Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1275

Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.620031-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

ontvankelijkheid OM, bewijs, schakelbewijs, gemotiveerde vrijspraak


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer Parketnr. : 07.620031-08 Uitspraak: 29 juni 2009 Vonnis in de zaak van: het openbaar ministerie tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] wonende te [adres] thans gedetineerd in de PI Flevoland, HvB Lelystad. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2009 en 15 juni 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.L. Burgers, advocaat te Utrecht. De officier van justitie, mr. D. Sarian, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 tot en met 6 primair, 7, 8 en 9 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging) VOORVRAGEN Door de raadsman van verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De beginselen van een goede procesorde zijn met voeten getreden, nu zich in het dossier geen rapportage bevindt van de foto-video observaties die hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen. BEWIJS Feiten 2,3,4,5 en 6 Ten aanzien van de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank dat zich in het strafdossier de volgende bewijsmiddelen bevinden. In de eerste plaats bevinden zich in het dossier ten aanzien van de voornoemde feiten de aangiftes van de diverse winkels/bedrijven. In de tweede plaats de resultaten van de peilbakengegevens waaruit volgt dat de toen op naam van één van de medeverdachten staande auto zich in de buurt van de plaats delict heeft bevonden op of rond het tijdstip van de inbraken. De rechtbank overweegt dat deze gegevens echter geen bewijs opleveren voor de aanwezigheid van verdachte in de auto op die tijdstippen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, zelfs al zou vast komen te staan dat verdachte zich op die momenten in de betreffende auto zou hebben bevonden, dit niet het bewijs oplevert voor zijn aanwezigheid op de plaats delict ten tijde van de betreffende strafbare feiten en/of van zijn betrokkenheid bij deze strafbare feiten. In de derde plaats is er ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 2, 3, 4, 5 en 6 beeldmateriaal beschikbaar, afkomstig van beveiligingscamera’s van andere plaatsen (tankstations) dan de plaats delict, opgenomen (kort) voor of na de tijdstippen waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. Op dit beeldmateriaal wordt verdachte door één of meer politiefunctionarissen herkend. De rechtbank overweegt dat ook dit echter onvoldoende bewijs oplevert, op zichzelf noch in samenhang met voornoemde peilbakengegevens, voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict ten tijde van de betreffende strafbare feiten en van betrokkenheid bij deze strafbare feiten. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om te komen tot een bewezenverklaring van de onder 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, zodat verdachte van deze feiten zal worden vrijgesproken. Feit 1 Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder 1 is er, naast de aangifte, beeldmateriaal beschikbaar afkomstig van de beveiligingscamera’s op de plaats delict, waarop verdachte door politiefunctionarissen wordt herkend. Dit beeldmateriaal dateert echter van enkele dagen vóór de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en hieruit kan mitsdien hooguit worden geconcludeerd dat verdachte zich daags vóór het strafbare feit in de betreffende winkel van het Shell-tankstation heeft bevonden. Voorts bevindt zich in het dossier een rapport van het DNA-onderzoek op het speeksel dat is aangetroffen op een blikje Red-bull dat op 8 november 2007 is gevonden in de bosjes nabij de plaats delict. Uit dat onderzoek volgt dat het aangetroffen DNA-materiaal overeenkomt met DNA van verdachte. Onduidelijk is echter hoe dit blikje in de bosjes bij het plaats delict terecht is gekomen en hoelang dit er al heeft gelegen, zodat dit geen bewijs op kan leveren voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict ten tijde van de inbraak. Ander bewijsmateriaal ontbreekt zodat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Feit 7 Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. Op 29 april 2008 is namens Super de Boer te Nijmegen aangifte gedaan van een inbraak in de nacht van 28 op 29 april 2008. Via het dak is men de supermarkt binnen gekomen en in de winkel is het alarmsysteem onklaar gemaakt door de telefoonkabels door te knippen. Bij de inbraak zijn kasgeld, strippenkaarten, waardebonnen, postzegels en videoapparatuur buit gemaakt. Op 29 april 2008 is in de Super de Boer onderzoek verricht door de technische recherche. Op de vloer van de winkelruimte en op de deur van het kantoor zijn bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld. De bloedsporen zijn voor onderzoek verzonden naar het NFI. Het NFI heeft, blijkens haar rapport