
Jurisprudentie
BJ1046
Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-07-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/501187-09
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-07-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/501187-09
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank heeft een 45-jarige man uit Culemborg wegens oplichting en flessentrekkerij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De man deed zich voor als betrouwbare leverancier van betonplaten, verlangde van zijn klanten een flinke vooruitbetaling en stelde vervolgens de levering met allerlei verzinsels uit. Het door de man opgerichte bedrijf bleek niet te beschikken over een serieus startkapitaal, voorraden en een goed ingerichte administratie. Voor de rechtbank een reden om te oordelen dat de man van meet af aan niet de intentie had op een eerlijke wijze zaken te doen. Verder kocht de man goederen en gaf hij een opdracht tot een kostbare inrichting van een pand, zonder over de vereiste financiële middelen te beschikken. De man werd vaker veroordeeld wegens oplichting en flessentrekkerij en sloeg enige maanden na zijn laatste detentie opnieuw toe.
Uitspraak
Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector strafrecht
Meervoudige kamer
Promis II
Parketnummer : 05/501187-09
Datum zitting : 12 mei 2009 en 10 juni 2009
Datum uitspraak : 24 juni 2009
Tegenspraak
In de zaak van
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem
tegen:
naam : [verdachte],
geboren op : [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],
adres : [adres],
plaats : [woonplaats].
thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16
Arnhem.
Raadsvrouw : mr. M. Schwab, advocaat te Amsterdam.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2008 tot en met 29 januari 2009 te Culemborg en/of te Twello, gemeente Voorst, en/of te 's-Gravenhage en/of te Noorden en/of te Cothen en/of te IJsselstein en/of te Maurik, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid geld (te weten respectievelijk 5.355 euro, 12.500 euro, -ongeveer- 6.000 euro, 3.000 euro, 1.125 euro en 3.570 euro), in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in een advertentie stelconplaten te koop aanbood en/of (na telefonisch/sms contact) zei dat de platen snel geleverd konden worden omdat ze al geladen waren en/of zei dat hij snel geld wilde hebben omdat de platen al onderweg waren en/of zei dat contante betaling aan de chauffeur niet mogelijk was en/of zei dat de platen bij de Shell in Rotterdam en/of aan de Henegouwenweg in Waddinxveen en/of aan de Plantijnweg te Culemborg lagen (waar de potentiële koper ze alvast kon bekijken) en/of zei dat, indien er niet snel betaald zou worden, hij de platen naar een ander adres zou gaan brengen en/of dat hij direkt zou leveren op het moment dat hij geld zou ontvangen en/of dat hij volledige aanbetaling wilde in verband met de lange termijn tussen koopovereenkomst en levering en/of dat hij een spoed-/telefonische aanbetaling wilde in verband met snelle levering, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of zich (daarmee) heeft voorgedaan als een verkoper die de overeengekomen (koop)overeenkomst kon en wilde nakomen en de bestelde goederen kon en wilde leveren, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
(incidenten 1, 2, 3, 10, 11 en 13)
2.
hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2006 tot en met 25 augustus 2006 te Culemborg en/of te Wetering, gemeente Steenwijkerland, althans in Nederland, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van 5.950 euro, in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een advertentie heeft geplaatst waarin hij stelconplaten te koop aanbood en/of na telefonisch contact met die [slachtoffer 7] zei dat de helft van de platen al verkocht was en/of zei dat de platen in verschillende vrachten zouden worden gebracht en/of zei dat er een (telefonische) aanbetaling moest volgen, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of zich (daarmee) heeft voorgedaan als een verkoper die de overeengekomen (koop)overeenkomst kon en wilde nakomen en de bestelde goederen kon en wilde leveren, waardoor die [slachtoffer 7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; (incident 4)
3.
hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2009 tot en met 29 januari 2009 in de gemeente Culemborg opzettelijk 1.250 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als door die [slachtoffer 8] ter beschikking gesteld geld ten behoeve van de notaris (nodig voor het opstarten van een eigen bedrijf), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; (incident 5)
4.
