Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1297

Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2991 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ongewijzigde vaststelling een mate van arbeidsongeschiktheid (15-25%). Indiening nadere stukken voor zitting. Overschrijding 10-dagentermijn. Geen gronden om van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige af te wijken.


Uitspraak

08/2991 WAO Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2008, 05/5194 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 24 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 april 2009 heeft appellante nog een groot aantal stukken in geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 08/2830 WAO. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.H. Kool. Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 2. Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft appellant aan betrokkene in het kader van een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling meegedeeld dat diens uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 3. Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat diens uitkering ingevolge de WAO ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 4. Betrokkene heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 september 2005 heeft appellant de bezwaren ongegrond verklaard. 5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust, omdat uit de rapportage van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, psychiater R. Tonneijck, blijkt dat betrokkene meer beperkingen heeft dan waarvan appellant is uitgegaan en de rechtbank geen reden heeft gezien om af te wijken van het oordeel van de deskundige. 6. De Raad overweegt het volgende. 6.1. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Appellant heeft bij brief van 11 mei 2009 een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Hiermee is deze rapportage ingediend met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb neergelegde termijn van tien dagen. De Raad merkt op dat artikel 8:58 van de Awb de rechter een zekere vrijheid laat in zijn beoordeling of binnen tien dagen voor de zitting ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. In dit geval heeft de gemachtigde van betrokkene bezwaren geuit tegen het betrekken van de rapportage bij de beoordeling. Het komt de Raad voor dat appellant de rapportage eerder had kunnen opstellen en indienen. Gezien deze omstandigheden heeft de Raad beslist om de rapportage niet bij de beoordeling van de zaak te betrekken. 6.2. Deze zaak hangt samen met de zaak tussen partijen, die bij de Raad is geregistreerd onder nummer 08/2830 WAO. In die zaak is, kort samengevat, de vraag aan de orde of de rechtbank op grond van de rapportage van 21 december 2005 van de door haar ingeschakelde deskundige, psychiater R. Tonneijck, met juistheid heeft geoordeeld dat de besluitvorming van appellant, waarbij betrokkene met ingang van 15 juli 2003 arbeidsongeschikt is geacht naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, een voldoende medische grondslag ontbeert. In die zaak heeft de Raad heden uitspraak gedaan, waarbij de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De uitspraak in de zaak onder nummer 08/2830 WAO is aangehecht. 6.3. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank wederom deskundige Tonneijck verzocht om onderzoek te verrichten. Blijkens diens op 2 mei 2007 door de rechtbank ontvangen rapportage hebben zich geen nieuwe relevante medische ontwikkelingen bij betrokkene voorgedaan en zijn de door hem in zijn rapportage van 21 december 2005 vastgestelde beperkingen hetzelfde op de thans in geding zijnde data van 15 juli 2004 en 13 oktober 2004. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geding is dat zich bij betrokkene geen nieuwe medische ontwikkelingen hebben voorgedaan. Evenals in de zaak onder nummer 08/2830 WAO staat derhalve centraal de door appellant opgeworpen vraag of de rechtbank in haar oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit terecht doorslaggevende waarde heeft gehecht aan de rapportage van de deskundige. De Raad acht geen termen aanwezig om in de onderhavige zaak de vraag anders te beantwoorden dan in zaak onder nummer 08/2830 WAO. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Ten aanzien van de overige proceskosten verwijst de Raad naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak onder nummer 08/2830 WAO. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009. (get.) T. Hoogenboom. (get.) I.R.A. van Raaij. MH