
Jurisprudentie
BJ1335
Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-07-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/711680-07.
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/711680-07.
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vrijspraak van vier overvallen en een inbraak. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens poging tot inbraak tot twee maanden gevangenisstraf.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/711680-07
Datum uitspraak: 29 juni 2009
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1988] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres].
Raadsman: mr. A.C. Vingerling.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
11 november 2008, 13 november 2008, 18 november 2008, 19 november 2008,
4 december 2008, 22 januari 2009, 14 april 2009, 12 mei 2009 en 15 juni 2009.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.
Op vordering van de officier van justitie is aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 4 september 2008 toegestaan.
Voorts is op vordering van de officier van justitie wijziging van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 11 november 2008 toegestaan.
Van de inleidende dagvaarding en van de ter terechtzitting van 11 november 2008 toegestane vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlage I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.
Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt (na aanpassing en wijziging van de tenlastelegging) ten laste gelegd dat:
1.
(zaak 5)
hij op of omstreeks 11 september 2007 te Utrecht, althans in het
arrondissement Utrecht, op/aan de openbare weg, het Oppenheimplein, althans
een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele
toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan
en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen
[slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot
het ter beschikking stellen van een pincode, in elk geval van enige
gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval
aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s)
- op die [slachtoffer 1] is/zijn afgelopen en/of een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp aan/op die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Meekomen we moeten het nummer hebben" en/of "werk mee vriend, dan gebeurt je niks. Nummer, ik moet nu het nummer hebben";
2.
(zaak 6)
hij op of omstreeks 25 september 2007 te Utrecht, althans in het
arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, op of aan de openbare weg, de Magnoliastraat aldaar,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen
een of meer bankpas(sen) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 40 euro, in elk
geval enig goed of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan
[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de
afgifte van een of meer bankpas(sen) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 40
euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, en/of het ter beschikking
stellen van een of meer pincode(s), althans van enige gegevens, geheel of ten
dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s)
- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen een muur heeft/hebben gedrukt en/of geduwd en/of de nek van die [slachtoffer 2] heeft/hebben omklemd en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "Pinpas, pinpas" en/of "je pincode klopt niet, geef mij je pincode, zeg eerlijk" en/of
- die [slachtoffer 2] een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp heeft getoond en/of voorgehouden en/of op die [slachtoffer 2] heeft gericht, en/of
- die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben
gestompt en/of geslagen en/of
- de broekzakken van die [slachtoffer 2] heeft/hebben doorzocht;
3.
(zaak 8)
hij op of omstreeks 28 september 2007 te Utrecht, althans in het
arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van twee, althans
één, (een) (Post)bankpas(sen) en/of een (ABN-Amro)bankpas en/of de daarbij
behorende pincode(s) en/of een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson) en/of
twee, althans één, portemonnee(s) (met inhoud) en/of een mp3-speler (merk
Ipod), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met
geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben tegengehouden, althans de weg
versperd, (terwijl die De [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] op een fiets reden) en/of
(vervolgens) van die fiets hebben getrokken, en/of
- tegen die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd: "bek houden,
meekomen", althans woorden geuit van gelijke aard of strekking en/of
(vervolgens) die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben meegetrokken naar
(nabijgelegen) bosjes, en/of
- die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen
gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond, althans dat vuurwapen/voorwerp
voor die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] zichtbaar heeft/hebben gedragen/vastgehad, en/of
- tegen die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij/zij
zijn/hun telefoon(s) en/of bankpas(sen) en/of portemonnee(s), althans
zijn/hun spullen, moest(en) afgeven, en/of
- die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gevraagd naar de bij die
bankpas(sen) bijbehorende pincode(s), en/of
- tegen die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij/zij
verder de bosjes in moest(en) lopen en/of (vervolgens) gezegd dat hij/zij
daar op de grond moest(en) gaan liggen, en/of
- tegen die De [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd: "rustig aan met
die handen, anders schiet ik je kop eraf" en/of (zakelijk weergegeven) gezegd
dat hij goed met wapens was en/of dat zij niet bang waren om te schieten en/of dat hij die [slachtoffer 4] niet wilde doodschieten maar wel door de knieschijven kon schieten, althans woorden geuit van gelijke dreigende aard of strekking;
4.