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2008 tot en met 30 januari 2009 op na te noemen plaatsen, althans in Nederland, een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk de navolgende goederen heeft gekocht -van wie en op tijd en plaats daarbij vermeld-, te weten:
- in of omstreeks de periode van 12 augustus t/m 22 augustus 2008 in de gemeente Culemborg, althans in Nederland, van [slachtoffer 9], een (grote) hoeveelheid stelconplaten (ter waarde van 37.000 euro, incident 6) en/of
- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 t/m 30 januari 2009 in de gemeente Druten, althans in Nederland, van [slachtoffer 10], een (grote) hoeveelheid betonplaten (ter waarde van 24.836,49 euro, incident 7) en/of
- in of omstreeks de periode van 20 november 2008 t/m 4 december 2008 in de gemeente Culemborg, althans in Nederland, van [slachtoffer 11], 3 LCD-televisies en/of 1 home-cinemaset en/of een strijkijzer en/of een friteuze (totaal ter waarde van 4.558 euro, incident 8) en/of
- in of omstreeks de periode van 6 oktober 2008 t/m 12 februari 2009 in de gemeente Druten, althans in Nederland, van meubelbedrijf Trendhopper, diverse meubels (totaal ter waarde van 50.000 euro, incident 9);
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is laatstelijk op 10 juni 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M. Schwab, advocaat te Amsterdam.
Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:
• [benadeelde partij 1];
• Kraan en Truck Service B.V.;
• [slachtoffer 4];
• [slachtoffer 7];
• [slachtoffer 8];
• [slachtoffer 9];
• [slachtoffer 10];
Voorts bevindt zich in het dossier een voegingsformulier benadeelde partij van [benadeelde partij 2]. Deze vordering heeft geen betrekking op één van de tenlastegelegde feiten, zodat de rechtbank deze buiten beschouwing zal laten.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
De officier van justitie heeft voorts verzocht
- dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor een bedrag van € 5.355,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis;
- dat de vordering van de benadeelde partij Kraan en Truck Service B.V. voor een bedrag van € 12.500,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 97 dagen hechte¬nis;
- dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor een bedrag van € 3.000,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis;
- dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] tot een bedrag van € 33.000,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 200 dagen hechtenis;
- dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] voor een bedrag van € 20.871,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 139 dagen hechtenis; en
- de benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de door hen gevorderde schadevergoeding niet rechtstreeks verband houdt met strafbare feiten die bewezen kunnen worden verklaard.
Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs
Feit 3
De rechtbank onderschrijft het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouw en acht niet wettig bewezen hetgeen verdachte onder 3 is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt dat voor het bewijs dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde, hegteen door hem wordt ontkend, heeft begaan slechts de verklaring van de aangever voorhanden is. De verklaring van [getuige 1], de accountant van aangever, kan niet tot bewijs van verdachtes betrokkenheid dienen, nu de accountant niet uit eigen waarneming of ondervinding over verdachtes betrokkenheid heeft verklaard, maar enkel verklaart over wat hij van aangever heeft gehoord.
Feit 1
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 voor zover betreffende betrokkenen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5]:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
• de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juni 2009;
• de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] d.d. 3 november 2008, p. 98-112;
• de verklaring van de aangever [slachtoffer 2] d.d. 5 december 2008, p. 124-127;
• de verklaring van de aangever [slachtoffer 3] d.d. 2 februari 2009, p. 154-158;
• de verklaring van de aangever [slachtoffer 5] d.d. 30 januari 2009, p. 331-334.
Feit 1 voor zover betreffende betrokkene [slachtoffer 4]
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld.
Medio november 2008 heeft [slachtoffer 4] contact gezocht met verdachte. [slachtoffer 4] en verdachte kwamen overeen dat verdachte 550 stelconplaten aan [slachtoffer 4] zou leveren. De levering van de platen zou omstreeks de eerste week van maart 2009 plaatsvinden te Cothen.
Op 13 december 2008 had [slachtoffer 4] een afspraak met verdachte om de stelconplaten te gaan bekijken bij een bedrijf aan de Plantijnweg te Culemborg . Verdachte heeft [slachtoffer 4] vervolgens laten weten dat hij een voorschot wilde op het totale bedrag van de levering. Dit met het oog op het feit dat de overeenkomst half december 2008 tot stand was gekomen en de stelconplaten pas in maart 2009 geleverd zouden worden. Verdachte en [slachtoffer 4] zijn toen overeengekomen dat [slachtoffer 4] een bedrag van € 3.000,- zou betalen als voorschot. Op 16 december 2008 heeft [slachtoffer 4] een bedrag van € 3.000,- overgemaakt naar de bankrekening van verdachte .
