
Jurisprudentie
BJ1290
Datum uitspraak2009-06-03
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers320095/ HA ZA 08-2968
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers320095/ HA ZA 08-2968
Statusgepubliceerd
Indicatie
gevallen fietser. onrechtmatige daad? ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 320095/ HA ZA 08-2968
Uitspraak: 3 juni 2009
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
[eiser],
wonende te Rotterdam,
eiser, hierna: [eiser],
advocaat mr. A. Rhijnsburger,
- tegen -
[gedaagde],
wonende te Rotterdam,
gedaagde, hierna: [gedaagde],
advocaat mr. W.L. Stolk.
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.
1 Het verloop van het geding
1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- dagvaarding van 21 november 2008 met producties;
- conclusie van antwoord met productie;
- vonnis van 25 februari 2009 van deze rechtbank, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- de voor de gelegenheid van de comparitie door [eiser] bij brief van 25 maart 2009 overgelegde producties;
- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 9 april 2009 met daaraan gehecht kopieën van foto’s.
1.2 Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 mei 2007 die zijn opgemaakt in het kader van een op verzoek van [eiser] gehouden voorlopig getuigenverhoor en die door [eiser] in het geding zijn gebracht. De rechter ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaats gehad is thans niet meer werkzaam bij deze rechtbank, zodat hij niet in staat is dit vonnis mee te wijzen.
2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:
2.1 Op 8 november 2005 reed [eiser] op zijn fiets op het fietspad, gelegen direct parallel aan de Prins Alexanderlaan te Rotterdam, in noordelijke richting. Hij naderde de kruising met de Prinsenlaan. Het fietspad was door witte onderbroken strepen verdeeld in twee stroken voor fietsverkeer in twee richtingen.
2.2 Vanuit noordelijke richting reed [gedaagde], dus in tegenovergestelde richting van [eiser], op zijn fiets op het(zelfde) fietspad gelegen direct parallel aan de Prins Alexanderlaan. [gedaagde] wilde bij de kruising met de Prinsenlaan naar links, bij een fietsoversteekplaats die direct aan de noordelijke kant van de kruising is gesitueerd. Hij heeft geen teken gegeven dat hij naar links wilde afslaan.
2.3 [eiser] zag [gedaagde] en heeft hard geremd. (Alleen) [eiser] is op het fietspad ten val gekomen ter hoogte van de kruising Prins Alexanderlaan en Prinsenlaan. [eiser] heeft zijn heup gebroken bij de val en is op diezelfde dag, 8 november 2005, opgenomen in het IJssellandziekenhuis te Capelle aan den IJssel en geopereerd.
2.4 [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 13 februari 2006 aansprakelijk gesteld en vergoeding gevorderd van zijn geleden en te lijden (materiële) schade.
2.5 [gedaagde] heeft aansprakelijkheid ontkend.
3 De vordering
De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van smartengeld ten bedrage van € 12.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2005, tot vergoeding van volledig verlies aan arbeidsvermogen op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, € 2.389,04 aan overige schade, en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1 [gedaagde] heeft een verkeersfout begaan door linksaf te slaan zonder voorrang te verlenen aan [eiser]. [gedaagde] heeft onvoldoende oplettend deelgenomen aan het verkeer door zonder oog te hebben voor zijn omgeving een insturende beweging naar links te maken zonder daarbij richting aan te geven. Dit gedrag van [gedaagde] heeft er toe geleid dat [eiser] genoodzaakt was te remmen en daardoor ten val kwam.
3.2 Door de val heeft [eiser] blijvende lichamelijke beperkingen. Als gevolg daarvan heeft hij zijn baan verloren. Het verlies aan arbeidsvermogen kan nog niet worden vastgesteld en dient te worden berekend in de schadestaatprocedure.
3.3 [eiser] maakt aanspraak op smartengeld naar redelijkheid en billijkheid, gelet op de blijvende beperkingen, zijn leeftijd en de pijnklachten die hij ondervindt, alsmede het risico van langdurige werkloosheid.
3.4 [eiser] heeft de bijkomende schade begroot op € 2.389,04.
4 Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding met de verplichting dat [eiser] de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn indien hij niet binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis heeft betaald.
4.1 [gedaagde] betwist dat hij linksaf sloeg of een insturende beweging naar links maakte. Hij heeft ook niet op een andere wijze gevaarzettend aan het verkeer deelgenomen. Daarom is hij niet aansprakelijk.
4.2 Als er wel sprake zou zijn van een insturende beweging van [gedaagde], dan is dit niet de oorzaak van de val van [eiser]. Aan de zijde van [eiser] is sprake van eigen schuld.