(zaak 9)
hij op of omstreeks 29 september 2007 te Utrecht, althans in het
arrondissement Utrecht, op/aan de openbare weg, te weten de Adriaan
Mennickkwartier, althans een openbare weg,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van
wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen,
geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen
diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen
van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], te plegen met
het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken
en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere
deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)
- op die [slachtoffer 5] afgelopen en/of een (vuur)wapen, althans een op een
(vuur)wapen gelijkend voorwerp tegen de borst en/of de rug en/of het lichaam
van die [slachtoffer 5] gericht en/of gezet en/of gedrukt en/of gehouden en/of
- de jaszakken en broekzakken van die [slachtoffer 5] doorzocht en/of
- die [slachtoffer 5] gedwongen, althans gezegd, om de bosjes in te gaan en/of de
handen achter zijn hoofd te houden en/of
- die [slachtoffer 5] (dreigend) toegevoegd dat wanneer hij zou ontsnappen of
wanneer hij aangifte zou doen, hij dood zou zijn en/of
- gedreigd die [slachtoffer 5] door zijn ballen, zijn hart en zijn keel te schieten
en daarbij een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend
voorwerp op voornoemde lichaamsdelen gericht en/of gezet en/of gedrukt,
zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
5.
(zaak 16)
hij op of omstreeks 18 oktober 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement
Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen
en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van
wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres]
22 weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen
en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te
brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse
sleutel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of
meer van) zijn mededader(s) een ruit van de achterdeur van die woning
ingeslagen en/of een deur van die woning geforceerd, zijnde de uitvoering van
dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
6.
(zaak 35)
hij op of omstreeks 08 november 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement
Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning
gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een minidisc-speler
en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een autosleutel en/of een horloge,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in
elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich
de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te
nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op
en/of verbreking van de (tuin)deur(en) van die woning.
Verweer als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
De opgenomen vertrouwelijke communicatie
Voor het bewijs van een aantal van de ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie een beroep gedaan op opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: de OVC). Het betreft hier de opname van gesprekken die door verdachte en/of medeverdachten zijn gevoerd tijdens hun transport van en naar huizen van bewaring. De OVC is op schrift gezet en vertaald door een aantal tolken. Tijdens de terechtzitting van 13 november 2008 is gebleken dat de uitwerking van de OVC vertaalfouten bevat. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan bevolen dat de OVC opnieuw, door een andere tolk, uitgewerkt en vertaald moest worden. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat zij een letterlijke weergave wenst te krijgen van hetgeen gezegd wordt. Deze tweede uitwerking wijkt duidelijk af van de eerste uitwerking, met name gezien het feit dat in de tweede uitwerking een groter deel van de gesprekken als “onverstaanbaar”wordt aangeduid.
In de tweede uitwerking van de OVC is per abuis een gedeelte van de opname van 9 januari 2008, het gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], niet weergegeven. De rechter-commissaris heeft hieromtrent een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2009 opgemaakt. De rechtbank heeft geconstateerd dat het niet vertaalde gedeelte, een gedeelte van de OVC betreft waar zowel de officier van justitie als de verdediging zich niet op hebben beroepen. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben aangegeven op dit moment geen nieuwe verdere aanhouding van de zaak te wensen. De rechtbank heeft vervolgens besloten de behandeling van de zaak voort te zetten zonder over dit gedeelte van de nieuwe uitwerking te beschikken. De rechtbank heeft op basis van de eerste uitwerking van de OVC vastgesteld dat, ook naar haar oordeel, dit gedeelte van het OVC belastend noch ontlastend materiaal bevat. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan deze omissie geen gevolgen dienen te worden verbonden.
Niet-ontvankelijkheid
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting primair aangevoerd dat na onderzoek is gebleken dat de eerste uitwerking van de OVC op essentiële punten afwijkt van de tweede uitwerking. Naar de mening van de raadsman is ten aanzien van de tweede uitwerking de nodige zorgvuldigheid betracht en is bij de eerste uitwerking opgeschreven wat men wilde horen. Dientengevolge is er bij het maken van de eerste uitwerking van de OVC sprake geweest van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde met doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank heeft reeds ter terechtzitting van 4 december 2008 het verweer tot
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verworpen op de in het proces-verbaal van die zitting aangegeven gronden. Nadien zijn geen nieuwe omstandigheden aan het licht gekomen die maken dat hierover anders geoordeeld moet worden.
