
Jurisprudentie
BJ1227
Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers229720 \ CV EXPL 08-4932
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2009-07-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers229720 \ CV EXPL 08-4932
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Incidentele vordering opheffing conservatoir eigenbeslag.
Werknemer is bij ontbindingsvonnis d.d. 18 maart 2008 een vergoeding toegekend van EUR 360.000,00. Op 17 maart 2008 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen wegens een dringende reden. De werknemer heeft vervolgens op vermogensbestanddelen van de werkgever beslag laten leggen. De werkgever heeft daarna de voorzieningenrechter verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir eigenbeslag voor een bedrag van EUR 500.000,00 op grond van de gestelde vordering op de werknemer. Dit verlof is verleend. De werknemer heeft na inleidende dagvaarding van de werkgver tot betaling van schadevergoeding bij incidentle vordering opheffing van het eigenbeslag gevorderd.
De kantonrechter heeft overwogen dat het spoedeisend belang aanwezig, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Na een belangenafweging heeft de kantonrechter geoordeeld dat het eigenbeslag voor een bedrag van EUR 100.000,00 wordt opgeheven. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer van belang geacht dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 20 juni 2008 voorlopig heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd is gegeven, het slecht werknemersgedrag verre van bewezen is, een onherroepelijke rechterlijke uitspraak met executoriale kracht niet te snel moet worden gebroken door een conservatoir beslag , de noodtoestand van de werknemer en de procedure lang kan gaan duren.
Uitspraak
RECHTBANK ROERMOND
Sector kanton
Zaaknummer: 229720 CV EXPL 08-4932
Vonnis in het incident van de kantonrechter te Venlo d.d. 1 juli 2009
in de zaak van:
de naamloze vennootschap Alanheri N.V., statutair gevestigd te Tilburg, kantoorhoudende te Meeuwen,
eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident
gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel,
tegen:
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident], wonende te [woonplaats] aan de [adres],
gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident
gemachtigde: mr. D.P. van Straten.
Partijen zullen hierna worden aangemerkt als Alanheri en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident].
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
• De inleidende dagvaarding met producties;
• De conclusie van antwoord met producties;
• Het tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 4 maart 2009;
• De incidentele conclusie tot opheffing conservatoir eigenbeslag;
• De conclusie van antwoord in het incident;
• Een schrijven van de zijde van gedaagde d.d. 4 mei 2009;
• Een akte van de zijde van eiseres d.d. 14 mei 2009
• De comparitie van partijen d.d. 14 mei 2009, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
1.2. Vervolgens heeft de kantonrechter de zaak op vonnis gesteld. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.
2. De vordering van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident]
2.1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] vordert bij incidenteel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat het op 21 juli 2008 gelegde conservatoir eigenbeslag ten laste van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] op te heffen alsmede Alanheri in het incident te veroordelen in de kosten van deze incidentele procedure en de hoofdzaak.
2.2. Aan deze vordering heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] het volgende – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd.
2.3. Op 21 januari 2008 heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] bij de rechtbank te Breda een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen hem en Alanheri ingediend. Enkele dagen na de mondelinge behandeling op 22 februari 2008 heeft Alanheri [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] verzocht nadere informatie te verschaffen met betrekking tot de jaarrekening over 2007. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft op 5 maart 2008 een afspraak gemaakt met de heer Bank, werkzaam bij Alanheri, om de vragen van Alanheri te beantwoorden. Op 15 maart 2008 heeft Alanheri [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] een brief overhandigd met een drietal vragen omtrent de jaarrekening 2007. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] kreeg het verzoek om op 17 maart 2008 vóór 14.00 uur te reageren. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft aangegeven dat deze termijn niet haalbaar was. Vervolgens heeft Alanheri [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] op 17 maart 2008 op staande voet ontslagen.
2.4. Bij beschikking van 18 maart 2008 heeft de kantonrechter te Breda de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken en aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in dit verband een ontbindingsvergoeding ad EUR 360.000,00 bruto toegekend.
2.5. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft met het oog op deze onherroepelijke beschikking executoriaal beslag laten leggen op diverse vermogensbestanddelen van Alanheri. Alanheri heeft echter vervolgens verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag onder zichzelf tot een bedrag van EUR 500.000,00 op de vordering die [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft op Alanheri. Op 21 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter te Breda dit verlof verleend.
2.6. Thans vordert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] opheffing van het conservatoir eigenbeslag op grond van de ondeugdelijkheid van de vordering van de door Alanheri gestelde schade van EUR 500.000,00 en misbruik van recht. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] is van mening dat het conservatoir eigenbeslag enkel is gelegd ter afwending van de executoriale titel.
3. Het verweer van Alanheri
3.1. Alanheri heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ter afwering van de vordering aangevoerd.
• De incidentele conclusie kan niet door de kantonrechter geaccepteerd worden, nu de zaak helemaal niet op de rol stond.
• De brief van 26 maart 2009 kan niet worden aangemerkt als een akte waarop [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] mocht reageren op de zitting van 1 april 2009.
