Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1158

Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers92564 / FA RK 09-348
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ots en uithuisplaatsing; contactbeperking; toepassing van artikel 1:263a of 1:263b, BW.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht Zaaknummer: 92564 / FA RK 09-348 Beschikking van 01 juli 2009 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden in de zaak van: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, kantoorhoudende te 1100 AR Amsterdam-Zuidoost, Postbus 12685, hierna te noemen de stichting, tegen: [moeder] en [vader], wonende te [woonplaats], [adres], hierna te noemen de ouders, advocaat mr. B.T.M. de Kinkelder. Als belanghebbende merkt de rechtbank tevens aan de minderjarige: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Dit blijkt uit het volgende: - het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 16 maart 2009; - de brief, met bijlagen, van 31 maart 2009 van de advocaat van de ouders; - het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 9 april 2009; - de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009 en waarbij zijn verschenen: - [O] namens de stichting; - de ouders, bijgestaan door hun advocaat; - [F], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond. 2. De vaststaande feiten 2.1. De ouders oefenen het gezag uit over de minderjarige. De minderjarige is onder toezicht gesteld van de stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, welke maatregel wordt uitgevoerd door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de stichting). Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij een pleegouder tot uiterlijk 25 maart 2010. Op 18 december 2008 heeft de stichting aan de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven omtrent de contacten tussen de ouders en de minderjarige. 2.2. Bij beschikking van 18 februari 2009 heeft de kinderrechter de door de stichting gegeven aanwijzing d.d. 18 december 2008 vervallen verklaard. Voorts heeft de kinderrechter, op grond van het bepaalde in artikel 1:263a, tweede lid, van het Burgerlijk wetboek (hierna BW), een regeling vastgesteld tussen de ouders en de minderjarige. 3. Het verzoek 3.1. De stichting heeft bij het hiervoor onder rubriek 1.1. aangehaalde – en op artikel 1:263b BW gebaseerde - verzoekschrift verzocht de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling te wijzigen. De stichting stelt daartoe dat de huidige omgangsregeling te belastend is voor het gezin van de pleegouders. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de stichting aangegeven dat de stichting, in afwijking van het gestelde in het verzoekschrift, akkoord kan gaan met een omgangsregeling van één keer per veertien dagen, waarbij de omgang één keer per maand bij de pleegouders plaatsvindt en één keer per maand op het kantoor van Rubicon Jeugdzorg. 4. Het verweer 4.1. Namens de ouders is ter zitting primair verzocht het verzoek van de stichting niet-ontvankelijk te verklaren, nu de beoogde wijziging van de omgangsregeling aan de kinderrechter is voorgelegd middels een verzoekschrift ex artikel 1:263b van het BW. Het had op de weg van de stichting gelegen een hernieuwde beslissing (aanwijzing) af te geven op grond van het bepaalde in artikel 1:263a van het BW. 4.2. De ouders hebben subsidiair verzocht het verzoek van de stichting af te wijzen. De ouders stellen daartoe dat de ouders het gevoel hebben dat de stichting de banden tussen de ouders en de minderjarige willen verstoren. De ouders vinden voorts dat de stichting niet voldoende heeft aangetoond dat de omgangsregeling die de ouders wensen, de hechtingsfase van de minderjarige zal verstoren. Het kantoor van Rubicon vinden de ouders geen geschikte plek voor een omgangsregeling. 5. Het oordeel van de rechtbank 5.1. De kinderrechter stelt ten formele vooreerst vast dat de stichting in onderhavige casus geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar in artikel 1:263a BW neergelegde zelfstandige bevoegdheid tot contactbeperking tussen een uit huis geplaatst kind en de met het gezag belaste ouders, doch, ter bereiking van dat doel, een op artikel 1:263b BW gebaseerd verzoek heeft gericht aan de kinderrechter. De kinderrechter zal de stichting op de navolgende gronden in haar verzoek ontvangen. 5.2 Hoewel artikel 1:263a, BW de stichting een zelfstandige bevoegdheid geeft te beslissen over een contactbeperking tussen de met het gezag belaste ouders en een uit huis geplaatst kind, doet die bepaling geen afbreuk aan de mogelijkheid van de stichting zich middels een verzoekschrift ex artikel 1:263b BW te wenden tot de kinderrechter ter bereiking van datzelfde doel. Immers de maatregel van ondertoezichtstelling duurt voort ook gedurende de uithuisplaatsing. Zoals reeds overwogen in de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 november 2007, zaaknummer: 82121 / FA RK 07 1276 (LJN: BB9551), onder punt 2.5, acht de kinderrechter het zijn rechtsvormende taak niet te buiten gaan om artikel 1:263b, eerste lid, BW analoog van toepassing te verklaren op de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet verblijft. Door aldus te oordelen wordt ook overigens op geen enkele wijze afbreuk gedaan aan de rechtbescherming die belanghebbenden in deze toekomt. 5.3 De kinderrechter is gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen ten materiële van oordeel dat de beslissing van deze rechtbank van 18 februari 2009, voor de duur van de ondertoezichtstelling gewijzigd moet worden, nu gebleken is dat deze wijziging noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal dan ook een omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarige vaststellen zoals hierna onder rubriek 6 bepaald. 6. De beslissing De rechtbank: 6.1. verklaart de stichting ontvankelijk in haar verzoek; 6.2. wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2009 in die zin dat omgang plaatsvindt tussen de ouders en de minderjarige van één keer per veertien dagen, waarbij de omgang één keer per maand bij de pleegouders plaatsvindt en één keer per maand op het kantoor van Rubicon Jeugdzorg; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 01 juli 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. DT Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.