Bewijsuitsluiting
De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat zowel de eerste als de tweede uitwerking van de OVC van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat het gezien de vele verschillen tussen de eerste en de tweede uitwerking te risicovol is om gedeelten van de OVC tot het bewijs te bezigen.
De eerste uitwerking van de OVC
De rechtbank stelt vast dat er tussen de eerste en de tweede uitwerking van de OVC verschillen zitten. De rechtbank heeft de volgende elementen in overweging genomen:
- In de tweede uitwerking worden de op de zitting van 13 november 2008 geconstateerde vertaalfouten andermaal bevestigd.
- De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de eerste uitwerking van de OVC geen woordelijke weergave van de OVC is, maar dat er door de tolk op basis van de context een interpretatie is gegeven van wat er wordt gezegd.
- De tolken die de eerste uitwerking hebben opgesteld waren op de hoogte van het dossier in deze zaak, zij kenden de namen van de verdachten en de feiten waarvan zij verdacht werden, de tolk die de tweede uitwerking heeft gemaakt had geen kennis van het dossier of de verdachten.
- Bij de tweede uitwerking van de OVC is een proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 25 mei 2009 gevoegd, waaruit volgt dat het de tolk is opgevallen dat de stemmen op de gegevensdragers snel praten en woorden inslikken wat in combinatie met de nadrukkelijk hoorbare achtergrondgeluiden maken dat de gesprekken veelal slecht te verstaan zijn.
- In de tweede uitwerking zijn meer gedeelten van de gesprekken als “onverstaanbaar” betiteld.
Gelet op al deze elementen is de rechtbank van oordeel dat de eerste uitwerking van de OVC moet worden uitgesloten van het bewijs op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat als in het dossier een transcript van gesprekken wordt opgenomen, zij erop moet kunnen vertrouwen dat dit transcript een letterlijke weergave is van hetgeen gezegd wordt. Het kan niet zo zijn dat de tolken interpretaties geven van hetgeen gezegd is en die interpretatie als een letterlijke weergave presenteren. Voorts acht de rechtbank het bepaald ongewenst dat de tolken voordat zij met hun werk een aanvang maken van de inhoud van het dossier op de hoogte zijn. Als het Openbaar Ministerie een dergelijke werkwijze nodig acht behoort zij de rechtbank en de verdediging hiervan in ieder geval op de hoogte te stellen.
Het verweer van de raadsman wordt derhalve in zoverre gevolgd. De rechtbank zal dan ook aan de eerste uitwerking voorbijgaan.
De tweede uitwerking van de OVC
De rechtbank overweegt voorts dat de tolk, verantwoordelijk voor de tweede uitwerking van de OVC, zijn werkzaamheden heeft verricht onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden. De rechtbank is op grond van het voornoemde van oordeel dat ten aanzien van de tweede uitwerking van de OVC de benodigde zorgvuldigheid is betracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van de tweede uitwerking van de OVC geen sprake is van een schending op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.
Telefoontaps
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de eerste tap die op de telefoon van zijn cliënt is afgesloten een vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu er op dat moment geen sprake was van een verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Dit dient naar het oordeel van de raadsman te leiden tot de conclusie dat de resultaten van de eerste, en ook die van de daarop volgende, telefoontaps niet mogen bijdragen aan het bewijs.
