
Jurisprudentie
BJ1067
Datum uitspraak2009-05-29
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/4157
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/4157
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontijdige ziekmelding van werknemer. Ongeschiktheid voorkomend uit zwangerschapsklachten. Onbekendheid met meldingsplicht van artikel 38b, tweede lid, ZW. Aanvang ziekengeld.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 08/4157
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 29 mei 2009
inzake
De Langenberg BV, eiseres,
gevestigd te Ede,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 3 september 2008.
2. Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft verweerder geweigerd om over de periode van 2 juni 2008 tot en met 21 juli 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) te betalen aan mevrouw [naam], werkneemster van eiseres.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 april 2009. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door de heer [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.L. van Klaveren-Drost, werkzaam bij het UWV te Arnhem.
3. Overwegingen
Op 2 juli 2008 heeft mevrouw [naam] voornoemd (hierna: werkneemster) zich ziek gemeld. Bij brief van 11 juli 2008 meldde de door eiseres ingeschakelde arbodienst Maetis dat er mogelijk sprake was van een ‘vangnetsituatie’, waarin de werkneemster in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de ZW.
Eiseres heeft vervolgens op 21 juli 2008 een aangifteformulier in verband met de aanvraag van een uitkering op grond van de ZW ingevuld, welke op 22 juli 2008 door verweerder is ontvangen.
Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de ZW is de verzekerde die een werkgever heeft als bedoeld in de eerste afdeling, paragraaf 3, en die aanspraak maakt op ziekengeld, in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit op de tweede dag van die ongeschiktheid te melden aan zijn werkgever.
Ingevolge het tweede lid meldt de werkgever, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan het UWV uiterlijk op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Ingevolge artikel 38b, tweede lid, van de ZW meldt de werkgever in afwijking van artikel 38a, tweede lid, zo spoedig mogelijk doch in elk geval niet later dan de vierde dag na het tijdstip waarop het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kan maken op grond van artikel 29a of 29b, aan het UWV de eerste werkdag waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het UWV kent alsdan het ziekengeld met terugwerkende kracht over de verstreken periode, doch ten hoogste over een jaar, toe. Artikel 38a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de melding, bedoeld in het tweede lid.
In artikel 38a, derde lid, van de ZW is het volgende bepaald:
Indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, wordt het ziekengeld niet uitbetaald tot de datum van die melding.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet tijdig, binnen het in artikel 38b, tweede lid, van de ZW genoemde termijn, aangifte heeft gedaan van de ongeschiktheid tot werken van haar werkneemster. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb geen gelegenheid geboden aan eiseres om zich te laten horen op een hoorzitting.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert primair aan dat zij de in artikel 38b, tweede lid, van de ZW genoemde termijn niet heeft overschreden. Subsidiair is zij van mening dat zij deze termijn verschoonbaar heeft overschreden. Tot slot had verweerder er, volgens eiseres, ook niet toe mogen overgaan een besluit op bezwaar te nemen zonder haar in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres uit de brief van Maetis van 11 juli 2008 redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat haar werkneemster aanspraak kon maken op een ZW-uitkering. Uit de bewoordingen van de brief van Maetis blijkt zonder meer dat deze brief bedoeld was om eiseres te informeren over de mogelijke aanspraak van haar werkneemster op de uitkering. De brief wijst eiseres er ook uitdrukkelijk op dat per ommegaande het UWV diende te worden geïnformeerd door eiseres. Dat er op dat moment nog geen volledige zekerheid was of verweerder na aangifte ook daadwerkelijk zou beslissen dat de werkneem-ster recht had op een uitkering, zoals eiseres heeft aangevoerd, doet daar niet aan af.
Dit betekent dat de termijn als bedoeld in artikel 38b, tweede lid, van de ZW, waarbinnen eiseres de ziekmelding diende door te geven, op 14 juli 2008, de onbetwiste dag van ontvangst van de brief, is gaan lopen en dat uiterlijk op 17 juli 2008 eiseres de bedoelde aangifte had moeten doen. De aangifte op 22 juli 2008 is dan ook te laat.
De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe wordt vooropgesteld dat de tekst van artikel 38b, tweede lid, van de ZW geen ruimte biedt voor het verschonen van het te laat indienen van de daar bedoelde aangifte. Voorzover eiseres heeft beoogd te betogen dat deze vervaltermijn in haar geval dermate in strijd komt met fundamentele rechtsbeginselen dat deze daarom geen rechtsplicht meer kan zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank merkt allereerst op dat van een werkgever mag worden verlangd dat hij op de hoogte is van de wettelijke regelingen met betrekking tot het recht op ziekengeld (zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 8 september 2004, LJN: AR2980). Anders dan eiseres meent, mocht eiseres noch aan voormelde brief van Maetis noch aan het aangifteformulier het vertrouwen ontlenen dat de gebruikelijke termijn niet van toepassing was. Het is immers vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 7 maart 2007, LJN: BA1791) dat sprake moet zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van het bevoegde gezag, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in rechte kunnen worden gehonoreerd. Aan de brief van Maetis kan reeds daarom geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend omdat deze niet van verweerder, het bevoegde gezag, afkomstig is. Dat het aangifteformulier van verweerder vermeldt dat ‘bij voorkeur’ het formulier dient te worden ingestuurd samen met de loongegevens, reden waarom eiseres de aangifte pas heeft gedaan op het moment dat zij ook over de loongegevens beschikte, kan niet als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging worden aangemerkt dat de termijn mag worden overschreden.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden geweigerd het ziekengeld tot de datum van de melding uit te betalen. In zoverre treffen de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel.
De vraag of verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en heeft afgezien van het horen van eiseres, beantwoordt de rechtbank daarentegen ontkennend.
In beginsel geldt dat een bestuursorgaan slechts bij uitzondering zal mogen afzien van het horen van een belanghebbende. In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. In die omstandigheid had verweerder geen toepassing mogen geven aan artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb en het horen van eiseres achterwege laten. Nu het bestreden besluit dientengevolge genomen is in strijd met artikel 7:2 van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu eiseres in beroep alsnog voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, ziet de rechtbank, mede uit proceseconomische overwegingen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
Nu niet gebleken is van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Jonge, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 29 mei 2009