Standpunt van de officier van justitie
Er is niet gebleken dat verdachte de door [slachtoffer 4] bestelde stelconplaten daadwerkelijk in zijn bezit had of zou krijgen en dat hij aan zijn verplichtingen jegens [slachtoffer 4] had kunnen voldoen. Aan de woorden van verdachte dat hij in het geval van [slachtoffer 4] wel degelijk de intentie had om te leveren, moet weinig waarde worden gehecht nu in het geheel niet gebleken is dat verdachte deze intentie kon waarmaken en gelet op de samenhang met de andere tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft niet het oogmerk gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Verdachte heeft namelijk altijd de intentie gehad om de stelconplaten aan [slachtoffer 4] te leveren. [slachtoffer 4] was een uitzondering op de andere onder 1 in de tenlastelegging genoemde personen omdat [slachtoffer 4] via een bevriende aannemer met verdachte in contact was gekomen en verdachte zijn naam tegenover die aannemer hoog wilde houden. Dat nog niet was geleverd is in overeenstemming met hetgeen verdachte en [slachtoffer 4] overeen waren gekomen, namelijk levering van de stelconplaten medio maart 2009. De levering is uiteindelijk door de aanhouding van verdachte gefrustreerd en niet omdat verdachte niet kon of wilde leveren.
Beoordeling
In de eerste plaats is van belang dat de gang van zaken bij de verkoop van stelconplaten aan [slachtoffer 4] in belangrijke mate overeenkomt met de gang van zaken bij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5]. Verdachte hanteerde dezelfde handelwijze waarbij hij ook in het geval van [slachtoffer 4] heeft aangedrongen op het betalen van een voorschot. Het enige verschil is dat [slachtoffer 4] zelf heeft aangegeven dat hij de stelconplaten pas in maart 2009 geleverd wilde krijgen omdat hij de platen eerder niet kwijt kon. Dat verdachte bij [slachtoffer 4], anders dan bij de hiervoor genoemde aangevers, wel de serieuze intentie had de stelconplaten te leveren, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank vindt hiervoor in
het dossier geen concrete feiten of aanwijzingen - en verdachte heeft in dit opzicht ook niets aangevoerd - die erop duiden dat hier sprake is van een uitzondering op de regel. Zo is niet aannemelijk geworden dat verdachte in het geval van [slachtoffer 4] een reële mogelijkheid heeft gehad of tijdig zou krijgen om aan zijn leveringsverplichting te voldoen. Hij beschikte niet over een voorraad stelconplaten, terwijl niet aannemelijk is geworden dat dit medio maart 2009 wél het geval zou zijn.Verdachte heeft [slachtoffer 4] bovendien een partij stelconplaten laten zien (bij de firma Rademaker in Culemborg) die hij naar eigen zeggen zou gaan leveren, terwijl dit feitelijk onjuist was. Gebleken is dat deze partij niet aan verdachte toebehoorde en hem ook niet zou gaan toebehoren. Dat verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in veel (thans niet voorliggende gevallen) wél heeft geleverd, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet ook niet in waarom verdachte er juist in het geval van [slachtoffer 4] belang bij had om wel te leveren. Dit volgt in ieder geval niet (zonder meer) uit het feit dat [slachtoffer 4] via een bevriende aannemer met verdachte in contact was gekomen. Ook een aantal van de andere door verdachte benadeelde personen hadden contacten in de aannemerswereld of waren via via met verdachte in contact gekomen . Niet gebleken is dat dit in de andere gevallen voor verdachte reden is geweest om de platen wel te leveren.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank ook ten aanzien van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich wederrechtelijk te bevoordelen en die [slachtoffer 4] door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtselen heeft bewogen tot afgifte van een bedrag van € 3.000,-.
Feit 1 voor zover betreffende betrokkene [slachtoffer 6]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld.