4.3 [gedaagde] heeft voorts de gevorderde immateriële en materiële schade betwist.
5 De beoordeling
5.1 De rechtbank stelt voorop dat de vordering van [eiser] is gebaseerd op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Daarom is de eerste te beantwoorden vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ligt de stelplicht en bewijslast ter zake op [eiser].
5.2 In het kader van het onder 1.2 vermelde getuigenverhoor zijn twee getuigen, partijen zelf, gehoord. Partijen zijn bij dit voorlopig getuigenverhoor aanwezig en vertegenwoordigd geweest, zodat de daarbij afgelegde verklaringen ingevolge het bepaalde in artikel 192 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dezelfde bewijskracht hebben als waren zij in deze procedure afgelegd.
5.3 Wat betreft het gewicht dat de rechtbank aan deze getuigenverklaringen toekent geldt het volgende. [eiser] moet als partijgetuige worden aangemerkt, zodat zijn verklaring ingevolge artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. [gedaagde] is partij in deze zaak, maar nu zijn verklaring niet ziet op door hem te bewijzen feiten geldt de voorgaande beperking als bedoeld in artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor zijn verklaring, hetgeen niet wegneemt dat de rechtbank in aanmerking neemt dat [gedaagde] rechtstreeks belang heeft bij de uitkomst van deze zaak.
5.4 In het op 16 mei 2007 gehouden voorlopig getuigenverhoor verklaarde [eiser]:
“ Ik reed op 8 november 2005 om ongeveer 7 uur ’s morgens over de Prins Alexanderlaan te Rotterdam, richting de Oosterhof. Ik fietste daar op mijn mountainbike over een fietspad dat rijbanen in twee richtingen had. Mijn fiets was verlicht, het was donker.
Op enig moment naderde ik een grote kruising. Ik verminderde mijn snelheid van ongeveer 27 km/u naar 23 à 24 km/u en keek naar links en naar rechts. Het verkeerslicht stond voor mij op groen. Op een gegeven moment zag ik dat een fietser uit de tegenovergestelde richting op het fietspad op het kruispunt linksaf wilde slaan. Ik zag dat doordat hij voor hem naar links keek en begon met insturen. De fietser was op dat moment vier meter van mij verwijderd. Hij was nog wel op zijn eigen weghelft, maar gaf geen richting aan. Ik riep: "Pas op!", en maakte een scherp sturende beweging naar rechts en remde. Dat was het enige wat ik op dat moment nog kon doen. Vervolgens viel ik met mijn fiets op de grond. Ik voelde direct dat het niet goed was met mijn been. De tegenligger waarvan ik later begreep dat hij [gedaagde] heette, probeerde vervolgens de fiets van mij af te halen die nog boven op mij lag. Dat lukte eerst niet omdat mijn voet nog vast zat in de clip op het pedaal. Uiteindelijk is dit wel gelukt. Ik weet dat [gedaagde] toen tegen mij heeft gezegd: "Sorry, ik zag je niet." Ik weet niet of wij verder nog iets hebben besproken.
De politie is ter plaatse geweest, maar heeft pas een rapport over het voorval opgemaakt nadat daar van mijn kant expliciet om is verzocht. De verklaring die in dat rapport staat als zijnde mijn verklaring, betwist ik. Ik heb toen alleen aan de politie gevraagd om de gegevens van de tegenligger, die wilde ik namelijk aansprakelijk stellen. Ik ben uiteindelijk door een ambulance afgevoerd. Ik bleek mijn heup gebroken te hebben.”
5.5 [gedaagde] verklaarde ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor:
“Ik reed op 8 november 2005 rond 7 uur ’s ochtends vanuit de richting van de Oosterhof over de Prins Alexanderlaan in Rotterdam op mijn fiets. Ik weet niet met welke snelheid ik reed. Bij de grote kruising met de Prinsenlaan wilde ik linksaf slaan. Deze afslag bevindt zich voor het stoplicht. Op de kleur daarvan heb ik dus niet gelet. Op het moment dat ik af wilde gaan slaan, keek ik om mij heen of dat mogelijk was. Voordat ik een insturende beweging kon maken, gleed er links van mij een man met zijn fiets langs, deze riep: "Pas op!" Ik schok daar erg van. Ik heb vervolgens getracht de man, die op de grond lag te helpen door zijn fiets van hem af te halen. Ik kreeg daarbij hulp van twee omstanders. Dat bleek niet eenvoudig, maar het is uiteindelijk wel gelukt. Eén van de omstanders heeft toen blijkbaar de politie gebeld, want die kwamen ter plaatse. Het waren een man en een vrouw. Zij hebben het wegdek geïnspecteerd ter hoogte van de plaats waar de heer [eiser] moet zijn gevallen. Het was toen nat en glad en er lagen ook veel bladeren. De agenten hebben deze bladeren van het fietspad verwijderd. Ik heb geen rapport van de politie ontvangen.
