
Jurisprudentie
BJ1166
Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5168 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5168 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de verzekeringsgeneeskundige grondslag vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Nadere motivering in hoger beroep. Instandlating rechtsgevolgen.
Uitspraak
05/5168 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 juli 2005, 05/51 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Bär.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv de gelegenheid te geven om te bezien of het door appellante ter zitting overgelegde besluit van het Uwv van 15 mei 2007 waarbij aan haar per 29 mei 2007 een WIA-uitkering is toegekend, leidt tot wijziging van het in het onderhavige beroep ingenomen standpunt.
Bij brief van 26 juli 2007 heeft het Uwv aangegeven dat en gemotiveerd waarom het ingenomen standpunt wordt gehandhaafd. Bij brief van 24 augustus 2007 heeft appellante op die brief van het Uwv gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat voortzetting van het onderzoek ter zitting achterwege wordt gelaten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 22 juli 2004 is aan appellante per 9 september 2004 een WAO-uitkering geweigerd onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.
Er zijn geen aanknopingspunten om de medische grondslag voor onjuist te houden. De verzekeringsartsen hebben alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de bij appellante aanwezige aandoeningen in aanmerking genomen bij de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid. De door appellante overgelegde stukken, waaronder de brief van de reumatoloog dr. H.R.M. Peeters, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel aangezien niet wordt onderbouwd danwel aangetoond dat de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) voor onjuist moet worden gehouden. Bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns heeft in zijn rapport van 4 maart 2005 voldoende onderbouwd waarom de beperkingen van appellante correct zijn vastgesteld. Inschakeling van een medisch deskundige is dan ook niet nodig. Het is niet gebleken dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies met de SBC-codes 272043, 372030 en 272042 dermate belastend zijn dat appellante niet in staat kan worden geacht deze functies te vervullen.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de brief van de behandelend reumatoloog Peeters zodanige twijfel zaait over de juistheid van de FML dat inschakeling van een medisch deskundige door de Raad aangewezen is. Verder heeft appellante de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies betwist. Daartoe heeft appellante verwezen naar een rapport van de door haar geraadpleegde externe arbeidsdeskundige P.H.M. Hartmans van 30 januari 2006.
5. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de verzekeringsgeneeskundige grondslag vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Ook de Raad ziet in de brief van reumatoloog Peeters geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen en de medische beperkingen. Dat brengt met zich dat voor inschakeling van een medisch deskundige geen aanleiding bestaat.
6.2. Aan de schatting zijn de volgende functies ten grondslag gelegd: productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), kelner, serveerster (372030) en productiemedewerker confectie, kleermaken (272042). In de in hoger beroep ingebrachte rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer van 5 juli 2007 zijn – in reactie op de conclusies van Hartmans – de signaleringen ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante stuk voor stuk besproken en is toegelicht waarom van overschrijding geen sprake is en waarom de functies voor appellante geschikt zijn. De Raad is van oordeel dat met die toelichting afdoende is gemotiveerd dat appellante in staat is te achten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
7. Aangezien eerst in hoger beroep afdoende is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, het beroep gegrond worden verklaard en het besluit op bezwaar van 1 december 2004 worden vernietigd. De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 59,- aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 1 december 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1025,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
JL