Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1078

Datum uitspraak2009-06-11
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/3868
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geschikt bevonden voor deel van de samengestelde maatmanarbeid (leraar en directeur). Nu theoretische schatting een hoger percentage opleverde, is de schatting op die geschiktheid gebaseerd. Deze is evenwel onvoldoende gemotiveerd.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 08/3868 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 juni 2009 inzake [naam], eiser, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.R. Lambooy, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 31 juli 2008, uitgereikt door UWV te Arnhem. 2. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2007 heeft verweerder per 21 januari 2008 de uitkering beëindigd die eiser op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 april 2009. Eiser is aldaar niet in persoon verschenen, doch vertegenwoordigd door mr. Lambooy voornoemd. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een schriftelijke verklaring van eiser voorgelezen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L. Smid, werkzaam bij UWV Arnhem. 3. Overwegingen Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon (de maatman) kan verwerven. Eerst dient te worden vastgesteld welke medische beperkingen betrokkene heeft en welke algemeen geaccepteerde arbeid betrokkene, rekening houdend met die beperkingen, kan verrichten. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen moet vervolgens een vergelijking worden gemaakt tussen het inkomen dat de betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid kan verdienen en het maatgevende inkomen. Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van de verzekeringsarts J.T.M. Schneijdenberg van 29 maart 2007 en 6 augustus 2007 en de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 3 juni 2008, 29 juli 2008 en 20 april 2009, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiser per 21 januari 2008, zoals beschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 juli 2008. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Zo kunnen, volgens eiser, psychische klachten niet enkel met behulp van gesprekken worden beoordeeld door een verzekeringsarts. Dit betoog, wat daar ook van zij, faalt reeds omdat uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat deze haar oordeel niet enkel heeft gebaseerd op het spreekuurcontact en de hoorzitting, doch daarnaast ook de overige stukken in het dossier, waaronder de rapporten van de bedrijfsarts en de psycholoog-psychotherapeut, heeft betrokken in de beoordeling. Eiser stelt verder dat de problemen ten gevolge van de heliobacterbacterie en long-, rug- en nekklachten meer fysieke beperkingen geven dan door verweerder zijn aangenomen. Hij verwijst hiervoor naar de in beroep overgelegde patiëntenkaart van zijn huisarts van 26 februari 2009, een brief van internist M. Los van 9 juli 2008 en de brieven van neuroloog H.W. Mauser van 28 november 2008 en 3 april 2009. In reactie op deze stukken heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 april 2009 gemotiveerd aangegeven dat er geen medische noodzaak bestaat tot aanvullende beperkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. Wat betreft eisers stelling dat de door Mauser voornoemd geconstateerde slagaderverkalking een mogelijke oorzaak zou zijn van zijn vermoeidheidsklachten en eerder genoemde fysieke klachten, reden waarom hij om aanhouding verzoekt ten einde beter onderzoek hiernaar te kunnen laten verrichten, overweegt de rechtbank als volgt. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de aanvullende rapportage van 20 april 2009 laten weten dat de het klachtenpatroon niet in de richting van de geconstateerde slagaderverkalking wees, en dat hij voorts geen reden ziet om af te wijken van zijn oordeel omtrent de belastbaarheid van eiser. De rechtbank is van oordeel dat, mede nu neuroloog Mauser geen enkel verband aangeeft met andere gestelde beperkingen van eiser en deze onderzoeksresultaten van geruime tijd ná de datum in geding dateren, de uitkomst van verder onderzoek naar de slagaderverkalking niet behoeft te worden afgewacht in deze procedure. Zij wijst het verzoek tot aanhouding dan ook af. Eiser is verder van mening dat, gelet op de diagnose van de door hem ingeschakelde deskundige psychiater M. Kazemier als beschreven in zijn rapport van 30 maart 2009, ook zijn beperkingen ten gevolge van zijn psychische problemen zijn onderschat. De diagnose die psychiater Kazemier stelt, wijkt op punten af van de diagnose waar de bezwaarverzekeringsarts vanuit gaat. Hij stelt een matig ernstige depressie vast, met onder meer vermoeidheidsklachten. In haar reactie geeft de bezwaarverzekeringsarts aan zich niet te kunnen vinden in de diagnose van psychiater Kazemier, daar het kernsymptoom ‘depressieve stemming’ ontbreekt en voorts door de eerder betrokken artsen, noch door de psycholoog een depressief toestandsbeeld is vastgesteld. De rechtbank acht het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen voldoende onderbouwd, en ziet geen aanleiding om, zoals door eiser ter zitting verzocht, tot de benoeming van een