van 23 juli 2008, vastgesteld dat het DNA-profiel van dit spoor afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij de berekende frequentie (dat wil zeggen de kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon matcht met het DNA in dit spoor) kleiner is dan één op één miljard. Namans verdachte is door zijn raadsman aangevoerd dat verdachte wellicht weleens in deze supermarkt is geweest en daarbij bloed zou kunnen hebben achtergelaten. Gezien echter de woonplaats van verdachte (Utrecht) en de plaats waar de supermarkt zich bevindt (Nijmegen), in samenhang met de plaats van de aangetroffen sporen (onder andere op de deur van het kantoor), acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk. Gelet op genoemde uitkomst van het DNA-onderzoek en binnen de hierboven genoemde context, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de inbraak bij de Super de Boer betrokken heeft gepleegd. Dat er sprake is geweest van meerdere daders, acht de rechtbank echter niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte van het tenlastegelegde medeplegen zal worden vrijgesproken. Feit 8 Op 10 januari 2009 is door bouwmarkt Hornbach te Nieuwegein aangifte gedaan van diefstal van een beitel. Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat door 2 beveiligingsbeambtes van deze winkel is gezien dat een man een goed uit het schap pakt en onder zijn jas verbergt, daarbij afgeschermd door een andere man. Nadat de mannen de kassa’s zonder af te rekenen zijn gepasseerd, wordt één van de mannen door de beveiliging van Hornbach aangehouden en overgedragen aan de politie. Deze man blijkt later verdachte [verdachte] te zijn. De beelden van de bewakingscamera zijn hierna door een tweetal verbalisanten bekeken. Verbalisant Steenbergen heeft waargenomen dat verdachte een beitel onder zijn jas heeft verstopt . Verbalisant Heskamp heeft daarbij waargenomen dat verdachte een voorwerp in zijn handen houdt ,dat hij vervolgens wordt afgeschermd door een tweede persoon en hierna dat verdachte het voorwerp niet meer in zijn handen heeft terwijl hij het nergens heeft neergelegd. Tevens is daarbij waargenomen dat verdachte na het passeren van de kassa’s terug de winkel in rent en daarbij een beitel van zich afgooit. De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een beitel, toebehorende aan de Hornbach, heeft weggenomen. Van onverklaarbare tegenstrijdigheden in de verschillende verklaringen, zoals door de raadsman betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Door de officier van justitie is, ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 7, nog aangevoerd dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het feit, zoals tenlastegelegd onder 7, kan wettig en overtuigend worden bewezen worden verklaard, zoals hierboven is overwogen. Echter ten aanzien van dit feit (zaaknummer 30) bevinden zich in het dossier, in tegenstelling tot de feiten 1 tot en met 6, geen peilbakengegevens of herkenningen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat zowel bij feit 7 als bij de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten de panden zijn betreden via een gat in het dak, niet voldoende is om via een schakelbewijsconstructie tot de bewezenverklaring van al deze feiten te komen. Immers, dit is een modus operandi, die in zijn algemeenheid bij meer inbraken wordt toegepast. Feit 9 De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder 9 genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 7 en 8 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: (volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding) Van het onder 7 en 8 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID Het bewezene levert op: 7. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, strafbaar gesteld bij artikel 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 8. Diefstal door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen Mercedes met kenteken [XX-XX-XX], aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal de benadeelde partijen Top 1 Toys Urk en Beter Bed B.V. niet ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, nu zij de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 en 6 ten laste gelegde. WETTELIJKE BEPALINGEN De oplegging van straf of maatregel, is behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het onder 1 tot en met 6 en 9 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het onder 7 en 8 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar. Het onder 7 en 8 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf . De rechtbank gelast de teruggave van de Mercedes met kenteken [XX-XX-XX] aan verdachte. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen Top 1 Toys Urk en Beter Bed B.V. in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn. Aldus gewezen door mr. C.E. Buitendijk, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en L.G. Wijma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2009.