
Jurisprudentie
BJ1229
Datum uitspraak2009-05-20
Datum gepubliceerd2009-07-20
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.733.01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-20
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.733.01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herstel van het gezamenlijk gezag in hoger beroep geen optie: de ouders willen - ook in de toekomst - niet met elkaar communiceren zonder begeleiding.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 20 mei 2009
Zaaknummer :105.012.733.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-8626
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S. F. van der Valk,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. A. J. Beers.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 26 februari 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 5 december 2007.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 9 maart 2009 de raadsrapportage van 29 augustus 2007 aan het hof doen toekomen.
Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid heeft bij faxbericht van 30 maart 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Op 1 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. F.C. Frederiks, advocaat te Zwijndrecht, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, is verschenen mevrouw T. Philippart en Bureau Jeugdzorg is niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van een pleitnotitie. De hierna nader te noemen minderjarige [kind 2] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling zijn mening ten aanzien van het gezag kenbaar te maken.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de vader belast met het eenhoofdig gezag over na te noemen minderjarigen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de wijziging van gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag, uitgeoefend door de vader, over de minderjarigen:
[kind 1], geboren [in ] 1998 te [woonplaats] en
[kind 2], geboren [in] 1996 te [woonplaats], hierna: de minderjarigen.
2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk door de ouders uitgeoefende gezag over de minderjarigen alsnog af te wijzen.
3. De vader bestrijdt het beroep.
4. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vader geen drugs meer gebruikt en dat zij er niet in geslaagd is haar drugsgebruik volledig uit haar leven te bannen. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat niet zij, maar de vader nog steeds drugs gebruikt en dat daartoe regelmatig een dealer bij hem aan huis komt. Zij verzoekt daarom de raad opnieuw een onderzoek in te doen stellen. Om die reden stelt de moeder ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gevolg van het gezamenlijk gezag zou zijn dat de vader door de moeder met zijn oude leven wordt geconfronteerd op een wijze, die het voor de kinderen onaanvaardbare risico zou opleveren dat de vader met een onnodige kans op terugval te maken zou krijgen. De moeder verzet zich voorts tegen het feit dat de vader alleen is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Zij stelt dat het advies van de raad op onjuiste gronden is gegeven daar het is gebaseerd op zijn rapport dat een groot aantal verouderde en/of onjuiste gegevens bevat. De moeder stelt dat zij haar leven sinds medio 2006 weer op de rails heeft gekregen. Zij gebruikt geen drugs meer, heeft een vaste woning, een stabiele relatie en een baan waardoor zij haar schulden kan aflossen. Ook heeft zij regelmatig contact met de kinderen en dit verloopt goed. Zij wil echter geen contact met de vader en wil graag dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag begeleid wordt door een instantie.
5. De vader benadrukt dat het nog niet goed genoeg gaat voor wat betreft de contacten tussen enerzijds de moeder en de kinderen en anderzijds tussen de moeder en hem. Hij is bang dat er problemen zouden kunnen ontstaan als de moeder weer mede het gezag over de kinderen zou krijgen. Het gaat nu goed met de kinderen, de vader heeft het leven van de kinderen onder controle. Dit wordt zowel door de school als door Jeugdzorg beaamd. De vader voorziet echter problemen in de toekomst als de moeder weer belast zou worden met het gezag over de kinderen en noemt daarbij het voorbeeld van de schoolkeuze en alle zaken die daarbij komen kijken. De moeder is namelijk niet gemakkelijk bereikbaar en heeft bovendien een heel ander beeld voor ogen over de opvoeding van de kinderen dan de vader. Voorts stelt de vader dat hij bereid is toe te werken naar een goed contact tussen hem en de moeder en de moeder en de kinderen, maar wil daar graag structurele afspraken over maken. Het contact zoals het nu loopt vindt hij onbetrouwbaar en niet in het belang van de kinderen.
De vader ontkent dat hij drugs heeft gebruikt sinds de uithuisplaatsing van de kinderen in 2002. Voor wat betreft het drugsgebruik van de moeder heeft hij twijfels. Verder is hij van mening dat de raad een duidelijk en deugdelijk rapport heeft opgesteld en dat er nu geen nieuwe feiten zijn waarmee de raad rekening had kunnen houden.
6. De raad concludeert in zijn onderzoeksrapport – kort samengevat – dat uit het raadsonderzoek is gebleken dat er met de moeder geen betrouwbare afspraken te maken zijn en dat het, doordat de verblijfplaats van moeder onduidelijk is, in het belang van de kinderen is dat de vader belast moet zijn met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De moeder lijkt niet in staat om op een voor de kinderen verantwoorde manier haar ouderlijk gezag uit te oefenen. De raad heeft vastgesteld dat het in het belang van de kinderen is dat zij bij hun vader blijven wonen. Naast het feit dat dit de wens van de kinderen is, heeft de vader de afgelopen jaren bewezen dat hij hun veiligheid en bescherming kan bieden. Ten slotte heeft de raad geconcludeerd dat er ernstige bezwaren zijn tegen een omgangsregeling tussen de kinderen en hun moeder. Op het moment dat moeder daadwerkelijk, casu quo aantoonbaar bereid is om haar leven in positieve zin te veranderen zou kunnen worden onderzocht of een vorm van omgang mogelijk is. Gezien de reële angsten van de kinderen, zal de omgang in dat geval moeten worden begeleid. Ter zitting voert de raad aan het van groot belang te vinden dat de vader en de moeder elkaar respecteren, maar dat er geen wederzijds respect is te zien tussen hen. Ook ziet de raad geen meerwaarde in een nieuw raadsonderzoek zoals door de moeder verzocht.
7. Het hof stelt voorop dat met betrekking tot het ouderlijk gezag de wet onlangs gewijzigd is. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, gaat het hof uit van de onmiddellijke werking van de wet.
Om die reden dient thans, anders dan in eerste aanleg, overeenkomstig art. 1:251a BW, te worden beoordeeld of er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen dan wel of beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
8. Het hof overweegt als volgt. De grieven keren zich niet tegen de door de rechtbank aangenomen gewijzigde omstandigheden als bedoeld in art. 1:253n BW, maar wel tegen het oordeel van de kinderrechter dat het belang van de kinderen meebrengt dat alleen de vader met het ouderlijk gezag wordt belast. De gezamenlijke uitoefening van ouderlijk gezag vergt dat de vader en de moeder in staat zijn met elkaar te communiceren om belangrijke beslissingen met betrekking tot de kinderen in overleg met elkaar te kunnen nemen. De moeder heeft – uitdrukkelijk daar naar gevraagd – verklaard dat zij geen enkel contact met vader wenst en dat zij constructief contact over gezamenlijke uitoefening van het gezag met vader ook in de toekomst uitsluitend denkbaar acht indien dit wordt begeleid door een instantie. Het hof acht het aanvaardbaar dat de ouders door bemiddeling op weg worden geholpen in de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De omstandigheid dat gezamenlijk gezag niet tot uitoefening komt omdat de ouders ook in de toekomst niet zonder begeleiding met elkaar willen communiceren, moet worden geacht ernstig afbreuk te doen aan de belangen van de minderjarigen. Gelet hierop bestaat geen behoefte aan een nieuw onderzoek van de raad zoals door de moeder verzocht. Door niet met elkaar te communiceren kunnen de ouders in de toekomst situaties te weeg brengen waardoor er een onaanvaardbaar risico kan ontstaan dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Gelet op de spanning tussen de vader en de moeder is evenmin te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
9. Daarom dient als volgt te worden beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart tot zover deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Bouritius en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2009.