Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1239

Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Roermond
ZaaknummersAwb 09 / 843
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Het Centraal Opvang Orgaan Asielzoekers (COA) wenst in het kader van de Tijdelijke Noodvoorziening Vreemdelingen (TNV) de opvang van vreemdelingen te realiseren door hen onder te brengen in een hotel. Omdat het inrichten en het (laten) gebruiken van het perceel en pand voor de opvang van vreemdelingen volgens verweerder in strijd is met het vigerende en toekomstige bestemmingsplan, heeft verweerder een preventieve last onder dwangsom opgelegd aan het COA en aan de (voormalige) eigenaar van het hotel. De voorzieningenrechter komt op grond van het wettelijk kader en de weergegeven feiten en omstandigheden tot het voorlopig oordeel dat het onderbrengen van vreemdelingen in het hotel, zoals het COA voor ogen staat, niet in strijd is met de bepalingen van de bestemmingsplannen. De opvang van vreemdelingen verdraagt zich met de vigerende bestemming “Maatschappelijke doeleinden”, meer in het bijzonder de subbestemming “welzijnsdoeleinden”. Het begrip “welzijndoeleinden” is in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd. Nu de term welzijnsdoeleinden algemeen en ruim is, betekent dit dat hieronder een grote variëteit aan diensten aan een even grote variëteit aan doelgroepen kan worden verstaan en is de opvang van vreemdelingen daar onder te scharen. De opvang van de vreemdelingen past ook in de bestemming “Horeca” als gedefinieerd in het toekomstige bestemmingsplan. De rechter is niet gebleken dat beschikbare capaciteit van het hotel niet meer in redelijke verhouding staat tot het aantal onder te brengen vreemdelingen, er zodanige substantiële aan de horeca wezensvreemde activiteiten plaatsvinden dan wel zodanig buitenproportionele invloed op de omgeving te duchten valt, dat dit niet meer met de aard en ruimtelijke uitstraling van de horecabestemming in overeenstemming is. Dat dit te verwachten is, is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken. Immers door verweerder zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen die daartoe doen concluderen. Daarbij komt dat verweerder ook niet in overleg is getreden met de eigenaar, de exploitant(en) en het COA om de feiten nader te bezien en te bepalen welke randvoorwaarden er eventueel hebben te gelden en welke grenzen in redelijkheid in acht genomen dienen te worden. Verweerder kan de feiten in het kader van de te nemen beslissing op bezwaar nog nader onderzoeken. Daarbij gaat de rechter er van uit dat verzoekster, de exploitanten, de eigenaar en het COA verweerder zonodig alle relevante informatie verstrekken om de situatie te kunnen beoordelen. In dit kader is nog van belang dat het COA ter zitting heeft verklaard – weliswaar om andere reden, te weten draagvlak in het dorp – bereid te zijn eventueel minder vreemdelingen onder te brengen in het hotel, waarbij zij het getal van 190 heeft genoemd. Ook heeft zij aangegeven haar bijdrage te willen leveren aan maatregelen ter voorkoming van eventuele overlast. De Stichting Dorpsraad Tienray noemt in de stukken - in ander verband – overigens ook het getal van 190. Tenslotte overweegt de rechter nog dat haar verder niet is gebleken dat verzoekster zelf exploitatieactiviteiten of anderszins eigenstandige activiteiten verricht in het hotel. Immers door het BB/H Hotel en St. Joseph Hotel BV wordt de “bed, bad en brood”-voorziening ten behoeve van de vreemdelingen verzorgd. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Derhalve kan verzoekster op grond van de thans bekende feiten niet worden tegengeworpen genoemde voorschriften te hebben overtreden. In het geval de rechter tot de conclusie was gekomen dat in strijd was gehandeld met (een van) de bestemmingsplannen, dan zouden BB/H Hotel en St. Joseph Hotel BV en de eigenaar daarmee in strijd hebben gehandeld.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Sector bestuursrecht Procedurenummer: AWB 09 / 843 Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake [eigenaar] te Wijhe, verzoekster, gemachtigde mr. [raadsvrouw] tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meerlo-Wanssum, verweerder. 1. Procesverloop 1.1. Bij besluit van 11 juni 2009 heeft verweerder aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd. 1.2. Tegen dit besluit is door verzoekster bij schrijven van 17 juni 2009 is een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. 1.3. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb zijn [hotel], de [dorpsraad] en de heer [buurman] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Tevens is het Centraal Opvang Orgaan Asielzoekers (COA) belanghebbende in onderhavige zaak. 1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan partijen gezonden. 1.5. Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 juni 2009, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening van het COA (zaaknummer 09/ 796). Namens verzoekster is mr. [raadsvrouw] verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger 1], mr. [vertegenwoordiger 2], J. Hahn (burgemeester), mr. [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 4]. Namens belanghebbende COA zijn mr. [gemachtigde 1], mr. [gemachtigde 2], [gemachtigde 3], [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5] verschenen. Namens [hotel] waren [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] aanwezig. De [dorpsraad] heeft zich laten door haar voorzitter [heer 1] en door [heer 2]. Tenslotte was [buurman], mede namens andere omwonenden, aanwezig. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst, in de zin dat er afzonderlijk uitspraak wordt gedaan. 2. Overwegingen 2.1. Het COA wenst in het kader van de Tijdelijke Noodvoorziening Vreemdelingen (TNV) de opvang van (in beginsel 250) vreemdelingen te realiseren door hen onder te brengen in het hotel aan de [adres] te [plaats], dat eigendom was van verzoekster. 2.2. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op het besluit van verweerder van 11 juni 2009, inhoudende een preventieve last onder dwangsom. 2.3. In dit besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het inrichten en het (laten) gebruiken van het perceel en pand aan de [adres] te [plaats] voor de opvang van vreemdelingen in strijd is met planvoorschrift 21, eerste lid, van het bestemmingsplan “Kern [plaats]” en – na inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Kloosterrein [plaats]” – in strijd is met het bepaalde in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 2.4. Verzoekster wordt de preventieve last opgelegd om na dagtekening van de dwangsombeschikking, het perceel en het pand [adres] te [plaats] niet in te richten en te (laten) gebruiken voor opvang van vreemdelingen, onder verbeurte van een dwangsom van € 750.000,- (zegge: zevenhonderdvijftig duizend euro) in eens aan de gemeente Meerlo-Wanssum. 2.5. Voornoemd besluit is mede naar aanleiding van een handhavingsverzoek van de [dorpsraad] en [buurman] ([weg]) genomen. 2.6. Ingevolge het bestemmingsplan “Kern [plaats]” geldt voor het perceel, kadastraal bekend Gemeente Meerlo-Wanssum, [naam sectie], plaatselijk bekend [adres] te [plaats], de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”. Planvoorschrift 4, eerste lid, van dit bestemmingsplan bepaalt: “De gronden op de plankaart aangewezen voor “Maatschappelijke doeleinden M”, zijn bestemd voor religieuze, onderwijs- en welzijnsdoeleinden.” 2.7. Ter zitting is gebleken dat voor het voormalige kloostergebouw aan de [adres] te [plaats], vrijstelling is verleend op grond van artikel 19, eerste lid van de inmiddels vervallen Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) om de bestemming horeca aldaar mogelijk te maken. 2.8. Ingevolge planvoorschrift 21, eerste lid, van het vigerend bestemmingsplan is het verboden de bouwwerken te gebruiken, danwel te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming. 2.9. Ingevolge het nieuwe, ten tijde van verweerders besluitvorming nog niet in werking getreden bestemmingsplan “Kloosterrein [plaats]” geldt voor de betreffende locatie de bestemming “Horeca”. 2.9.1. In artikel 5 van de bestemmingsplanregels van bedoeld bestemmingsplan is – voor zover hier relevant – onder 5.1 bepaald dat:“de voor “Horeca” aangewezen gronden bestemd zijn voor: a. horeca, overeenkomstig de categorie 2 en 5: met de daarbij behorende: b. terrassen; c. wegen en paden; d. groenvoorzieningen; e. parkeervoorzieningen.” 2.9.2. In artikel 1, onder 27 van de bestemmingsplanregels van dit bestemmingsplan wordt onder horeca verstaan: “het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/ of etenswaren en/ of logies. “ 2.9.3. Onder “Horeca, categorie 2” wordt verstaan; “een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden. Daaronder worden begrepen: broodjeszaken, lunchroom, konditorei, koffie- en of theeschenkerij, restaurant.” 2.9.4. Onder “Horeca, categorie 5” wordt verstaan; een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf. Daaronder worden begrepen; hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers. 2.10. In hoofdstuk 6 “Juridische opzet bestemmingsplan” van het bestemmingsplan “Kloosterterrein [plaats]” is onder 6.3 “Beschrijving per bestemming” onder “Horeca” – voor zover hier relevant – het volgende vermeld: “Deze bestemming is gegeven aan het voormalige kloostergebouw, waarin reeds een hotel/restaurant is gevestigd. Middels deze bestemming wordt de huidige functie positief bestemd. Er wordt binnen deze bestemming horeca toegestaan in de horeca categorieën 2 (o.a. restaurant) en 5 (o.a. hotel).” 