordering die de man pretendeert te hebben op de vrouw staat daarentegen in het geheel nog niet vast. Op grond van het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat het belang van de vrouw dient te prevaleren boven het belang van de man.
3.9. De man stelt tenslotte dat hij niet over voldoende liquide middelen beschikt om de volledige alimentatieachterstand ineens te voldoen. Zijn inkomen blijft in de onderneming en de aandelen van zijn vennootschappen hebben geen waarde, aldus de man. Hij zal het bedrag moeten financieren, maar gelet op de huidige kredietcrisis en de negatieve gevolgen daarvan voor Transportbedrijf, alsmede de te verwachten geldstroom-ontwikkelingen van Transportbedrijf, is nog maar de vraag of hij een financier zal kunnen vinden, aldus de man.
De voorzieningenrechter overweegt dat de man zijn betalingsonmacht met geen enkel stuk heeft onderbouwd, behalve met het hiervoor genoemde rapport. Dit rapport bevat echter slechts een advies voor de waardebepaling van de aandelen. Uit genoemde productie valt echter niet af te leiden dat de man in betalingsonmacht verkeert. Voor het overige heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van totale onmacht om aan de opgelegde alimentatieverplichting te kunnen voldoen. In het licht van de onder 3.8 genoemde omstandigheden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de man de door de rechtbank opgelegde bijdrage ter zake van levensonderhoud wel kàn doch niet wìl betalen. Dit klemt te meer nu de man op 14 november jl. nog een bedrag van € 64.372,99 heeft voldaan.
3.10. Gelet op het hiervoor overwogene bestaat naar het oordeel van de voorzieningen-rechter in het onverhavige geval voldoende aanleiding om aan de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde uitspraken het dwangmiddel van lijfsdwang te verbinden.
3.11. Ten aanzien van de vonnissen van de kantonrechter heeft de man aangevoerd dat niet hij, maar Transportbedrijf is veroordeeld tot betaling van eur 95.840,39. Lijfsdwang kan uitsluitend worden toegepast op natuurlijke personen pro se en niet op natuurlijke personen als orgaan van een rechtspersoon, aldus de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man, in zijn hoedanigheid van directeur van Transportbedrijf, de enige is die opdracht kan geven aan de vonnissen van de kantonrechter te voldoen en dat lijfsdwang daarom kan worden toegepast.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient lijfsdwang uitsluitend te worden toegepast op natuurlijke personen die een vonnis waarbij zij zelf zijn veroordeeld, niet nakomen, en niet op natuurlijke personen als orgaan van een rechtspersoon. De gevorderde lijfsdwang ten aanzien van de vonnissen van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch sector Kanton van 31 mei 2007 en 16 augustus 2007 zal daarom worden afgewezen.
3.12.In overeenstemming met de wettelijke bepalingen omtrent lijfdwang in zaken betreffende levensonderhoud zal de vrouw daarom als hierna vermeld verlof worden verleend tot tenuitverlegging van de beschikkingen van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2001 en van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 12 juni 2007 door middel van lijfsdwang, met bepaling van het bedrag door betaling waarvan de man tenuitvoerlegging van de lijfsdwang kan voorkomen. Het bedrag dat de man dient te betalen stelt de voorzieningenrechter vast op eur 88.829,70, te weten de achterstand van eur 133.202,69 minus het door de man op 14 november 2008 aan de belastingdienst betaalde bedrag ad eur 44.372,99. Dat de vrouw ook gelden van de Rabobank Oirschot-De Beerzen heeft ontvangen, zoals de man ter zitting heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden.
3.13.De gevorderde veroordeling in nakosten moet worden afgewezen, nu in artikel 237 lid 4 Rv voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure is voorgeschreven.
3.14.De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om, hoewel partijen voormalige echtgenoten zijn, te bepalen dat de man als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure zal dienen te dragen. Dat zelfde geldt voor de kosten die verbonden zullen zijn aan de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang. De vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt afgewezen, nu deze kosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst. De rechtbank zal de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:
- dagvaarding eur 85,44
- vast recht 254,00
- overige kosten 0,00
- salaris procureur 816,00
Totaal eur 1.155,44
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.verleent de vrouw verlof om de beschikkingen van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2001 en van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 12 juni 2007 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te doen stellen totdat de vordering uit hoofde van niet betaalde alimentatiebetalingen groot eur 88.829,70 zal zijn voldaan, met dien verstande dat die gijzeling zal mogen plaatshebben een dag na betekening van dit vonnis en ten hoogste negentig dagen zal duren,
4.2.veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op eur 1.155,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.3. veroordeelt de man tot betaling van de kosten die verband zullen houden met de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang,
4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Theuws op 1 december 2008.?