Ik heb wel tegen [eiser] gezegd dat ik erg geschrokken was, maar ik heb niet gezegd: "Sorry, ik heb je niet gezien."
Overigens is het wel juist dat ik [eiser] niet heb waargenomen voordat hij langs mij kwam glijden. [eiser] bevond zich na zijn val voorbij het punt waar ik linksaf had willen slaan. Dat wil zeggen dat hij dichterbij de Oosterhof was dan het kruispunt.
Ik ben [eiser] in het ziekenhuis gaan bezoeken om te informeren hoe het met hem ging. Ik ben overigens werkzaam in datzelfde ziekenhuis. [eiser] is later nog op mijn werkplek verschenen om mij uit te maken voor leugenaar.”
5.6 Op 31 januari 2006 heeft [gedaagde] op een verzekeringsformulier van Ohra (productie 1 bij dagvaarding) op de vraag een beschrijving te geven van de toedracht van het voorval ingevuld:
“Ik wilde links afslaan, nog voor dit ging gebeuren kwam de heer [eiser] met hoge snelheid aanrijden, zelf denk ik dat de heer [eiser] bang was dat ik snel zou gaan afslaan naar links, hij ging daardoor net over de autoweg remmen. Helaas lag het daar vol met natte bladeren en viel onderuit en gleed langs mij heen. Dhr. [eiser] had daarbij de pech dat hij met zijn speciale schoen is blijven haken aan zijn trapper (= voor wielrenners). Hij heeft zijn val daardoor niet kunnen breken.”
Voorts is door [gedaagde] op het formulier een situatieschets getekend.
5.7 Overige bewijsmiddelen zijn door [eiser] niet voorgebracht.
5.8 Aan de zijde van [gedaagde] is nog gewezen op het door [persoon 1], brigadier van de politie, op 9 juni 2006 opgemaakte proces-verbaal en het daarbij, eveneens op 9 juni 2006 opgemaakte, behorende mutatierapport. De brigadier van de politie is volgens [gedaagde] na het voorval op de locatie gearriveerd.
[eiser] heeft aangegeven, en bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog eens onderstreept, dat hij niet met de agent heeft gesproken en het niet eens is met de inhoudelijke weergave.
5.9 Nu de agent eerst na de val is gearriveerd, dus de val van [eiser] niet zelf heeft waargenomen, het proces-verbaal eerst na ruim een half jaar na de val van [eiser] is opgemaakt, en [eiser] onbetwist heeft gesteld dat dit is gebeurd zonder dat hij de brigadier heeft kunnen vertellen wat volgens hem de toedracht van de val was, zal de rechtbank voor haar beoordeling geen acht slaan op het proces-verbaal.
5.10 De rechtbank bespreekt als eerste de stelling van [eiser] dat [gedaagde] een verkeersfout heeft begaan door linksaf te slaan zonder voorrang te verlenen aan [eiser] die als fietser naderde.
5.11 Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de bewijsmiddelen niet op te maken dat [gedaagde] linksaf sloeg.
[eiser] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat [gedaagde] nog op zijn eigen weghelft was. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij niet meer precies weet op welke helft van het fietspad [gedaagde] reed, maar dat [gedaagde] in ieder geval niet uiterst rechts reed. Uit deze verklaringen volgt niet dat [gedaagde] al daadwerkelijk linksaf sloeg.
[eiser] heeft er voorts op gewezen dat [gedaagde] op de situatieschets op het verzekeringsformulier van Ohra zijn route heeft weergegeven met een gestippeld lijntje met de pijl naar links. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de getekende weergave op het verzekeringsformulier niet dat [gedaagde] zich al op het andere deel van het fietspad bevond en dus al linksaf sloeg. Het getekende gestippelde lijntje houdt op waar de witte onderbroken strepen zich op het fietspad bevinden en de op de schets gegeven toelichting van [gedaagde], luidt: “Ik wilde links afslaan, nog voor dit ging gebeuren (…)”. Dit betekent dat ook uit de situatieschets niet volgt dat [gedaagde] al daadwerkelijk linksaf sloeg toen [eiser] hem naderde.
Nu er geen (andere) ondersteunende bewijsmiddelen aanwezig zijn, concludeert de rechtbank dat het bewijs van de juistheid van de stelling van [eiser] niet geleverd is.
