Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1342

Datum uitspraak2009-06-30
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers08/608
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bouwplan voorziet niet in uitbreiding van hoofdgebouw, maar in aangebouwd bijgebouw, gelet op de definitie van bijgebouw in de planvoorschriften. Strook van 3 meter diep achter achtergevel wordt overschreden.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Enkelvoudige kamer Reg.nr.: 08/608 Uitspraak in het geding tussen: [eiser] te Zelhem, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst verweerder, [derde partij] derde-partij. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft verweerder aan de derde-partij bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [adres] te Zelhem. Bij besluit van 13 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de verleende bouwvergunning na herstel van gebreken in stand gelaten. Namens eiser heeft mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden, alsmede een nader stuk nagezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2009, waar eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hoegee. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. van Brakel en R.H.J. Tolkamp. Voorts is de derde-partij met zijn echtgenote verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bestaande woning op het perceel [adres] te Zelhem met een leef-/woonkeuken, een berging, een veranda en een kelder. 2.2. Volgens artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan. 2.3. Op grond van het bestemmingsplan ‘Zelhem Dorp 2002’ heeft het in geding zijnde perceel de bestemming ‘Woningbouw’ met de subbestemming ‘EO en LO (vrijstaande en dubbele woningen)’. Artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften, zoals gewijzigd bij het bestemmingsplan ‘Zelhem Dorp 2002, herziening 2004-1’, bevat voorschriften voor de bebouwing. Volgens onderdeel d mogen de achtergevels van de hoofdgebouwen bij dubbele woningen maximaal 10 m achter de voorgevel worden gebouwd. Bij woningen van drie of meer aaneen bedraagt deze maximale bebouwingsgrens 8 m. Volgens onderdeel i worden aangebouwde bijgebouwen maximaal 3 m achter de achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan gebouwd. Volgens onderdeel m mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per hoofdgebouw maximaal 60 m² bedragen, met dien verstande dat: 1. bij het berekenen van de oppervlakte (delen van) bijgebouwen, voor zover deze zijn gesitueerd in de denkbeeldige strook tussen de voorgevel van het hoofdgebouw en de achtergevel voor zover die op grond van het bepaalde onder d mogelijk is, buiten beschouwing blijven; 2. het bebouwingspercentage maximaal 50 mag bedragen. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder bijgebouw: een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw behorend bij en door zijn constructie en/of afmetingen ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. Onder gebouw wordt verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 2.4. Eiser heeft betoogd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingplan omdat het voorgenomen gebruik van de uitbreiding strijdig is met de woonbestemming. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat de derde-partij voornemens is de uitbreiding van zijn woning met een berging en kelder te gaan gebruiken voor bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten. Eiser leidt dit af uit het gegeven dat, blijkens een inschrijving in het Handelsregister, op het onderhavige adres op naam van de derde-partij een eenmanszaak is gevestigd, die zich bezighoudt met detailhandel in sanitairartikelen, centrale verwarmingsonderdelen, CV-ketels, radiatoren en loodgietersartikelen, en met advisering en klein onderhoud. 2.4.1. De derde-partij heeft ter zitting bevestigd dat hij ‘voor zichzelf is begonnen’ en dat zijn woonadres fungeert als adres van zijn eenmansbedrijf. Verkoop en levering van de artikelen vinden echter, naar hij heeft verklaard, niet vanuit de woning plaats en de voorraad zal ook niet in de berging en kelder worden opgeslagen. Daarvoor beschikt hij elders over opslagruimte. Onderhoudswerkzaamheden vinden op locatie plaats. 2.4.2. Gelet op deze verklaringen, alsmede het gegeven dat in de vergunningaanvraag is vermeld dat het gebruik van het bouwwerk na voltooiing van de werkzaamheden ‘woning’ blijft, ziet de rechtbank geen objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat het voorgenomen gebruik van de uitbreiding strijdig is met de woonbestemming van het perceel. Het betoog van eiser faalt. 2.5. Voorts heeft eiser betoogd dat sprake is van een overschrijding van de achtergevel-bouwgrens zoals opgenomen in artikel 6, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat in dit geval geen sprake is van een dubbele woning – zoals hij eerder met verweerder had aangenomen – maar van geschakelde woningen (drie of meer aaneen), zodat de achtergevelbouwgrens 8 m bedraagt. 2.5.1. Nu eiser zijn stelling dat sprake is van geschakelde woningen eerst ter zitting heeft aangevoerd en niet concreet en objectief heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met fotomateriaal, gaat de rechtbank daaraan voorbij en neemt zij met verweerder aan dat ter plaatse sprake is van een dubbele woning, hetgeen ook strookt met de subbestemming van het perceel. De rechtbank neemt mede in aanmerking dat blijkens de plantoelichting met ‘geschakeld’ (in de subbestemming EG en LG) wordt bedoeld: aaneengebouwd (rijtjes). De rechtbank gaat er aldus vanuit dat de achtergevelbouwgrens 10 m bedraagt. 2.5.2. Deze grens wordt naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op in de planvoorschriften opgenomen definitie van bijgebouw moet de uitbreiding van de woning niet worden gekwalificeerd als een uitbreiding van het hoofdgebouw, zoals eiser voorstaat, maar als een aangebouwd bijgebouw, zowel voor wat betreft de leef-/woonkeuken als de berging annex kelder. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat in de plantoelichting staat vermeld dat het bestemmingsplan geen aparte regeling over aan- en uitbouwen bij hoofdgebouwen bevat en dat zowel aan- als uitbouwen in dit bestemmingsplan worden beschouwd als aangebouwde bijgebouwen. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat in de definitie van ‘bijgebouw’ in dit geval niet de eis van functionele ondergeschiktheid aan het hoofdgebouw is opgenomen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 19 november 2003, LJN: AN8373. Het voorgaande impliceert dat de achtergevel van het hoofdgebouw – die zich feitelijk circa 8 m achter de voorgevel bevindt – niet naar achteren wordt verplaatst bij realisering van het bouwplan. Verder verdient opmerking dat de veranda, anders dan partijen menen, niet kan worden aangemerkt als een bijgebouw. De veranda wordt niet door wanden omsloten. De veranda is dan ook geen gebouw en bijgevolg geen bijgebouw in de zin van de planvoorschriften. 2.5.3. De conclusie is dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 6, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften. Het betoog van eiser faalt. 2.6. Verder betoogt eiser dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften, omdat de hierin voorgeschreven maximale diepte van 3 m van aangebouwde bijgebouwen, gerekend vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw, wordt overschreden. 2.6.1. Dit betoog slaagt. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat onder ‘achtergevel van het hoofdgebouw’ in deze bepaling moet worden verstaan de feitelijk bestaande achtergevel en niet – zoals verweerder meent – de achtergevel zoals deze zou mogen worden gebouwd volgens artikel 6, tweede lid, onder d van de planvoorschriften. Anders dan verweerder meent vormt de in artikel 6, tweede lid, onder m genoemde ‘denkbeeldige strook’ (door verweerder genoemd: ‘zone hoofdgebouw’) niet het uitgangspunt voor de bepaling van de strook van 3 m waarbinnen aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebouwd. Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat een deel van de berging en een groot deel van de kelder buiten de strook van 3 m achter de (bestaande) achtergevel van het hoofdgebouw zijn geprojecteerd. Het bouwplan is dus in zoverre strijdig met artikel 6, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften. De rechtbank merkt hierbij op dat – zoals eiser terecht heeft gesteld – de kelder moet worden meegerekend, omdat het bestemmingsplan geen onderscheid maakt tussen bovengronds en ondergronds bouwen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de AbRS van 7 mei 2008, LJN: BD1098. De veranda moet overigens niet worden meegerekend, omdat deze – zoals onder 2.5.2 al is opgemerkt – niet als een bijgebouw kan worden aangemerkt. 2.7. Tot slot heeft eiser betoogd dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, tweede lid, onder m, van de planvoorschriften, omdat de daarin voorgeschreven maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen van 60 m² wordt overschreden en omdat bovendien het maximale bebouwingspercentage van 50 wordt overschreden. 2.7.1. Dit betoog faalt. Gelet op het voorbehoud onder 1 in deze bepaling moeten bij de oppervlakteberekening buiten beschouwing blijven (delen van) bijgebouwen, voor zover deze zijn gesitueerd in de bedoelde denkbeeldige strook tussen voorgevel en achtergevel van het hoofdgebouw, door verweerder genoemd: ‘zone hoofdgebouw’. Deze strook c.q. zone is in dit geval 10 m diep (zoals volgt uit artikel 6, tweede lid, onder d, van de voorschriften). De rechtbank stelt op grond van de bouwtekening vast dat het gedeelte van de berging en het daaronder uitstekende gedeelte van de kelder die buiten de ‘denkbeeldige strook’ zijn gesitueerd, een gezamenlijke oppervlakte hebben van minder dan 60 m². Zoals al eerder opgemerkt moet de veranda niet worden meegerekend, omdat deze geen bijgebouw is. Voorts moet het door eiser nog genoemde bestaande, overdekte zitje in de achtertuin met een oppervlakte van 8 m², niet worden meegerekend, omdat het, naar moet worden aangenomen, bouwvergunningvrij is gebouwd. De rechtbank neemt daarbij aan dat dit bouwwerk niet hoger is dan 3 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein, en stelt vast dat destijds door het bouwen ervan het achtererf voor niet meer dan 50% werd bebouwd. 2.7.2. Wat betreft het maximale bebouwingspercentage stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het hierbij gaat om een maximaal te bebouwen oppervlak van 136,50 m². Ook hier geldt dat het onder 2.7.1 bedoelde zitje niet moet worden meegerekend. Hiervan uitgaande en gelet op de overige beschikbare oppervlaktegegevens concludeert de rechtbank dat het maximale bebouwingspercentage niet wordt overschreden. 2.8. De rechtbank overweegt tot slot nog dat verweerder genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de welstandscommissie bij haar tweede beoordeling (in de bezwaarfase) beschikte over de juiste, aangepaste bouwtekening. Dat het bouwplan op basis van deze aangepaste bouwtekening (positief) is beoordeeld door de welstandscommissie, blijkt uit het daarop geplaatste stempel met datering 10 maart 2008. 2.9. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder c van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 6, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften. 2.10. Verweerder moet worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Ter zake van rechtsbijstand worden 2 punten toegekend met een wegingsfactor 1. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen; - bepaalt dat verweerders gemeente aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door verweerders gemeente. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Duyvendijk. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2009.