Op 24 juli 2008 heeft [slachtoffer 6], nadat hij een advertentie had gezien waarin verdachte stelconplaten te koop aanbood, telefonisch contact opgenomen met verdachte . [slachtoffer 6] en verdachte zijn vervolgens overeengekomen dat verdachte 100 stelconplaten zou leveren aan [slachtoffer 6] voor een prijs van € 60,- per plaat. Verdachte zou de platen op 25 juli of 28 juli 2009 leveren te Maurik. Dit heeft hij niet gedaan. Op 29 juli 2009 heeft verdachte contact opgenomen met [slachtoffer 6] en hem laten weten dat hij een bankgarantie wilde voordat hij zou gaan leveren. Verdachte vroeg aan [slachtoffer 6] of hij alvast een deel van het totale bedrag telefonisch wilde overmaken. Op dinsdag 29 juli 2008 heeft de echtgenote van [slachtoffer 6] opdracht gegeven aan de bank om het bedrag van € 3.570,-, over te maken naar de rekening van verdachte. Op 31 juli 2009 heeft verdachte per sms aan [slachtoffer 6] laten weten dat het geld er was.
Standpunt van de officier van justitie
Er is sprake van een voltooid delict omdat [slachtoffer 6] daadwerkelijk geld heeft overgemaakt naar de rekening van verdachte. Verdachte heeft over dit geld beschikt. Dat dit bedrag vervolgens door toedoen van de bank is teruggestort naar de rekening van [slachtoffer 6] doet hier niet aan af.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft nooit de beschikking gehad over het geld dat [slachtoffer 6] naar verdachte heeft overgemaakt. Om die reden is er geen sprake van een voltooide oplichting en dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.
Beoordeling
Verdachte heeft aan [slachtoffer 6] betaling gevraagd voor stelconplaten en gezegd dat hij de platen direct zou leveren nadat hij het geld zou hebben ontvangen. Op het moment dat verdachte en [slachtoffer 6] dit overeenkwamen, beschikte verdachte – anders dan hij deed voorkomen – niet, of in ieder geval niet over voldoende, stelconplaten om aan zijn leveringsplichtingen jegens [slachtoffer 6] en andere afnemers te kunnen voldoen. Verdachte wist op dat moment niet of hij op korte termijn in staat zou zijn om de stelconplaten te leveren.
[slachtoffer 6] heeft het overeengekomen bedrag overgemaakt. Daarmee was de afgifte een feit. [slachtoffer 6] werd tot de afgifte bewogen door hetgeen hem door verdachte was voorgespiegeld.
Reeds daarom was er sprake van een voltooid delict. Dat verdachte, zoals de raadsvrouw betoogt, niet de beschikking zou hebben gehad over dit geld, kan hier niet aan afdoen. Overigens mist het verweer van de raadsvrouw feitelijke grondslag. Anders dan de raadvrouw heeft betoogd, volgt uit het proces-verbaal dat het door [slachtoffer 6] overgemaakte bedrag van
€ 3.570,-, zoals met verdachte afgesproken, op de rekening van [betrokkene 1] is gestort en dat pas na deze storting (en dus nadat verdachte er de beschikking over kreeg) de rekening door de afdeling veiligheidszaken is geblokkeerd.
De rechtbank acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] heeft bewogen tot afgifte (overmaking) van een bedrag van € 3.570,-.
Feit 2
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de periode van 29 juni 2006 tot en met 25 augustus 2006 heeft [slachtoffer 7] in Wetering een bedrag van € 5.950,- euro overgemaakt naar rekeningnummer [nummer] voor de levering van een partij stelconplaten. [slachtoffer 7] had gereageerd op een advertentie waarin stelconplaten te koop werden aangeboden en had vervolgens telefonisch contact opgenomen met de adverteerder. Deze adverteerder noemde zich [verdachte] en vertelde [slachtoffer 7] dat de helft van de platen al verkocht was, dat [slachtoffer 7] de andere helft kon kopen en dat de platen in verschillende vrachten zouden worden gebracht. Daags nadat een gedeelte van de aankoopsom zou zijn aanbetaald, zouden de eerste platen worden geleverd. [slachtoffer 7] heeft het bedrag toen betaald, maar de levering van de stelconplaten is uitgebleven.
Standpunt van de officier van justitie
Verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit, omdat ondanks dat de gang van zaken grote gelijkenissen vertoont met de manier waarop verdachte te werk ging, verdachte niet in verband kan worden gebracht met de aangifte van [slachtoffer 7].