onafhankelijk deskundige over te gaan. De rechtbank volgt de bezwaarverzekeringsarts in die zin dat zij voldoende gemotiveerd acht dat de vermoeidheidsklachten geen objectiveerbare oorzaak vinden in een depressief toestandsbeeld. Zij hecht in dit verband met name ook belang aan de constatering van de bezwaarverzekeringsarts dat geen van de artsen die eiser eerder hebben gezien, in tijd dichter bij de datum waarop het bestreden besluit ziet, een depressieve stemming bij eiser hebben beschreven. In verband met zijn duurbelastbaarheid stelt eiser dat de Standaard Verminderde Arbeidsduur niet juist is toegepast door verweerder en dat juiste toepassing daarvan leidt tot het aannemen van een urenbeperking. Psychiater Kazemier acht een urenbeperking in het geval van eiser noodzakelijk. Deze noodzaak onderbouwt de psychiater door te verwijzen naar de vermoeidheidsklachten van eiser (beperking op energetische gronden), alsook dat fulltime werkhervatting zal leiden tot een toename van de klachten (beperking op preventieve gronden). Eiser voert verder aan dat zijn rug- en longklachten en slagaderverkalking redengevend zijn voor een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarentegen overwogen dat de vermoeidheidsklachten niet zijn geobjectiveerd en hij geen urenbeperking in verband met de COPD aangewezen acht. De rechtbank acht de motivering van de bezwaarverzekeringsarts voldoende. Zoals reeds hierboven geoordeeld is voldoende gemotiveerd waarom de vermoeidheidsklachten niet objectiveerbaar zijn. In samenhang met hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen over de ernst van de klachten op het vlak van de rug- en longklachten, acht de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding tot een urenbeperking heeft gezien. Geoordeeld moet worden dat eiser op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid, zoals beschreven in de FML van 29 juli 2008. De maatgevende arbeid van eiser bestaat uit zowel de functie van directeur (34 uur per week) als de functie van leraar Duits (8 uur per week) Verweerder acht eiser weliswaar niet geschikt voor zijn eigen arbeid als leraar Duits, maar wel voor zijn eigen arbeid als directeur in de volle omvang van 34 uur per week. Nu hij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd, is verweerder overgegaan tot intrekking van eisers uitkering. De rechtbank acht met eiser onvoldoende gemotiveerd dat hij geschikt is voor zijn eigen arbeid als directeur in de volle omvang, daar onvoldoende duidelijk is in welke mate deze functie eiser belast. Hierbij geldt dat een verzekeringsarts een duidelijk beeld dient te hebben van de aard en de zwaarte van het werk van eiser (CRvB, 5 september 2007, RSV 2007/331). De bezwaarverzekeringsarts meldt in zijn aanvullende rapport van 29 juli 2008 dat hij kennis heeft genomen van de functie-inhoud van de functie van directeur, zoals deze blijkt uit de arbeidskundige rapportages en de beschrijving van het ‘kwantitatieve takenpakket’ d.d. 14 februari 2007. De rechtbank is van oordeel dat daarmee onvoldoende informatie beschikbaar was over de zwaarte van het werk van eiser als directeur. Uit de stukken op basis waarvan de verzekeringsartsen zich een beeld hebben gevormd over de functie van directeur, blijkt enkel welke taken bij die functie behoorden, en niet welke belasting deze functie met zich bracht. De motivering dat eiser mede geschikt was voor zijn eigen arbeid als directeur, daar hij deze functie in de omvang van 15 uur per week is blijven vervullen, terwijl niet van een medische noodzaak is gebleken voor een vermindering in uren van 30 naar 15 uur per week, is ook onvoldoende dragend. Niet onaannemelijk is immers dat eisers takenpakket door die urenvermindering werd uitgehold aangezien hij grotendeels van huis uit is gaan werken en dat hierdoor de belasting van deze functie in sterke mate is gewijzigd. De rechtbank acht onvoldoende duidelijk of de belasting in het werk als directeur in de omvang van 15 uur per week, dezelfde is indien deze functie voor 30 uur per week wordt uitgevoerd. Tegen dat licht bezien, hebben de verzekeringsartsen hun oordeel over de geschiktheid van eiser voor zijn arbeid als directeur in volle omvang niet kunnen baseren op het gegeven dat hij die functie nog immer gedeeltelijk uitoefende. Nu aan de intrekking van de WAO-uitkering niet tevens een theoretische schatting ten grondslag is gelegd, behoeven de beroepsgronden voor het overige geen bespreking meer. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Aangezien verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en nog niet vast staat hoe dit zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de rechtbank om zich over mogelijke vergoeding van de schade uit te spreken of eiser in de gelegenheid te stellen de schade nader te specificeren, zoals door eiser verzocht. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit tevens aandacht zal moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om de schade te vergoeden. Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hem vergoedt; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Jonge , griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2009. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 11 juni 2009