• Bij incident kan geen opheffing van het door Alanheri gelegde eigenbeslag worden gevorderd. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] had opheffing van dit beslag moeten vragen bij eis in reconventie hetgeen hij niet heeft gedaan.
• Het is [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] niet toegestaan om een dergelijk materieel geschilpunt bij incident aan de rechter voorleggen.
• De kantonrechter is niet bevoegd om van dit incident kennis te nemen.
• Het eigenbeslag berust wel degelijk op juiste en deugdelijke gronden.
4. De beoordeling
4.1. Ten aanzien van het verweer van Alanheri dat de kantonrechter onbevoegd is om kennis te nemen van de incidentele vordering tot opheffing van het eigenbeslag wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 705 Rv kan de vordering tot opheffing van het conservatoir eigenbeslag aanhangig worden gemaakt bij de rechter die ook in de hoofdzaak bevoegd is. Het verweer van Alanheri dat de kantonrechter in deze niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, treft dan ook geen doel.
4.2. Voorts blijkt uit voornoemd artikel dat opheffing van het eigenbeslag aanhangig gemaakt kan worden in de hoofdzaak, bijvoorbeeld door middel van eis in reconventie of bij provisionele eis. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft bij incidentele conclusie gevorderd tot opheffing van het eigenbeslag. Tegen deze wijze van het aanhangig maken van deze zaak bestaat geen bezwaar. De stelling van Alanheri dat de griffie ten onrechte de brief van 26 maart 2009 heeft aangemerkt als een akte waarop [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] mocht reageren, is - gelet op het voorgaande - niet relevant nu [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] bij op elk moment hangende de hoofdzaak bij provisionele eis de opheffing van het eigenbeslag mocht vorderen. Voor zover Alanheri heeft aangevoerd dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] de materiële geschilpunten niet bij incident aan de rechter mag voorleggen, overweegt de kantonrechter dat de opheffing van het eigenbeslag onder meer aan de hand van het bepaalde in artikel 705 Rv wordt beoordeeld. Op grond van de in laatstgenoemd artikel genoemde criteria zal de kantonrechter vonnis in het incident wijzen. Voor zover het voor de beoordeling noodzakelijk is, zal de kantonrechter ingaan op de tussen partijen in geschil zijnde materiële geschilpunten.
4.3. Vervolgens overweegt de kantonrechter als volgt.
4.4. Bij een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv (artikel 51 (oud) Rv) gaat het om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering en de strekking heeft dat in het kader van de bodemprocedure, voor de duur daarvan, voorlopige maatregelen worden bevolen. Een provisionele vordering is een zelfstandige vordering, waarvan de werkingsduur, naar haar aard, beperkt is tot het geding over de hoofdzaak; zij kan bij dagvaarding of bij incidentele conclusie worden ingesteld. In deze zaak heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident], de gedaagde in de hoofdzaak, de incidentele vordering als bedoeld in artikel 208 Rv gedaan. De provisionele vordering is naar haar aard gericht op het treffen van een maatregel van voorlopige aard (vgl. HR 14-11-1997, NJ 1998/113 betreffende artikel 51 Rv. (oud)).
4.5. Op grond van artikel 223 Rv is voor het slagen van de gevorderde voorlopige voorziening van belang dat:
• de hoofdzaak aanhangig is;
• de voorziening samenhangt met de hoofdvordering en
• dat er een spoedeisend belang bestaat bij de vordering.
4.6. In deze zaak is de hoofdvordering (kortweg: de door Alanheri gevorderde schadevergoeding en het daartegen door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] gevoerde verweer) aanhangig. Ter zake het spoedeisende belang is voldoende dat komt vast te staan dat van de degene die de voorziening vordert niet kan worden gevergd dat hij de afloop in de bodemzaak afwacht of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. Het komt de kantonrechter voor dat dit spoedeisend belang meer dan voldoende aanwezig is. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft thans een minimaal inkomen, hoge (hypotheek)lasten en een prima vordering van EUR 360.000,00 op Alanheri die hij maar niet geïnd of geëxecuteerd krijgt. Deze omstandigheden leveren een voldoende (spoedeisend) belang op welke toewijzing van de voorziening zou kunnen rechtvaardigen.
4.7. De kantonrechter stelt voorop dat het algemene vereiste voor toewijsbaarheid van een vordering, dat de eisende partij bij haar vordering belang heeft, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van de provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, ertoe leidt dat het belang bij de gevraagde voorziening dringend moet zijn in die zin dat van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. Gelet op de feiten die aan de spoedeisendheid ten grondslag liggen is het belang van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] voldoende dringend. Ter zitting is gebleken dat een door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] te stellen bankgarantie als zekerheid (artikel 705 lid 2 Rv) voor het bedrag waarvoor eigenbeslag is gelegd
(EUR 500.000,00) niet tot bancaire mogelijkheden behoort, evenmin als tweede of verdere hypotheken.
4.8. Thans de hoofdvraag waar het hier om gaat: kan en dient het door Alanheri gelegde eigenbeslag te worden opgeheven voor de duur van dit geding?
