Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1307

Datum uitspraak2009-06-17
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3284 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medisch onderzoek zorgvuldig. Voldoende medische grondslag. Het Uwv heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in hoger beroep deels gewijzigd. Het Uwv heeft een functie laten vervallen en de (vervangende) functie van inpakker aan de schatting ten grondslag gelegd. Aangezien eerst in hoger beroep het besluit van een deugdelijke arbeidskundige grondslag is voorzien, volgt vernietiging van het besluit met instandlating rechtsgevolgen.


Uitspraak

08/3284 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 april 2008, 06/4491 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 17 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 21 april 2009 heeft het Uwv een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G.C. Kalthof van 17 april 2009 ingestuurd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009, waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 11 april 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. 2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 23 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de functie van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) niet aan de schatting ten grondslag gelegd kan worden nu niet duidelijk is geworden dat appellant deze functie in medisch opzicht kan vervullen. De functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en kassamedewerker (SBC-code 317030), welke laatste in de plaats van de functie van medewerker tuinbouw is gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet van 19 februari 2007, wel geschikt voor appellant. Nu een voldoende deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst in de fase van beroep is verkregen en de functie van medewerker tuinbouw buiten de schatting moet blijven, dient, aldus de rechtbank, het bestreden besluit te worden vernietigd, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten. 4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn medische beperkingen onjuist heeft vastgesteld. Er dient volgens hem nader onafhankelijk onderzoek te worden verricht naar deze medische beperkingen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen. 5. In het door het Uwv ingestuurde arbeidskundige rapport van 17 april 2009 staat, kort samengevat en voor zover hier van belang, vermeld dat de functie van productiemedewerker textiel dient te vervallen wegens overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het aspect reiken. De functies van productiemedewerker industrie, kassamedewerker en de eveneens primair geduide functie van inpakker (SBC-code 111190) worden aan de schatting ten grondslag gelegd, aldus het arbeidskundige rapport. Er wordt voorts gemotiveerd waarom deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. 6.1. De Raad overweegt als volgt. 6.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Daaraan voegt de Raad toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij ten tijde in geding meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. In dit oordeel ligt besloten dat de Raad voor nader onderzoek door een medisch deskundige geen aanleiding ziet. 6.3. De Raad stelt voorts onder verwijzing naar rechtsoverweging 5 vast dat het Uwv de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in hoger beroep deels heeft gewijzigd. Daaruit vloeit voort, zo stelt de Raad voorts vast, dat de rechtbank de functie van productiemedewerker textiel ten onrechte geschikt heeft geacht voor appellant. De Raad is van oordeel dat het Uwv in hoger beroep de (vervangende) functie van inpakker aan de schatting ten grondslag heeft kunnen leggen en dat deze functie gelet op het arbeidskundige rapport van 17 april 2009 in medisch opzicht voor appellant geschikt dient te worden geacht. De functies van productiemedewerker industrie en kassamedewerker zijn, gelet op de arbeidskundige rapporten van 19 februari 2007 en 17 april 2009, eveneens in medisch opzicht geschikt te achten voor appellant. Daarbij acht de Raad van belang dat in deze rapporten, in hun onderlinge samenhang bezien, een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. 6.4. De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een deugdelijke arbeidskundige grondslag is voorzien. Nu dit, net zoals in de aangevallen uitspraak, leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand worden gelaten, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij berust, dient te worden bevestigd. 7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. JL