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft altijd ontkend [slachtoffer 7] te kennen en verdachte heeft verklaard dat mogelijk iemand anders, bijvoorbeeld zijn broer, zich voor hem, verdachte, heeft uitgegeven.
Beoordeling
De gang van zaken bij [slachtoffer 7] komt overeen met de werkwijze van de onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde oplichtingen door verdachte. Bovendien is van belang dat [slachtoffer 7] nadat de levering van de stelconplaten op de afgesproken datum uitbleef, meermalen telefonisch contact gehad met de persoon die zich [verdachte] noemde. Hierbij heeft die [verdachte] aan [slachtoffer 7] verteld dat hij darmkanker had, dat hij in het ziekenhuis was opgenomen en dat hij 42 jaar oud was. Dit komt overeen met de persoonlijke omstandigheden van verdachte destijds. Verdachte heeft, zo heeft hij bij de politie en ter terechtzitting van 10 juni 2009 verklaard, darmkanker gehad, is daarvoor geopereerd en was toen 42 jaar oud. Hierbij komt het volgende. In de aangifte van [slachtoffer 7] en in de door hem bij de aangifte overgelegde en op 29 juni 2006 aan [verdachte] Beheer gestuurde bevestigingsbrief wordt een rekeningnummer genoemd waarop [slachtoffer 7] het geld moest overmaken. Dit is hetzelfde rekeningnummer dat bij een deel van de onder feit 1 bewezenverklaarde oplichtingen door verdachte werd gebruikt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze rekening op naam staat van zijn tante, [betrokkene 1]. Verdachte heeft ter terechtzitting geen verklaring kunnen geven voor het feit dat [slachtoffer 7] geld zou hebben overgemaakt naar een rekeningnummer op naam van [betrokkene 1] waarvan gebleken is dat verdachte daarvan gebruik maakte. Eerder had verdachte verklaard dat hij het betreffende rekeningnummer hem niets zei . Verdachte stelt dat de persoon waarmee [slachtoffer 7] contact heeft gehad niet verdachte was maar iemand anders, mogelijk verdachtes broer, [betrokkene 2]. Voor zelfs maar een begin van aannemelijkheid van deze stelling zijn in het dossier noch in de verklaring van verdachte ter terechtzitting aanwijzingen te vinden. Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Feit 4 voor zover betreffende betrokkenen [slachtoffer 9], [slachtoffer 11] en meubelbedrijf Trendhopper
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
• de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juni 2009;
• de verklaring van de aangever [aangever 1] d.d. 29 augustus 2008, p. 220-248;
• de verklaring van de aangever [slachtoffer 11] d.d. 3 februari 2009, p. 282-286;
• de verklaring van de aangever [aangever 2] d.d. 12 februari 2009, p. 290-314.
Feit 4 voor zover betreffende betrokkene [slachtoffer 10]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 8 november 2008 heeft verdachte 149 betonplaten voor een bedrag van
€ 16.625,49 (inclusief BTW) bij V.O.F. [slachtoffer 10] handel en transport in Druten besteld. Op 11 november 2008 heeft verdachte bij V.O.F. [slachtoffer 10] handel en transport nog 75 betonplaten voor een bedrag van € 8.211,- (inclusief BTW) besteld. Afgesproken was dat verdachte na levering zou betalen. De betonplaten zijn in november 2008 geleverd. Betaling van de betonplaten heeft niet plaatsgevonden.
Standpunt van de officier van justitie
Niet aannemelijk is geworden dat verdachte [slachtoffer 10] wilde en ook kon betalen. Gelet op verdachtes financiële positie in januari 2009 was betaling van het verschuldige bedrag van in totaal € 24.836,49 niet reëel.
Standpunt van de verdediging
Verdachte had bij de van [slachtoffer 10] gekochte betonplaten niet het oogmerk om niet te betalen. De factuur van [slachtoffer 10] dateert van 20 januari 2009. Dat deze niet is betaald is enkel te wijten aan verdachtes aanhouding op 29 januari 2009.