2.11. Op grond van artikel 7.10 van de Wro is het, voor zover hier relevant, verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met een bestemmingsplan, een projectbesluit daaronder begrepen. Het oordeel van de voorzieningenrechter 2.12. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.13. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.14. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. 2.15. Nu de rechter aan de zijde van verzoekster een spoedeisend belang niet kan uitsluiten, dient de vraag te worden beantwoord of het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak. 2.16. Of de omwonenden als belanghebbenden in deze zaak moeten worden aangemerkt, is de vraag, nu niet nader geconcretiseerd is wie die omwonenden zijn. De rechter laat het antwoord op deze vraag thans in het midden. Verweerder zal zich daarover in de beslissing op bezwaar nader moeten uitlaten. 2.17. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet, in verbinding met artikel 5:21 van de Awb, heeft het gemeentebestuur de bevoegdheid met bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. In artikel 5:32 van de Awb is bepaald dat het orgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen niet verzet. 2.18. Als er gevaar is van een overtreding, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden, en voldaan wordt aan de voorwaarde dat die overtreding in het besluit kan worden omschreven met een mate van duidelijkheid die uit het oogpunt van rechtszekerheid is vereist, kan een preventieve last onder dwangsom worden opgelegd (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 januari 2006, AB 2006, 229 en 11 januari 2006, AB, 2006, 240). 2.19. De rechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of het handelen terzake waarvan een dwangsom wordt opgelegd in strijd is met een wettelijk voorschrift. Immers, in geschil is of de tijdelijke opvang van vreemdelingen in het hotel aan de Kloosterstaat 10 te [plaats], zoals het COA dat voor ogen staat, zich verdraagt met het bepaalde in het vigerende en het nieuwe bestemmingsplan. 2.20. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.20.1. Het voormalig kloostergebouw is sinds eind 2006 als hotel in gebruik en wordt sindsdien (feitelijk) geëxploiteerd door [hotel]. Het hotel heeft 68 kamers en ter zitting is namens de vertegenwoordigers van het hotel aangegeven dat het hotel de capaciteit heeft om minimaal 250 personen onder te brengen. Verder is ter zitting van de zijde van het hotel aangegeven, dat het hotel beschikt over een recreatieruimte en dat de kapel die thans wordt gebruikt door de verenigingen in het dorp, voor dit doel beschikbaar blijft. 2.20.2. Het kloostergebouw was (sinds 28 februari 2008) in eigendom van verzoekster. Verzoekster maakt deel uit van de [Groep]. De eigendom van het kloostergebouw is overgegaan op een andere, eveneens tot de [Groep] behorende vennootschap die meer gericht is op vastgoed. Wanneer deze eigendom is overgegaan, is ter zitting niet komen vast te staan. Verzoekster is thans geen eigenaar meer. De rechter gaat er vooralsnog van uit, dat dit ten tijde van het nemen van de dwangsombeschikking wel het geval was. 2.20.3. De eveneens aan [naam] gelieerde [hotelgroep]. (hierna; [hotelgroep]) is de exploitant van het hotel; zij biedt nachtverblijf aan door het verhuren van kamers, zij serveert maaltijden, zij beheert het kloostergebouw, maakt dit schoon en zorgt voor een veilige omgeving. [hotelgroep] B.V. heeft de daadwerkelijke exploitatie uitbesteed aan [hotel]. 2.20.4. Het COA dient – voor zover in dit kader relevant – te voorzien in de tijdelijke opvang van vreemdelingen, alvorens deze vreemdelingen doorgaan naar een Asielzoekerscentrum dan wel terugkeren naar het land van herkomst. Tijdelijk in dit verband varieert van enkele dagen tot ten hoogste enkele maanden. De tijdelijk opvang bestaat er uit dat de vreemdelingen worden voorzien van “bed, bad, en brood”. Het gaat in casu om in beginsel 250 vreemdelingen. 2.20.5. Het COA wenst die tijdelijke opvang te realiseren door de vreemdelingen onder te brengen in het hotel aan de [adres] te [plaats]. Tussen het COA en [hotelgroep] is in dit kader een overeenkomst gesloten waarbij zij overeengekomen zijn dat het hotel voor de duur van 2 jaar wordt “geboekt” door het COA voor het onderbrengen van de onder haar verantwoordelijkheid vallende – telkens andere – vreemdelingen. Het contract kent een verlengingsmogelijkheid van één jaar. Voor de hoteldiensten is een marktconforme prijs overeengekomen. [hotel]. zal in opdracht van [hotelgroep] de feitelijke werkzaamheden verrichten en heeft zelf geen contractuele relatie met het COA. In het hotel zullen overdag ten dienste van de vreemdelingen 2 medewerkers van het COA aanwezig zijn. Het vigerend bestemmingsplan “Kern [plaats]” 2.21. Ten aanzien van de gestelde strijd met het vigerend bestemmingsplan “Kern [plaats]” overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 2.21.1. Verweerder heeft geconcludeerd tot strijd met het (vigerende) bestemmingsplan “Kern [plaats]” omdat het gebruikt van het hotel voor het tijdelijk onderbrengen van vreemdelingen zich niet verdraagt met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”, meer in het bijzonder niet met de subbestemming “welzijnsdoeleinden”. 