Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1108

Datum uitspraak2009-06-25
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200903821/1/H2 en 200903821/2/H2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het dempen van een lengtesloot, bestaande uit twee in elkaars verlengde liggende delen, over een lengte van in totaal 250 meter, nabij het adres [locatie] te [plaats]


Uitspraak

200903821/1/H2 en 200903821/2/H2. Datum uitspraak: 25 juni 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 april 2009 in zaak nrs. 09/1639 en 09/1640 in het geding tussen: [appellante] en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het dempen van een lengtesloot, bestaande uit twee in elkaars verlengde liggende delen, over een lengte van in totaal 250 meter, nabij het adres [locatie] te [plaats] Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 26 mei 2009, 8 juni 2009 en 9 juni 2009. Bij eerstgenoemde brief heeft [appellante] de voorzitter voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2009, waar [appellante] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A.L. Biemold, ambtenaar in dienst van de provincie Zuid-Holland, vergezeld door ing. B. Middendorp en F.A. Heijsteeg, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord. 2. Overwegingen 2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.2. Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:84 van de Awb. 2.3. Voor zover [appellante] hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, is de Afdeling derhalve onbevoegd hiervan kennis te nemen. 2.4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar pleitnotities volledig voor te dragen en meegebrachte foto's te tonen. 2.4.1. Voor zover de voorzieningenrechter daartoe met het oog op een behoorlijk verloop van de zitting aanleiding heeft gezien, omdat de door [appellante] bedoelde stellingen en foto's buiten het geschil vallen of voor de uitspraak op het beroep niet relevant zijn, wordt deze beslissing in hoger beroep terughoudend getoetst. In het in hoger beroep aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter niet in redelijkheid had mogen weigeren kennis te nemen van deze stellingen en foto's. Het betoog faalt. 2.5. [appellante] betoogt voorts dat, nu de voorzieningenrechter bij uitspraak van 4 november 2008 het besluit van 11 juli 2008 heeft geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op het bezwaar, [vergunninghouder] onrechtmatig heeft gehandeld door binnen die termijn met het dempen van de sloot te beginnen. 2.5.1. Dat [vergunninghouder] na het nemen van het besluit van 27 januari 2009 niet zes weken heeft gewacht alvorens met de werkzaamheden te starten, zoals [appellante] stelt, brengt niet met zich dat dit besluit onrechtmatig is. Dat betekent dat dit betoog niet tot het door [appellante] ermee beoogde resultaat kan leiden. 2.6. [appellante] betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet met haar belangen rekening heeft gehouden. 2.6.1. Vaststaat dat het college de door [vergunninghouder] gevraagde ontheffing slechts op de in artikel 11 van de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland bedoelde gronden had mogen weigeren. Omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar belangen tot die gronden zijn te herleiden, heeft de voorzieningenrechter terecht geen rekening met die belangen gehouden. Het betoog faalt. 2.7. Ten slotte betoogt [appellante] dat in het rapport van het Bureau Landschap van de provincie Zuid-Holland, dat door het college aan het besluit van 11 juli 2008 ten grondslag is gelegd, onjuistheden zijn vermeld en dat de breedte van de door de demping samengevoegde percelen in strijd met het Uitvoeringsplan Landschapsverordeningen 2000 is. 2.7.1. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat rapport bestaan en dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval met toepassing van de hardheidsclausule van de beleidsregels over de perceelbreedte is afgeweken. De voorzitter onderschrijft dat oordeel, dat in hoger beroep uitsluitend is betwist met een verwijzing naar een in beroep naar voren gebracht standpunt, waarop de voorzieningenrechter heeft beslist. Het betoog faalt. 2.8. Het hoger beroep, gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de Afdeling onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, in zoverre dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening; II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; III. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009 452.