Beoordeling
Verdachte heeft een grote hoeveelheid betonplaten bij [slachtoffer 10] besteld en geleverd gekregen. Dat verdachte in november 2008 of daarna de beschikking heeft gehad over een bedrag van € 24.836,49 of dat een dergelijk bedrag zou vrijkomen uit een lopend werk, zoals verdachte ter zitting heeft gesteld, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Uit het door de politie verrichte onderzoek blijkt niet van een serieus startkapitaal voor verdachtes bedrijfsvoering en/of van bedrijfvoorraden. De gang van zaken bij [slachtoffer 10] komt bovendien overeen met de werkwijze van de overige onder 4 tenlastegelegde flessentrekkerij door verdachte. Uit verdachtes gedragingen na de levering van de betonplaten blijkt ook niet van betalingsbereidheid. Op de door [slachtoffer 10] bij de aangifte overgelegde facturen staat immers een betalingstermijn van 14 dagen genoemd, die, zo begrijpt de rechtbank uit de aangifte, moet worden begrepen als 14 dagen na levering van de platen. Na verschillende telefonische aanmaningen waarbij door verdachte aan [slachtoffer 10] verschillende
- verzonnen - redenen werden gegeven waarom nog niet was betaald, is nog een aanmaning, gedateerd 20 januari 2009, gevolgd. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, was de brief van 20 januari 2009 niet een factuur, maar een aanmaning. De betalingstermijn was kortom reeds verstreken. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte wel wilde betalen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw derhalve en komt tot een bewezenverklaring van het feit.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:
1.
hij omstreeks de periode van 29 juli 2008 tot en met 29 januari 2009 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten respectievelijk 5.355 euro, 12.500 euro, -ongeveer- 6.000 euro, 3.000 euro, 1.125 euro en 3.570 euro), hierin bestaande dat verdachte telkens met
vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (in een advertentie) stelconplaten te koop aanbood en/of na telefonisch contact zei dat de platen snel geleverd konden worden en/of zei dat contante betaling aan de chauffeur niet mogelijk was en/of zei dat de platen bij de Shell in Rotterdam of aan de Plantijnweg te Culemborg lagen (waar de potentiële koper ze alvast kon bekijken) en/of zei dat, indien er niet snel betaald zou worden, hij de platen naar een ander adres zou gaan brengen en/of dat hij direkt zou leveren op het moment dat hij geld zou ontvangen en/of dat hij volledige aanbetaling wilde in verband met de lange termijn tussen koopovereenkomst en levering en/of dat hij een spoed-/telefonische aanbetaling wilde in verband met snelle levering, althans woorden van gelijke aard of strekking, en zich daarmee heeft voorgedaan als een verkoper die de overeengekomen koopovereenkomst kon en wilde nakomen en de bestelde goederen kon en wilde leveren, waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
2.
hij in de periode van 29 juni 2006 tot en met 25 augustus 2006 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van 5.950 euro, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een advertentie heeft geplaatst waarin hij stelconplaten te koop aanbood en na telefonisch contact met die [slachtoffer 7] zei dat de helft van de platen al verkocht was en zei dat de platen in verschillende vrachten zouden worden gebracht en zei dat er een (telefonische) aanbetaling moest volgen en zich daarmee heeft voorgedaan als een verkoper die de overeengekomen koopovereenkomst kon en wilde nakomen en de bestelde goederen kon en wilde leveren, waardoor die [slachtoffer 7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4.
hij in de periode van 12 augustus 2008 tot en met 30 januari 2009 op na te noemen plaatsen, een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk de navolgende goederen heeft gekocht -van wie en op tijd en plaats daarbij vermeld-, te weten:
- in de periode van 12 augustus t/m 22 augustus 2008 in Nederland, van [slachtoffer 9], een (grote) hoeveelheid stelconplaten (ter waarde van 36.780,52 euro) en
- in de periode van 1 november 2008 t/m 30 januari 2009 in Nederland, van [slachtoffer 10], een (grote) hoeveelheid betonplaten (ter waarde van 24.836,49 euro) en
- in de periode van 20 november 2008 t/m 4 december 2008 in de gemeente Culemborg van [slachtoffer 11], 3 LCD-televisies en 1 home-cinemaset en een strijkijzer en een friteuse (totaal ter waarde van 4.558 euro) en
- in de periode van 6 oktober 2008 t/m 12 februari 2009 in de gemeente Druten van meubelbedrijf Trendhopper, diverse meubels (totaal ter waarde van 45.077,20 euro).
Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
oplichting, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
oplichting
Ten aanzien van feit 4:
een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren
4b. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
5. De strafbaarheid van verdachte
Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.
6. De motivering van de sanctie(s)
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:
• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 2 februari 2009; en
• een brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, gedateerd 4 maart 2009, betreffende verdachte; en
• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 28 april 2009, betreffende verdachte; en
• een pro justitia rapport opgemaakt door drs. J.H.A.M. Kobussen, klinische psycholoog-psychotherapeut, gedateerd 2 juni 2009, betreffende verdachte.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.
Verdachte heeft in de periode van juni 2006 tot en met januari 2009 meerdere personen en bedrijven opgelicht door aan hen stelconplaten te verkopen waarover hij niet (of niet in voldoende mate) beschikte. Verdachte ging hierbij als volgt te werk. Hij drong bij de betrokkenen bij het sluiten van de koopovereenkomst aan op het betalen van een voorschot. Deze betaling vond meestal plaats via een telefonische spoedoverboeking. Vervolgens kwam verdachte steeds met nieuwe redenen waarom hij de platen niet kon leveren. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat dit smoezen waren. Hij beschikte volgens eigen zeggen wel over een bepaalde hoeveelheid stelconplaten, maar hij had deze partij meerdere malen aan verschillende personen en bedrijven verkocht. Het door de betrokkenen betaalde voorschot werd vervolgens door verdachte niet voor de bedrijfsvoering aangewend, maar om luxegoederen, zoals een auto, aan te schaffen.
In genoemde periode heeft hij zich eveneens schuldig gemaakt aan flessentrekkerij door bij verschillende bedrijven goederen te kopen, zonder daarvoor te betalen. Ook hierbij maakte verdachte gebruik van allerlei verzinsels om de betaling uit te stellen.
Op geen enkele wijze is gebleken dat er bij het door verdachte, kort na na zijn eerdere detentie, op 1 juni 2008 opgerichte bedrijf sprake was van een gezond startkapitaal, bedrijfsvoorraden, werknemers, een boekhouding of enig andere vorm van serieuze bedrijfsvoering. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte ook ditmaal niet de intentie heeft gehad eerlijk zaken te gaan doen.
Verdachte heeft door zijn handelwijze veel schade toegebracht aan de betrokken bedrijven en personen en misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. De feiten hebben tevens voor veel maatschappelijke onrust gezorgd.
Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat verdachte reeds vele malen is veroordeeld ter zake van oplichting en flessentrekkerij, onder andere tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Kennelijk heeft verdachte weinig geleerd van de eerdere veroordelingen.
Uit de eerder genoemde rapportage opgemaakt door de psycholoog drs. J.H.A.M. Kobussen blijkt dat verdachte met betrekking tot het tenlastegelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Overwogen is dat door verdachtes persoonlijkheidsproblematiek, in het bijzonder zijn lacunaire gewetensfunctie en zelfgerichtheid, verdachte snel geneigd is misbruik te maken van het vertrouwen dat hij bij mensen weet te wekken. Zijn beperkte inzicht in zijn eigen gedrag en de consequenties daarvan voor anderen, maken dat verdachte niet snel van zijn fouten leert. Gelet hierop acht de deskundige het recidiverisico sterk aanwezig. Geadviseerd wordt om als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel langdurig reclasseringstoezicht op te leggen om zodoende toezicht uit te oefenen op verdachtes functioneren en de zaken die hij aangaat.
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de vraag welke straf passend is op het standpunt dat in dit geval de nadruk dient te worden gelegd op het afstraffen van verdachte. Er is geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat niet gebleken is dat verdachte hierdoor zal worden weerhouden strafbare feiten te plegen. De officier van justitie is van mening dat het op de weg van verdachte ligt om hulp te zoeken voor zijn problemen en dat het niet aan justitie is om hem hierin tegemoet te komen. De officier van justitie heeft om die reden geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte gebaat zou zijn bij een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringtoezicht. De raadsvrouw wijst hierbij op hetgeen door drs. J.H.A.M. Kobussen in de pro justitia rapportage naar voren is gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte op te leggen straf niet alleen gericht moet zijn op het afstraffen van verdachte, zoals de officier van justitie heeft betoogd, maar tevens ervoor dient te zorgen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten gaat plegen en daardoor nog meer schade toebrengt aan de maatschappij. Om die reden zal de rechtbank aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tevens een lange voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Voorts acht de rechtbank niettegenstaande de justitiële documentatie van verdachte de gevorderde straf gelet op de omvang van het feitencomplex wat te hoog.
