Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1125

Datum uitspraak2009-07-01
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808262/1/M2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) het verzoek om handhaving van [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen inzake een vleesvarkensbedrijf met paarden aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.


Uitspraak

200808262/1/M2. Datum uitspraak: 1 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) het verzoek om handhaving van [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen inzake een vleesvarkensbedrijf met paarden aan de [locatie] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college het door [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de drijver van de inrichting, [appellant], een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer houden van meer varkens dan waarvoor vergunning is verleend. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 december 2008. Het college heeft nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. L.G. Hartman, J.K. Kaal-Balt en ir. W. Stempher, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende B] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [belanghebbende A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. 2. Overwegingen 2.1. [appellant] betoogt dat het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2008, voor zover dit is gemaakt door [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen, ten onrechte niet niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bestreden besluit volgens hem niet ziet op een materieel belang waarin zij worden geschaad. 2.1.1. Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.1.2. Uit het bestreden besluit blijkt dat [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen in de omgeving van de inrichting wonen. In het betoog van [appellant] bestaat geen grond voor het oordeel dat ter plaatse van de woningen van [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen geen milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Gelet hierop, heeft het college [belanghebbende A] en anderen en [belanghebbende B] en anderen terecht als belanghebbenden aangemerkt. De beroepsgrond faalt. 2.2. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend aan [appellant] voor het houden van onder meer 2.160 vleesvarkens. Dit besluit is bij uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200702152/1 door de Afdeling vernietigd. Op grond van de onderliggende milieuvergunning van 25 mei 2004 mochten vervolgens 1.317 vleesvarkens worden gehouden binnen de inrichting. Vaststaat dat [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit van 7 maart 2008 een hoger aantal, namelijk 2.160 vleesvarkens, hield binnen de inrichting. Het college was daarom bevoegd om tot handhaving over te gaan. 2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien een concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte over is gegaan tot handhaving. Hij voert hiertoe aan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een concreet uitzicht op legalisatie bestond, omdat een ontvankelijke aanvraag voor een vergunning was ingediend. 2.4.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat een concreet uitzicht op legalisatie ontbreekt. Daarbij overweegt het college dat de resultaten van de zogenoemde habitattoets, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of vergunningverlening niet in strijd is met Richtlijn 92/43/EEG (Pb. 1992, L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) vanwege negatieve effecten op de in de nabijheid gelegen speciale beschermingszones, niet bekend zijn, zodat onvoldoende zeker is of vergunningverlening niet in strijd is met de Habitatrichtlijn. Verlening van de vergunning is daarom in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, aldus het college. 2.4.2. In de omgeving van de inrichting liggen de speciale beschermingszones Buurserzand en Haaksbergerveen, Boddenbroek en Teeselinkveen. Vaststaat dat deze beschermingszones zijn geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4 van de Habitatrichtlijn. Gelet op het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn kan de voor de inrichting gevraagde vergunning slechts worden verleend, indien zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de gebieden niet zullen worden aangetast. 2.4.3. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren de resultaten van de habitattoets nog niet bekend, zodat onzeker was of de uitbreiding van de inrichting de natuurlijke kenmerken van de in de nabijheid gelegen speciale beschermingszones niet zou aantasten. De Afdeling is daarom met het college van oordeel dat ten tijde van het nemen van de besluiten van 7 maart 2008 en 8 oktober 2008 niet was uitgesloten dat de Habitatrichtlijn aan verlening van de voor de inrichting aangevraagde vergunning in de weg zou staan. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen concreet uitzicht op legalisatie van de geconstateerde overtreding bestond. 2.5. [appellant] voert aan dat handhaving onevenredig bezwarend is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat hij wordt gelast zijn veestapel fors te verkleinen, terwijl hij aan de bij besluit van 6 februari 2007 verleende vergunning het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het houden van 2.160 vleesvarkens niet op milieuhygiënische problemen zou stuiten. 2.5.1. Het besluit van 6 februari 2007 is, zoals hiervoor onder 2.2 overwogen, bij uitspraak van de Afdeling vernietigd. [appellant] kan aan dat besluit reeds daarom geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat van handhavend optreden tegen overtreding van de op 25 mei 2004 verleende vergunning zou worden afgezien. 2.6. [appellant] acht het tegenstrijdig dat de gevraagde vergunning, hoewel het ontwerpbesluit van 28 oktober 2008 strekt tot weigering van de gevraagde vergunning, bij besluit van 12 mei 2009 alsnog is verleend. 2.6.1. Op 1 februari 2009 is de Wet van 29 december 2008, houdende wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met de regulering van bestaand gebruik en enkele andere zaken (Stb. 2009, 18) in werking getreden. Als gevolg hiervan zijn alle gebieden die voorkomen op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4 van de Habitatrichtlijn, thans aangemerkt als Natura 2000-gebieden waarop onder meer het regime van paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk III van de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing is. De door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn geëiste bescherming wordt derhalve bereikt door toepassing van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit betekent dat een rechtstreeks beroep op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet meer aan de orde is en dat de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden vanaf 1 februari 2009 uitsluitend dienen te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit betekent ook dat de weigeringsgrond in het ontwerpbesluit van 28 oktober 2008 zich niet langer voordoet. Dat vanaf 1 februari 2009 de Habitatrichtlijn niet meer aan verlening van de gevraagde Wm-vergunning in de weg staat, doet er echter niet aan af dat het college zich ten tijde van het nemen van de besluiten op 7 maart 2008 en 8 oktober 2008 terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestond. 2.7. Het beroep is ongegrond. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat. Het lid van de enkelvoudige kamer w.g. Taal is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009 325-584.