Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1081

Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers94370 / KG ZA 09-126
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Vervangende toestemming in verband met vakantie naar Bosnië.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht zaaknummer / rolnummer: 94370 / KG ZA 09-126 Vonnis in kort geding van 29 juni 2009 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], [adres], eiseres, advocaat mr. S.H.M. Skrotzki, tegen [gedaagde], thans gedetineerd te [detentieplaats], [detentie adres], gedaagde, advocaat mr. M. Vukovic. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling - de pleitnota van de man. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Uit het huwelijk van partijen is op 12 juli 2001 te Leidschendam geboren de thans nog minderjarige [minderjarige]. Partijen hebben gezamenlijk het gezag. De hoofdverblijfplaats van het kind is bij de vrouw. Tevens is bepaald dat er iedere maand contact tussen de man en het kind is in de penitentiaire inrichting waar de man verblijft een en ander te regelen door de bij beschikking van 12 augustus 2008 in het kader van de ondertoezichtstelling aangewezen gezinsvoogd. 3. Het geschil 3.1. De vrouw vordert: - haar toestemming te verlenen om met de minderjarige [minderjarige] in de periode van 25 juli 2009 tot en met 6 september 2009 naar Bosnië af te reizen en daar te mogen verblijven; - om gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat daarin begrepen. De vrouw stelt dat zij voornemens is om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Bosnië om haar familie te bezoeken. De man heeft daarvoor zijn toestemming gegeven op voorwaarde dat de vrouw zou verklaren dat zij zou terugkeren naar Nederland. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De man heeft zijn toestemming echter later weer ingetrokken omdat hij niet tevreden was over het verloop van de omgangsregeling. De vrouw vraagt aan de rechtbank vervangende toestemming. De vrouw wil voorkomen dat de man aangifte doet van ontvoering als zij zonder toestemming vertrekt. De vrouw heeft geenszins de intentie om in Bosnië te blijven. Zowel de vrouw als [minderjarige] heeft het erg goed in Nederland. 3.2. De man voert verweer. De man stelt dat hij gedetineerd is vanwege een verzoek om zijn uitlevering aan Bosnië vanwege oorlogsmisdaden. Dat verzoek van de Bosnische autoriteiten is toegewezen. De man vreest voor de veiligheid van zijn dochter nu de vrouw juist naar Bosnië op vakantie wil gaan met zijn dochter die zijn achternaam draagt. De man vreest voor represailles jegens zijn dochter om de uitlevering van de man te bespoedigen. De uitlevering van de man wegens oorlogsmisdaden is in Bosnië uitgebreid in het nieuws geweest waarin de volledige achternaam van de man eveneens is genoemd. Voorts stelt de man dat hij zich ernstige zorgen maakt over het verblijf van de vrouw met [minderjarige] bij de moeder van de vrouw nu de moeder van de vrouw in een opvanghuis voor vluchtelingen verblijft. De man acht dit geen geschikte plek voor [minderjarige]. De man verzoekt de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw af te wijzen. 4. De beoordeling 4.1. Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. 4.2. Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, gelet op de voor een verzoekschriftenprocedure geldende termijnen, een (spoedeisend) belang heeft om in dit geval een kort gedingprocedure te volgen en niet de voorgeschreven verzoekschriftenprocedure. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar vordering. 4.3. De Voorzieningenrechter vat het verweer van de man aldus samen dat de man vreest voor de veiligheid van [minderjarige] nu de Bosnische autoriteiten represaillemaatregelen zouden kunnen nemen jegens een Nederlandse onderdaan ([minderjarige]) teneinde de uitlevering van hemzelf te bespoedigen. De Voorzieningenrechter is van oordeel dat de man deze stelling op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Daarbij komt dat de vrouw het door de man gestelde gevaar heeft bestreden. De vrouw, zelf van Bosnische afkomst en bekend met de situatie in het land van herkomst, stelt de veiligheid van het kind voldoende te kunnen waarborgen. Ter terechtzitting is de gezinsvoogd, [gezinsvoogd], in aanwezigheid van partijen telefonisch bevraagd. Daaruit is gebleken dat de gezinsvoogd op 18 juni j.l. nog met de man heeft gesproken en dat de man toen met geen woord heeft gerept over enig gevaar voor de veiligheid van [minderjarige] door de voorgenomen vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Bosnië. 4.4. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren. 4.5. Al het vorenstaande leidt de Voorzieningenrechter tot de navolgende beslissing. 5. De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verleent aan de vrouw toestemming om met [minderjarige] in de periode van 25 juli 2009 tot en met 6 september 2009 naar Bosnië af te reizen en daar te mogen verblijven, 5.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.C.G. Brants en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2009.? .