6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering strekkende tot vergoeding van geleden schade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 5.355,-.
De benadeelde partij Kraan en Truck Service B.V. vordert een bedrag van € 12.500,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een bedrag van € 3.000,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert een bedrag van € 5.000,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert een bedrag van € 2.900,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een bedrag van € 42.500,-
De benadeelde partij [slachtoffer 10] vordert een bedrag van € 20.871,-
De vordering van [benadeelde partij 1] is niet betwist door verdachte en komt de rechtbank gegrond voor. De recht¬bank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.
De vordering van Kraan en Truck Service B.V. komt de rechtbank gegrond voor en is door verdachte niet betwist. De rechtbank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde [slachtoffer 4] weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde [slachtoffer 7] weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat de door hem geleden schade niet rechtstreeks is toegebracht door een jegens verdachte bewezenverklaard feit.
De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 9] tot een bedrag van € 7.758,- aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op dat bedrag is begroot. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in de vordering, aangezien deze niet van eenvoudige aard is, nu onder meer onvoldoende duidelijk is geworden welke goederen vergoed zijn door de verzekering, zodat de vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Ten aanzien van de immateriële schade verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en daarmee niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde [slachtoffer 10] weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
7. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 63, 326 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank, rechtdoende:
Spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit.
Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 12 (twaalf) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:
Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven.
Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.
Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1).
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij 1], wonende te [adres], te betalen € 5.355,- (zegge vijfduizenddriehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 oktober 2008.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Maatregel van schadevergoeding ad € 5.355,-, subsidiair 61 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], wonende te [adres], te betalen € 5.355,- (zegge vijfduizenddriehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 oktober 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Kraan en Truck Service B.V. (feit 1)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan Kraan en Truck Service B.V., Kranenburgweg 175, 2583 ER Den Haag, te betalen € 12.500,- (zegge twaalfduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 november 2008.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Maatregel van schadevergoeding ad € 12.500,-, subsidiair 97 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Kraan en Truck Service B.V., Kranenburgweg 175, 2583 ER Den Haag, te betalen € 12.500,- (zegge twaalfduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 november 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 97 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1).
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 4], wonende te [adres], te betalen € 3.000,- (zegge drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 december 2008.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Maatregel van schadevergoeding ad € 3.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], wonende te [adres], te betalen € 3.000,- (zegge drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 december 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 2).
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 7], wonende te [adres], te betalen € 5.000,- (zegge vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 juni 2006.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Maatregel van schadevergoeding ad € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7], wonende te [adres], te betalen € 5.000,- (zegge vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 juni 2006, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 3).
- Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in zijn vordering nu de vordering omdat de door hem geleden schade niet rechtstreeks is toegebracht door een jegens verdachte bewezenverklaard feit. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] (feit 4).
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 9], wonende te [adres], te betalen € 7.758,- (zegge zevenduizendzevenhonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 augustus 2008.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Maatregel van schadevergoeding ad € 7.758,-, subsidiair 73 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], wonende te [adres], te betalen € 7.758,- (zegge zevenduizendzevenhonderdachtenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 augustus 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 73 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 4).
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.
- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 10], wonende te [adres], te betalen € 20.871,- (zegge twintigduizendachthonderdéénenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 november 2008.
- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Maatregel van schadevergoeding ad € 20.871,-, subsidiair 139 dagen hechtenis.
- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10], wonende te [adres], te betalen € 20.871,- (zegge twintigduizendachthonderdéénenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 november 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 139 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.
Aldus gewezen door:
mr. V. van der Kuil, als voorzitter,
mr. J.H.M. Westenbroek, rechter,
mr. G.M.L. Tomassen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. G.E.T. Lautenbach, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juni 2009.