Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1077

Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6538 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres.


Uitspraak

07/6538 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 oktober 2007, 06/4298 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 24 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. Voor appellant is verschenen mr. Schröder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant heeft zich op 26 juni 2006 bij het Centrum voor werk en inkomen gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 9 augustus 2006 heeft er een intake plaatsgevonden waarbij appellant opgaf te wonen aan de [adres] te Utrecht. Aansluitend heeft er een huisbezoek plaatsgevonden op het door appellant opgegeven adres. Op basis van de onderzoeksbevindingen, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 10 augustus 2006, heeft het College bij besluit van 10 augustus 2006 de aanvraag van appellant afgewezen. 1.2. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2006 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres en dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de bevindingen van het onderzoek het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt te wonen op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft niet de vereiste duidelijkheid verschaft over zijn woonsituatie zodat de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB is geschonden en niet kan worden vastgesteld of appellant in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd en hij maakt deze dan ook tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd een herhaling is van hetgeen hij in beroep en bezwaar naar voren heeft gebracht. Wat namens appellant nog ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. 4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.C.F. Talman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009. (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) B.E. Giesen. IJ