4.9. Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing vordert, in dit geval [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident], om met de beperkingen van de kort gedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kantonrechter weet dat op deze rechtsopvatting kritiek geuit is ([vd M], preadvies NVPR 2009, blz. 11 en verder), maar deze kritiek wordt niet gedeeld, gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 25 november 2005 (JBPr 2006, 40, NJ 2006/148). De kantonrechter overweegt wel in dit verband dat de gerekwestreerde gehoord had kunnen worden, zoals aanbevolen in de beslagsyllabus, zevende versie, februari 2009, noot 8. De kantonrechter heeft echter geen volstrekte onjuistheden of aperte onvolledigheden aangetroffen in het verzoek eigenbeslag zodat het geconstateerde gebrek niet leidt tot onmiddellijke toewijzing van de incidentele vordering. Of de beslagrechter - gehoord [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] - anders overwogen en beslist zou hebben, kan de kantonrechter niet bevroeden. Maar de kantonrechter kan dat bij wege van theoretische exercitie niet nog eens dik of dun overdoen.
4.10. De kantonrechter zal bij de beoordeling van de vordering tot opheffing hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. De kantonrechter is na belangenafweging bevoegd:
• een eigenbeslag in geval van een vooralsnog geheel onbewezen vordering te handhaven;
• een eigenbeslag in geval van een in zekere mate (maar niet voldoende) aannemelijk gemaakte vordering op te heffen gelet op de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar.
De kantonrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005 en de daarin genoemde eerder uitspraken van de Hoge Raad.
4.11. De kantonrechter neemt vooralsnog tussen partijen aan:
• Naar het voorlopig (en intussen onherroepelijk) oordeel van de voorzieningenrechter Breda d.d. 20 juni 2008 onder rechtsoverweging 3.6. rechtvaardigt het door Alanheri aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] verweten gedrag niet het ontslag op staande voet d.d. 17 maart 2009;
• Het door Alanheri aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] verweten “slecht werknemersgedrag” met de daarbij behorende schadevergoeding van ruim EUR 500.000,00 is nog verre van bewezen (de accountants slaan elkaar om de oren met rapporten);
• In dit land gaat maar weinig boven een onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarbij de een is veroordeeld om de ander te betalen, zodat de executoriale kracht niet al te snel moet worden gebroken door een conservatoir beslag (en verrekening niet mogelijk is omdat de vordering(en) van Alanheri niet voldoen aan de vereisten voor verrekening)
• [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] verkeert in een behoorlijke noodtoestand omdat hij - in plaats van de ontbindingsvergoeding van EUR 360.000,00 bruto of zijn voorheen genoten reguliere salaris van EUR 9.194,73 bruto per maand (op 1 januari 2008 inclusief 8% vakantietoeslag, een dertiende maand en het gemiddelde tantième over de afgelopen vijf jaar) - nu moet rondkomen van een WW-uitkering van rond de EUR 2.500,00 bruto per maand.
• Alanheri een beursgenoteerde onderneming is waarvan de balansen/jaarrekeningen aan discussie onderhevig zijn, hetgeen Alanheri aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] verwijt;
• De procedure tussen Alanheri en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] naar het zich laat aanzien wellicht niet zonder deskundige (lees: tijdrovende) voorlichting beëindigd kan worden, daargelaten een eventueel hoger beroep (partijen gebruikten in het verleden vele juridische middelen die hen ten dienste stonden); het laat zich aanzien dat bij enig onherroepelijk einde wellicht van de som van EUR 360.000,00 bruto niets meer over is;
• Niet gesteld of anderszins is gebleken dat Alanheri beslag heeft gelegd op andere vermogensbestanddelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident].
4.12. De kantonrechter weegt de genoemde belangen af en komt – voor de duur van deze procedure bij de kantonrechter – uit op een gedeeltelijke opheffing althans beperking van het gelegde eigenbeslag. Een bedrag van EUR 100.000,00 bruto komt tegemoet aan de voorziening in het levensonderhoud van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] maar beperkt tegelijkertijd in voldoende mate het risico op het volledig verloren gaan van vermogen waarop kan worden verhaald. Een betaling door Alanheri van EUR 100.000,00 bruto moet voor haar grote onderneming zijn te dragen. Het eigenbeslag mag dus worden gehandhaafd voor EUR 400.000,00 bruto. De kantonrechter wijst partijen daarbij – natuurlijk ten overvloede – erop dat in beginsel iedere executie van een rechterlijke beslissing risicoaansprakelijkheid schept indien naderhand onherroepelijk blijkt dat er ten onrechte is geëxecuteerd.
4.13. Ingevolge artikel 337 lid 1 Rv staat hoger beroep tegen dit provisionele vonnis open. Er bestaat aanleiding de kostenveroordeling in het incident aan te houden.
5. Beslissing in het incident
De kantonrechter:
5.1. Heft op het door Alanheri op 21 juli 2008 ex artikel 724 Rv onder zichzelf gelegde beslag op voor een bedrag van EUR 100.000,00 bruto;
5.2. Handhaaft het door Alanheri op 21 juli 2008 ex artikel 724 Rv onder zichzelf gelegde beslag voor een bedrag van EUR 400.000,00 bruto;
5.3. Houdt de beslissing omtrent de kosten in dit incident aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 1 juli 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.