Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1294

Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/149 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Verzekeringsartsen hebben beperkingen vastgesteld mede op basis van een expertise. Geen grond voor geclaimde maatmanomvang van circa 50 uur per week.


Uitspraak

08/149 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2007, 07/1145 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is op 6 mei 2003 uitgevallen in verband met schouderklachten. Ten tijde van haar uitval was zij werkzaam in drie dienstverbanden waarvan één in de thuiszorg en twee in de schoonmaakbranche. Nadien heeft zij tevens psychische klachten gekregen. Het Uwv heeft haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 22 oktober 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. 1.3. Bij besluit van 2 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 26 september 2006 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. 3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat met name haar psychische belastbaarheid, te optimistisch is ingeschat. Wat betreft de arbeidskundige grondslag merkt appellante op dat haar maatmanomvang door het Uwv niet correct is vastgesteld. 4.1. De Raad overweegt als volgt. 4.2. Voor wat betreft de medische grondslag kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest. Teneinde een zo goed mogelijk beeld te krijgen van appellantes gezondheidssituatie en indachtig de medische gegevens, waaronder de brief d.d. 16 november 2005 van de Sociaal Psychiatrisch verpleegkundige B. Sanders, die deel uitmaken van de gedingstukken, heeft de verzekeringsarts aanleiding gezien een nadere expertise te vragen bij psychiater J.J.D. Tilanus. Op basis van deze expertise alsmede haar eigen onderzoek heeft deze arts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers, ingaande op appellantes bezwaren die met name haar psychische klachten betreffen, nog nader gemotiveerd waarom er geen redenen zijn om “geen benutbare mogelijkheden” aan te nemen. De aldus tot stand gekomen conclusies waartoe beide verzekeringsartsen met inachtneming van de expertise zijn gekomen, zijn naar het oordeel van de Raad op inzichtelijke en consistente wijze tot stand gekomen en zijn voldoende onderbouwd. Nu appellante in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens in het geding heeft gebracht, is de Raad van oordeel dat de FML in voldoende mate rekening houdt met de beperkingen en klachten van appellante. 4.3. Op basis van de gedingstukken, waar onder de rapportage d.d. 26 februari 2007 van bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée, is de Raad voorts van oordeel dat door het Uwv voldoende overtuigend is onderbouwd, dat appellante met de voor haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen. 4.4. De namens appellante geclaimde maatmanomvang van circa 50 uur per week, vindt geen grondslag in de gedingstukken. Uitgaande van de loongegevens van de drie dienstverbanden waar appellante ten tijde van haar uitval werkzaam is geweest, stelt de Raad vast dat de urenomvang 42,65 uur per week is geweest, zijnde 20 uur in de thuiszorg, alsmede 11,25 uur en 11,4 uur in twee schoonmaakdienstverbanden. De Raad komt echter tot de conclusie dat ook een maatman in deze omvang, resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Aldus berust het besluit ook op een niet ontoereikende arbeidskundige grondslag. 4.5. Het vorenoverwogene leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009. (get.) D.J. van der Vos. (get.) J.M. Tason Avila. JL