
Jurisprudentie
BJ1295
Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2543 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2543 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering voorschot op WAO-uitkering te betalen. Rechtbank heeft de juiste toetsingsmaatstaf aangelegd door te onderzoeken of het Uwv in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Nader onderzoek diende plaats te vinden naar ontvangen bijstandsuitkering, WW-uitkering en loondoorbetaling door werkgever om een definitieve berekening van de na te betalen WAO-uitkering te maken. Op grond van bekende gegevens ging het Uwv er kennelijk vanuit dat het slechts om een gering bedrag ging. Uwv kon in redelijkheid voorschot weigeren.
Uitspraak
08/2543 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
S[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2008, 07/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 april 2009 heeft appellant een brief, met bijlagen, aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Voor appellant is
mr. Ouderdorp verschenen. Het Uwv is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2. Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het Uwv geweigerd om appellant een voorschot te betalen op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode van 24 maart 2003 tot 1 september 2004.
3. Bij besluit van 19 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2004 ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daartoe overwegende dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen besluiten het gevraagde voorschot te weigeren.
5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat het besluit tot weigering van een voorschot onvoldoende is gemotiveerd. Appellant heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat het Uwv bekend had kunnen zijn met de slechte financiële positie van appellant en met een hoger bedrag aan na te betalen
WAO-uitkering dan waarvan het Uwv is uitgegaan.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Ingevolge artikel 50, tweede lid, van de WAO kan het Uwv een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Ter uitvoering van deze bevoegdheid voert het Uwv een beleid waarin onder meer is bepaald dat, indien de voorlopige gegevens daartoe aanleiding geven, een lager voorschot kan worden verstrekt of een voorschot kan worden geweigerd.
6.2. De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank de juiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd door te onderzoeken of het Uwv in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
6.3. De Raad stelt vervolgens vast dat ten tijde van het besluit van 24 augustus 2004 aan appellant weliswaar inmiddels met ingang van 24 maart 2003 een WAO-uitkering was toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, doch dat tevens nader onderzoek diende plaats te vinden naar de door appellant sedert 17 november 2003 ontvangen bijstandsuitkering, alsmede naar een mogelijke uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en naar de loondoorbetaling door appellants werkgever sedert
24 maart 2003, om tot een definitieve berekening van de na te betalen WAO-uitkering te komen. Op grond van de hem toen reeds bekende gegevens is het Uwv er kennelijk vanuit gegaan dat geen daadwerkelijke nabetaling zou behoeven plaats te vinden dan wel dat deze slechts een gering bedrag zou betreffen.
6.4. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het besluit van 24 augustus 2004 gehandhaafd op de grond dat blijkens een brief van 11 februari 2005 - naar de Raad begrijpt na afronding van het bovengenoemde onderzoek - de over de periode van
24 maart 2003 tot 1 september 2004 na te betalen WAO-uitkering slechts een bedrag van
€ 300,23 betreft.
6.5. Op grond van het onder 6.3 en 6.4 overwogene is de Raad van oordeel dat het Uwv in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om aan appellant geen voorschot te betalen. Het feit dat het Uwv bij brief van 14 november 2007 appellant heeft meegedeeld dat hij over de periode van 24 maart 2003 tot 17 november 2003 recht heeft op betaling van een WAO-uitkering naar een bedrag van € 2.183,30, maakt het oordeel niet anders, nu dit er niet aan afdoet dat het Uwv ten tijde van het bestreden besluit op grond van de toen bekende gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals hij heeft gedaan.
7. Op grond van het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en
H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL