
Jurisprudentie
BJ1312
Datum uitspraak2009-06-19
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3958 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3958 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering om terug te komen van eerder genomen rechtens onaantastbaar besluit. Geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.
Uitspraak
08/3958 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te ,[woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ,s-Gravenhage van 29 mei 2008, 07/3485 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. J.W. Stok, advocaat te Delft.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2009. Voor appellant is verschenen mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M. Snijders.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 24 november 2005 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit (op het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2000 waarbij aan appellant een WAO-uitkering is geweigerd) van 15 februari 2001.
2. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 februari 2006 - kennelijk - gegrond verklaard en evenvermeld besluit van 24 november 2005 vervallen verklaard.
3. Bij nieuw primair besluit van 17 november 2006 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 11 oktober 2000.
4. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 april 2007 ongegrond verklaard.
5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 4 april 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.
Bij handhaving van het oorspronkelijke besluit dient de bestuursrechter uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De medische stukken die appellant in bezwaar heeft overgelegd betreffen geen zodanige feiten en/of omstandigheden. Het bemiddelingsplan van Vedior dateert weliswaar van
21 december 2000, maar is eerst in beroep bij de rechtbank overgelegd. Aangezien het Uwv daarmee bij het nemen van het besluit op bezwaar van 4 april 2007 geen rekening heeft kunnen houden, moet dat in een procedure als thans aan de orde buiten beschouwing blijven. De rapportage van de verzekeringsarts A. Mathoera betreft weliswaar zodanige feiten en/of omstandigheden, maar gelet op de bevindingen van de verzekeringsartsen kan niet worden geconcludeerd dat daarin aanleiding had moeten worden gevonden om terug te komen van het besluit van 11 oktober 2000. Daarbij is van belang dat de rapportage van Mathoera een beperkte medische keuring in het kader van een aanvraag om een bijstandsuitkering betreft en voorts dat de daarin getrokken conclusies louter zijn gebaseerd op de niet geverifieerde verklaringen van appellant.
Appellant heeft zijn stelling dat het Uwv al in 2000 heeft aangegeven dat hij ‘rijp’ is geweest voor opname in een kliniek niet onderbouwd.
Het Uwv heeft gezien het voorgaande in redelijkheid kunnen weigeren om terug te komen van het besluit van 11 oktober 2000.
6. Appellant heeft in hoger beroep – evenals in bezwaar en beroep – aangevoerd dat zijn belangen niet zorgvuldig zijn afgewogen, dat de overgelegde medische stukken wel nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden bevatten en dat gelet daarop wel teruggekomen had moeten worden van het besluit van 11 oktober 2000. Appellant heeft de Raad verzocht om hem te laten onderzoeken door een medisch deskundige.
7. De Raad overweegt als volgt.
8. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant bij zijn verzoek nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten vermelden. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat appellant dat heeft nagelaten. De door appellant overgelegde stukken betreffen geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden of vormen, zo anders, geen aanleiding om meer medische beperkingen aan te nemen en het oorspronkelijke besluit te herzien. Dit oordeel vindt steun in de rapportages van de verzekeringsarts T. Elbertsen van 16 november 2006 en de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 3 april 2007.
Voor een nader medisch onderzoek door een door de Raad ingeschakelde deskundige is in een procedure die draait om een verzoek om terug te komen van een eerder besluit gelet op de wijze van beoordeling van dat verzoek geen plaats.
9. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
10. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.A. Wit.
KR