5.12 Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] linksaf sloeg, is daarmee tevens de grond ontvallen aan het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] hem geen voorrang heeft verleend, dus [eiser] niet voor heeft laten gaan alvorens zelf naar links af te slaan (zie artikel 18 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990)).
5.13 [eiser] verwijt [gedaagde] voorts dat [gedaagde] zonder op te letten een insturende beweging heeft gemaakt, althans al (een stukje) naar links is gegaan, en daarbij geen richting heeft aangegeven. [eiser] had de indruk dat [gedaagde] niet erg op het verkeer lette en hem niet zag. Omdat [eiser] zag dat [gedaagde] naar links wilde, welke indruk achteraf ook juist bleek, is hij geschrokken en heeft hij hard geremd. [eiser] heeft in het bijzonder gewezen op de verklaring van [gedaagde] in het verzekeringsformulier dat hij linksaf wilde slaan, en op de door [gedaagde] op het formulier getekende situatieschets. Voorts heeft [eiser] er op gewezen dat [gedaagde] heeft verklaard dat hij [eiser] niet heeft waargenomen.
5.14 Van belang is het bepaalde in artikel 17 RVV 1990, dat luidt:
“1. Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:
a. (…)
b. Indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.
2. Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.”
Het RVV 1990 dient er toe de basisregels weer te geven waaraan men zich in het verkeer moet houden. Voor de nadere precisering zal het gedrag van de verkeersdeelnemer getoetst moeten worden aan de, in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) opgenomen, algemene verkeers- en veiligheidsnorm. Artikel 5 WVW 1994 bepaalt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
5.15 Uit hetgeen hiervoor onder 5.11 is overwogen blijkt dat [gedaagde] zich nog aan de (linker)zijde van zijn helft, dus nog aan het voor zijn kant bestemde deel, van het fietspad bevond. Gelet op het bepaalde in art. 17 RVV 1990 stond het [gedaagde] op zichzelf vrij om tegen de wegas links te houden.
5.16 De vraag is of [gedaagde] op dat moment al gehouden was richting aan te geven. Uit de tekst van het RVV 1990 volgt dat het teken tot afslaan (in het geval van fietsers met een arm) moet worden gegeven “alvorens af te slaan”. In de Nota van Toelichting op artikel 17 RVV 1990 is geen verdere precisering aangegeven van het moment waarop de bestuurder (in dit geval de fietser [gedaagde]) dit teken moet geven. Daarom moet aan de hand van de norm in artikel 5 WVW 1994 worden beoordeeld of [gedaagde] al gehouden was het teken tot afslaan te geven.
5.17 Naar het oordeel van de rechtbank kan het gedrag van [gedaagde] niet als onrechtmatige daad worden aangemerkt, maar is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. [gedaagde] heeft bij het voorlopig getuigenverhoor en ter comparitie verklaard dat hij wel naar links wilde afslaan, maar dat hij nog niet zover was. Op zichzelf zou het uitsteken van zijn arm naar links in een vroeg stadium wel wenselijk zijn geweest, omdat [eiser] dan gewaarschuwd zou zijn voor een manoeuvre van [gedaagde]. Het in dit vroege stadium achterwege laten van richting aangeven is daarmee nog niet onrechtmatig. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij zou anticiperen op een mogelijke (schrik)reactie van [eiser]. Aangenomen moet worden dat, ook al heeft [gedaagde] er geen blijk van gegeven [eiser] te hebben opgemerkt, ook de relatief hoge snelheid van [eiser] (volgens de verklaring van [eiser] had hij zijn vaart van ongeveer 27 km/u teruggebracht naar circa 23 à 24 km/u) en de plaatselijke gesteldheid van het fietspad (nat, met bladeren) bepalend zijn geweest voor het ontstaan van het ongeval. Dit oordeel wordt niet anders in het geval er sprake is van de door [eiser] ter comparitie gestelde tegenstrijdigheden in de verklaring van [gedaagde].
5.18 Uit het voorgaande volgt dat de vordering voor afwijzing gereed ligt, nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen bespreking meer.
5.19 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], waaronder het bijwonen van de voorlopig getuigenverhoren wordt begrepen. De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.
6 De beslissing
De rechtbank,
wijst af de vorderingen van [eiser];
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 330,- aan vast recht en op € 1.130,- aan salaris voor de advocaat;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt [eiser] voor het geval hij niet binnen veertien dagen na betekening aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,-- aan nakosten, verhoogd met € 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt;
verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Helmich.
Uitgesproken in het openbaar.
2075/1694