De rechtbank overweegt in dat kader dat uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat verdachte samen met een medeverdachte werd aangehouden, nadat door een getuige werd gezien dat deze twee personen aan portieren van auto’s hadden gevoeld en deze getuige eerder had gezien dat deze twee personen hadden ingebroken in een auto. De medeverdachte wordt op dat moment naar aanleiding van een aantal goederen die hij bij deze aanhouding onder zich had, in verband gebracht met gewapende overvallen. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden tot de beslissing kon worden gekomen om ook verdachtes telefoon te gaan tappen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Vrijspraak
Feit 1 (zaak 5)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde overval heeft begaan. De officier van justitie voert in zijn requisitoir onder meer als bewijs voor dit feit aan het op 19 december 2007 opgenomen vertrouwelijke gesprek tussen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2], waarin verdachte zou zeggen “toen wij die ene bij de bank vasthielden” . De rechtbank overweegt dat deze zin in de tweede uitwerking van de OVC niet voorkomt. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de uitwerking van dit deel van het gesprek in de tweede vertaling, te weten dat medeverdachte [medeverdachte 2] tegen verdachte [verdachte] zou hebben gezegd “mijn foto heb ik gezien, ik in de bank (fon), jij weet het niet, die advocaat van Zuil (fon) …onverstaanbaar…camera van de bank, hij kijkt (fon), hij kijkt (fon), ik heb mijn hoofd gezien zo en mijn neus, zo…onverstaanbaar die dag jij met die ander hebt daar gezeten. Ik ging…onverstaanbaar…, ik deed zo” onvoldoende duidelijk is of het betrekking heeft op dit feit. De rechtbank overweegt dat het opgenomen vertrouwelijke gesprek d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] te onduidelijk is om tot enig wettig dan wel overtuigend bewijs te kunnen leiden.
De rechtbank overweegt ook dat de verbalisanten stellen dat op de beelden van de bewakingscamera is te zien dat één van de verdachten een standafwijking aan zijn rechtervoet en onderbeen heeft en dat deze manier van lopen enige gelijkenis vertoont met de manier van lopen van verdachte. De rechtbank heeft de beelden van de bewakingscamera ter terechtzitting bekeken en daarop het bedoelde “loopje” niet kunnen waarnemen.
De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze overval te komen. De verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Feit 2 (zaak 6)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 2 ten laste gelegde overval heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat de OVC d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet eenduidig is. [medeverdachte 2] zegt “die dag jij met die ander hebt daar gezeten”. De rechtbank is van oordeel dat met “die ander” ook een ander persoon dan het slachtoffer van deze overval of een andere overval bedoeld kan worden.
Ook ten aanzien van dit feit overweegt de rechtbank dat de OVC d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] te algemeen en onduidelijk is om tot enig wettig dan wel overtuigend bewijs te kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze overval te komen. De verdachte zal ook van dit feit moeten worden vrijgesproken.
Feit 3 (zaak 8)
Ten aanzien van de onder feit 3 ten laste gelegde overval is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De OVC d.d. 19 december 2007 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is ten aanzien van dit feit te algemeen en onduidelijk om tot enig bewijs te kunnen bijdragen. Het feit dat uit telefoongegevens blijkt dat verdachte zich ten tijde van de overval in het gebied bevindt waar de overval plaatsvindt, acht de rechtbank onvoldoende, nu er ook overigens geen bewijs in het dossier voorhanden is dat verdachte deze overval heeft gepleegd. De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken.
Feit 4 (zaak 9)
De rechtbank is voorts van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder feit 4 ten laste gelegde overval heeft begaan. Op grond van de in het dossier opgenomen OVC met betrekking tot dit feit kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij deze overval betrokken is geweest. De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze overval te komen. De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken.
Feit 6 (zaak 35)
Ten slotte kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de onder feit 6 ten laste gelegde woninginbraak heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat blijkens de in het dossier opgenomen verklaringen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat deze woninginbraak door twee of meer daders is gepleegd. De officier van justitie heeft verdachte echter ten laste gelegd dat hij de woninginbraak alleen heeft gepleegd. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte alle handelingen zelf heeft begaan. De in de tenlastelegging opgenomen bestanddelen zijn daarmee niet allemaal aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank is gebonden aan de tenlastelegging en kan dus niet anders dan verdachte vrijspreken.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt nog dat op basis van het dossier voldoende bewijs aanwezig is dat verdachte bij een strafbaar feit betrokken is geweest, te weten heling van de mobiele telefoon. Dit feit is echter niet door de officier van justitie ten laste gelegd.
De bewezenverklaring
De raadsman heeft aangevoerd dat de stemherkenningen in het dossier niet betrouwbaar zijn. De OVC en de afgeluisterde gesprekken waarin de stemherkenning een rol speelt, kunnen daarom niet tot het bewijs worden gebezigd, aldus de raadsman.
