Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1130

Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806815/1/H1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam (hierna: het college) aan woningstichting "Hardinxveld-Giessendam", handelend onder de naam "Omnivera" (hierna: de woningstichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een woon/zorgcentrum op de locatie Peulenhof (hoek Peulenlaan/Venusstraat) te Hardinxveld-Giessendam.


Uitspraak

200806815/1/H1. Datum uitspraak: 1 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 juli 2008 in zaak nr. 07/98 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam (hierna: het college) aan woningstichting "Hardinxveld-Giessendam", handelend onder de naam "Omnivera" (hierna: de woningstichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een woon/zorgcentrum op de locatie Peulenhof (hoek Peulenlaan/Venusstraat) te Hardinxveld-Giessendam. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.R. van Leeuwen, T. van Houwelingen en ing. M. Sel, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de woningstichting, vertegenwoordigd door R.P.W. van Smaalen, P.A. van der Priem, C. de Vreede en L.J.M. Groenewegen, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woonzorgcentrum voor zelfstandig wonende senioren, bestaande uit 40 huurappartementen en 36 koopappartementen, een ruimte voor dagbehandeling, een recreatieruimte, een steunpunt thuiszorg en een kantoor voor de Instelling voor Gecoördineerd Ouderenwerk. Het woonzorgcentrum vervangt een wooncomplex bestaande uit 52 seniorenwoningen. Het bouwplan voldoet wat betreft bouwhoogte en situering niet aan de voorschriften van het geldende bestemmingsplan "De Peulen 1992". Om realisering ervan mogelijk te maken heeft het college hiervoor krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend. 2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Daar wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. 2.3. Ten tijde van het nemen van het besluit van 19 december 2006 gold de door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) vastgestelde lijst met categorieën van gevallen, gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Zuid-Holland van 6 juli 2006 (hierna: de Provinciale Lijst). Volgens het in deze lijst opgenomen onderdeel B "Bijzondere verklaring van geen bezwaar", onder stedelijk gebied, punt 1, wordt onder meer op voorhand een verklaring van geen bezwaar verleend voor het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens etc.) inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden etc.) en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie in stedelijk gebied. 2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was de vrijstelling te verlenen, omdat het bouwplan niet past binnen de Provinciale Lijst. 2.4.1. Dit betoog faalt. Het bouwplan is gesitueerd in stedelijk gebied en voorziet in het bouwen ten behoeve van de woonfunctie, waaronder in dit geval begrepen een combinatie van woningen en een woonzorgcentrum en voldoet daarmee aan de criteria van de Provinciale Lijst. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat het college bevoegd was tot het verlenen van de vrijstelling. Voor de stelling van [appellant], dat een integratie van woningen met een woonzorgcentrum niet passend is in de Provinciale Lijst, bestaat, gelet op de bewoordingen van die lijst, geen grond. De stelling van [appellant] dat geen sprake is van vervangende nieuwbouw en evenmin van een geringe inbreuk op het planologische regime is in dit verband niet relevant. 2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. Daartoe voert hij allereerst aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake is van een geringe inbreuk op het planologische regime, aangezien het hier niet gaat om vervangende nieuwbouw maar om uitbreiding van het aantal woningen en functies. Verder stelt hij dat het onderzoek van het college naar de milieu-effecten van het bouwplan onzorgvuldig is, omdat het op onjuiste dan wel verouderde gegevens berust. 2.5.1. Anders dan [appellant] kennelijk meent, gaat het bij het bepalen van de mate van ingrijpendheid van een bouwplan op het planologische regime niet om de afwijking daarvan ten opzichte van wat in feitelijke zin door het bouwplan vervangen wordt, maar om de afwijking ten opzichte van hetgeen op grond van het bestemmingsplan op het perceel is toegelaten. Dat het bouwplan een uitbreiding van het aantal woningen tot gevolg heeft, kan op zichzelf dan ook niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een ingrijpende inbreuk op het planologische regime. De strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan ziet op de situering en hoogte van het te realiseren woon/zorgcentrum. Wat de hoogte betreft is aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing, zodat de rechtbank hierin terecht geen aanleiding heeft gevonden voor het oordeel dat sprake is van een ingrijpende inbreuk op het planologische regime. Ten aanzien van de situering van het bouwplan heeft de rechtbank verder met juistheid overwogen dat het feit dat de minimale afstand van het bouwplan tot de woningen aan de Amerhof, waaronder de woning van [appellant], wordt teruggebracht tot ongeveer 33 meter, mede gelet op de omstandigheid dat het stedelijk gebied betreft, evenmin voldoende grond is voor het oordeel dat sprake is van een ingrijpende inbreuk op het planologische regime. 2.5.2. Ten aanzien van de effecten van het te realiseren bouwplan op de luchtkwaliteit ter plaatse heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat in het luchtkwaliteitsonderzoek van verouderde verkeersgegevens is uitgegaan. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek onzorgvuldig is geweest. Met betrekking tot het onderzoek naar de geluidsbelasting heeft [appellant] zich weliswaar terecht op het standpunt gesteld dat daaruit blijkt dat realisering van het bouwplan een toename van het wegverkeerslawaai met 3dB(A) tot gevolg zal hebben, maar uit dit onderzoek blijkt ook dat de ingevolge de Wet geluidhinder geldende voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet zal worden overschreden. De te verwachten geluidemissie leidt dan ook niet tot het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. De stelling van [appellant] dat het onderzoek naar de schaduwwerking ondeugdelijk is, is niet in beroep bij de rechtbank aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven. Het door [appellant] pas ter zitting gedane beroep op het Besluit milieu-effectrapportage 1994 dient eveneens buiten beschouwing te blijven. 2.5.3. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het betoog faalt. 2.6. In het door [appellant] overgelegde rapport van Peutz kan geen grond worden gevonden voor de conclusie dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat realisering van het bouwplan niet een zodanige aantasting van zijn belangen meebrengt dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. De toename van de geluidemissie is niet zodanig, dat deze aan het verlenen van vrijstelling in de weg had behoren te staan. 2.7. [appellant] betoogt tot slot dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieven. Ook dit is niet in beroep bij de rechtbank naar voren gebracht en dient derhalve eveneens buiten beschouwing te blijven. 2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat. w.g. Polak w.g. Oudenaller voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009 190-179-552.