2.21.2. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder desgevraagd aangegeven dat de vrijstelling voor het hotel op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO in het bestreden besluit niet in aanmerking is genomen, omdat het volgens verweerder evident is dat de tijdelijke opvang zich niet verdraagt met deze vrijstelling. 2.21.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu het voormalig kloostergebouw reeds op grond van de vrijstelling gebruikt mag worden voor horecadoeleinden, het op de weg van verweerder had gelegen zich er expliciet over uit te laten of het tijdelijk onderbrengen van de vreemdelingen, zoals het COA dat voor ogen staat, zich met deze vrijstelling verdraagt. Dit klemt te meer nu de functie van het hotel, zoals in overweging 2.10 is aangegeven, in het (nieuwe) bestemmingsplan “Kloosterterrein [plaats]” positief wordt bestemd. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een kenbare motivering. 2.21.4. Het vorenstaande betekent ook dat de vraag of het tijdelijk onderbrengen van vreemdelingen in het hotel, zoals het COA voor ogen staat, zich verdraagt met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”, meer in het bijzonder met de subbestemming “welzijnsdoeleinden” eerst aan de orde is in het geval geconcludeerd moet worden dat het tijdelijk onderbrengen van vreemdelingen in het hotel in strijd is met de verleende vrijstelling voor het hotel. 2.21.5. Nu informatie over de vrijstelling niet is overgelegd, kan de voorzieningenrechter over de verenigbaarheid met de vrijstelling niet oordelen. De rechter wijst er op dat hetgeen hierna wordt overwogen over de bestemming “Horeca” in het nieuwe bestemmingsplan “Kloosterterrein [plaats]”, afhankelijk van de inhoud van de vrijstelling, mogelijk relevant is voor de beoordeling van de vraag of het onderbrengen van vreemdelingen in het hotel verenigbaar is met de vrijstelling. 2.21.6. Wat betreft de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”, meer in het bijzonder de subbestemming “welzijnsdoeleinden” – voor zover dat aan de orde komt – overweegt de voorzieningenrechter dat het begrip “welzijndoeleinden” niet nader in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Nu de term welzijnsdoeleinden algemeen en ruim is, betekent dit dat hieronder een grote variëteit aan diensten aan een even grote variëteit aan doelgroepen kan worden verstaan. 2.21.7. “Opvang van vreemdelingen” is daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder te scharen. Dat het voorzien van de vreemdeling van “bed, bad en brood” niet diens “welzijn” zou dienen, zoals verweerder heeft betoogd, kan de voorzieningenrechter niet volgen, nu het immers mensen betreft die hun have en goed hebben verlaten en vaak lange omzwervingen achter de rug hebben, zodat hun welzijn gediend zal zijn met “een dak boven hun hoofd”. 2.21.8. De voorzieningenrechter merkt nog op dat de taakomschrijving van het COA in dit kader niet bepalend is. Gelet echter op hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, valt verder niet te ontkennen dat deze taak (ook) een welzijnsdoel impliceert. 2.21.9. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat “opvang van vreemdelingen” zich verdraagt – voor zover al aan de orde – met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”, meer in het bijzonder met de subbestemming “welzijnsdoeleinden” in het vigerend bestemmingsplan. Het bestemmingsplan “Kloosterterrein [plaats]” 2.22. Wat betreft de vraag of het tijdelijk onderbrengen van vreemdelingen in het hotel, zoals het COA voor ogen staat, zich verdraagt met de bestemming “Horeca” in het nog niet in werking getreden bestemmingsplan “Kloosterterrein [plaats]” overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 2.22.1. Allereerst overweegt de rechter naar aanleiding van het verzoek van verweerder de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening, aan te houden totdat de Afdeling op het verzoek om voorlopige voorziening van het COA in het kader van de bestemmingsplanprocedure heeft beslist, als volgt. Het feit dat het COA een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend tegen dit bestemmingsplan, en dit bestemmingsplan daardoor nog niet in werking is getreden, is geen belemmering voor de voorzieningenrechter zich uit te laten over voornoemde vraag. Verweerders besluit is immers gebaseerd op ditzelfde nog niet in werking getreden bestemmingsplan in de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd in werking zal treden. Deze situatie doet zich thans nog steeds voor. Het verzoek om aanhouding wordt dan ook afgewezen. 