De rechtbank is van oordeel dat zij slechts met grote behoedzaamheid van de stemherkenningen gebruik kan maken. Zij zal daartoe per zaak kritisch beoordelen of de afgeluisterde gesprekken, waarin stemherkenning een rol speelt, als bewijs gebruikt kunnen worden. De rechtbank zal in de zaken waarin zij de stemherkenning betrouwbaar acht haar oordeel wat dat betreft nader toelichten.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 18 oktober 2007 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van
wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres]
22 weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer 3], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of één of
meer van zijn mededader(s) een ruit van de achterdeur van die woning
ingeslagen en een deur van die woning geforceerd, zijnde de uitvoering van
dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen onder feit 5 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:
Aangever [slachtoffer 3] verklaarde bij de politie dat er op 18 oktober 2007 tussen 08.15 uur en 00.15 uur was ingebroken in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats]. De ruit van de achterdeur was ingeslagen en ook de deur was geforceerd. [slachtoffer 3] verklaarde dat er geen goederen waren weggenomen.
Uit een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 18 oktober 2007 om 20.33 uur , volgt dat medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tegen elkaar zeggen dat ze zijn weggekomen, dat [verdachte] ook is weggekomen en dat de fietsen in de bosjes verstopt zijn.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het gehele dossier vast dat met [verdachte] verdachte [verdachte] wordt bedoeld.
In een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 18 oktober 2007 om 21.38 uur tussen [medeverdachte 2] en [naam] zegt [medeverdachte 2] vervolgens dat die fietsen weg zijn en dat hij daar politie zag schijnen met zaklampen. Vervolgens vraagt [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt medeverdachte [medeverdachte 3]) die zaklamp niet bij zich heeft. [naam] vraagt dit op de achtergrond en het antwoord is nee.
Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie dat hij op 18 oktober 2007 omstreeks
20.10 uur drie jongens zag wegfietsen. Voorts volgt uit de door de politie opgemaakte processen-verbaal van bevindingen dat de politie op de avond van de inbraak aan de overzijde van de woning in het parkje twee fietsen en ongeveer één meter voor de achterdeur van de woning een zaklamp aantrof .
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de telefoongesprekken in combinatie met de verklaring van de getuige en de door de politie aangetroffen fietsen en zaklamp wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] bij deze woninginbraak betrokken is geweest.
De strafbaarheid van de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder
feit 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder feit 5 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:
Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sancties
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft samen met anderen proberen in te breken in een woning.
Blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 6 maart 2009 heeft verdachte een vrijwel blanco strafblad.
De rechtbank heeft acht geslagen op de psychologische rapportage van drs. G.J.W. Pol,
d.d. 25 juni 2008, waaruit volgt dat door de weinig gemotiveerde houding van verdachte en het gebrek aan hetero-anamnestische gegevens nadere diagnostiek niet goed mogelijk is gebleken. De psycholoog heeft vanwege de beperkende onderzoeksomstandigheden geen volledig beeld van verdachte kunnen krijgen. De psycholoog heeft aangegeven daarom geen nadere uitspraak te kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid of over het risico op herhaling.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van reclasseringswerker S.J. Soffner van 21 februari 2008, waaruit onder meer volgt dat door de ontkennende houding van verdachte en de beperkte eenzijdige informatie het recidiverisico niet kan worden ingeschat. Daarnaast is verdachte blijkens het voorlichtingsrapport niet bereid om begeleiding of hulpverlening te accepteren, omdat hij de noodzaak daarvan niet inziet. Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen hulp nodig heeft.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank overweegt dat, gelet op het feit dat de rechtbank alleen de onder feit 5 ten laste gelegde poging tot woninginbraak bewezen acht en gelet op het vrijwel blanco strafblad van verdachte, in de regel een werkstraf op zijn plaats zou zijn. Verdachte heeft echter dermate lang in voorarrest gezeten dat een uitvoering van een werkstraf illusoir is geworden. Daarom legt de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]/[benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 6 ten laste gelegde feit.
Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 6 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het onder feit 5 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde]/[benadeelde 2] niet ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.
Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Wassing, P.K. van Riemsdijk en S.C. Hagedoorn, bijgestaan door mr. K.F. van Dam als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2009.
Mr. Wassing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.