2.22.2. Gezien het bepaalde in artikel 5 in verbinding met artikel 1, onder 27 van de bestemmingsplanregels van dit bestemmingsplan – met name gezien hetgeen onder “Horeca, categorie 5” verstaan wordt – is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aanbieden van een “bed, bad en brood”-voorziening gedurende enkele dagen tot enkele maanden aan vreemdelingen door de exploitant, zich in beginsel verdraagt met de bestemming “Horeca”. In wezen is dit immers niet anders dan dat door een exploitant van een horeca-inrichting voor korte of langere tijd (soms jaren achtereen) een (deel van een) hotel of een contingent kamers verhuurd wordt aan een en dezelfde reisorganisatie ten behoeve van diens (steeds wisselende) reisgezelschappen. 2.22.3. Dit kan anders zijn in het geval dat de beschikbare capaciteit van het hotel niet meer in redelijke verhouding staat tot het aantal onder te brengen vreemdelingen, er zodanige substantiële aan de horeca wezensvreemde activiteiten plaatsvinden dan wel zodanig buitenproportionele invloed op de omgeving te duchten valt, dat dit niet meer met de aard en ruimtelijke uitstraling van de horecabestemming in overeenstemming is. Een vergelijking met een asielzoekerscentrum gaat in casu niet op. 2.22.4. Dat deze situatie is te verwachten, is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken. Immers door verweerder zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen die daartoe doen concluderen. Daarbij komt dat verweerder ook niet in overleg is getreden met verzoekster, de exploitant(en) en het COA om de feiten nader te bezien en te bepalen welke randvoorwaarden er eventueel hebben te gelden en welke grenzen in redelijkheid in acht genomen dienen te worden. 2.22.5. Verweerder kan de feiten in het kader van de te nemen beslissing op bezwaar nog nader onderzoeken. Daarbij gaat de rechter er van uit dat verzoekster, dan wel de nieuwe eigenaar, de exploitanten en het COA verweerder zonodig alle relevante informatie verstrekken om de situatie te kunnen beoordelen. In dit kader is nog van belang dat het COA ter zitting heeft verklaard – weliswaar om andere reden, te weten draagvlak in het dorp – bereid te zijn eventueel minder vreemdelingen onder te brengen in het hotel, waarbij zij het getal van 190 heeft genoemd. Ook heeft zij aangegeven haar bijdrage te willen leveren aan maatregelen ter voorkoming van eventuele overlast. De [dorpsraad] noemt in de stukken - in ander verband – overigens ook het getal van 190. 2.23. Op grond van vorengenoemd wettelijk kader en weergegeven feiten en omstandigheden komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het onderbrengen van vreemdelingen in het hotel zoals het COA voor ogen staat, niet in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan en dat door verzoekster geen overtreding dreigt te worden gepleegd van de verleende vrijstelling, planvoorschrift 21, eerste lid van het vigerende bestemmingsplan en/ of artikel 7.10 van de Wro, zodat niet vast is komen te staan dat verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 125 van de Gemeentewet, in verbinding met de artikelen 3:2, 5:21, 5:32 en 7:12 van de Awb genomen. Wat door verweerder is aangevoerd, kan niet tot een ander (voorlopig) oordeel leiden. 2.24. Op voorhand staat allerminst vast staat dat nader feitenonderzoek, belangenafweging en nadere motivering leiden tot bevoegdheid tot handhavend optreden. Gelet hierop is de rechter van oordeel dat het belang van verzoekster en het COA bij de gevraagde schorsing zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder en de andere belanghebbenden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening komt voor inwilliging in aanmerking. 2.25. Tevens ziet de rechter voldoende aanleiding om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, welk artikel in artikel 8:84, vierde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, te veroordelen in de door verzoekster in verband met dit verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Bij de vaststelling van de kosten met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht is voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen 2 punten toegekend en is het gewicht van de zaak bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar; veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster, begroot op EUR 644, , te vergoeden door verweerders gemeente; bepaalt dat verweerders gemeente aan verzoekster het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 297,- volledig vergoedt. Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2009. w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs, griffier w.g. mr. C.M.W. Nobis, voorzieningenrechter Voor eensluidend afschrift: de griffier, verzonden op: 1 juli 2009 Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.