
Jurisprudentie
BJ1041
Datum uitspraak2009-05-07
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2895 WU
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2895 WU
Statusgepubliceerd
Indicatie
Samenloop voorziening huishoudelijke hulp op grond van de Wuv en PGB.
Uitspraak
08/2895 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 7 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 28 april 2008, kenmerk BZ 47539 JZ/I80/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Namens appellante is daar verschenen Y. van Barreveld als gemachtigde, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is vervolgde in de zin van de Wet. Aan haar is als zodanig, voor zover hier van belang, een vergoeding van huishoudelijke hulp toegekend, laatstelijk voor 6 uur per week ingaande 1 februari 2007.
Ingaande 16 juli 2007 is aan appellante door de gemeente Hof van Twente een Persoonsgebonden Budget (PGB) toegekend ten behoeve van huishoudelijke hulp voor drie uur per week. Blijkens het aan dit PGB ten grondslag liggende indicatiebesluit is appellante wat betreft haar behoefte aan huishoudelijke hulp ingedeeld in klasse 2, waarbij 2 tot 3,9 uur per week hoort voor zwaar huishoudelijk werk.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster de aan dit PGB verbonden, ten laste van appellante blijvende eigen bijdrage overeenkomstig het daarover vastgestelde beleid vergoed. Daarnaast heeft verweerster, ervan uitgaande dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp door de gemeente dezelfde werkzaamheden betreft als die waarvoor de eerste 4 uur huishoudelijke hulp op grond van de Wet zijn toegekend, te weten zwaar huishoudelijk werk, de vergoeding van huishoudelijke hulp op grond van de Wet teruggebracht tot 2 uur per week.
1.2. In beroep heeft appellante, in de kern, naar voren gebracht dat op deze wijze niet alle, vanwege haar causale ziekten en gebreken noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp worden vergoed. Hierbij is vooral gesteld dat de door de gemeente vergoede uren huishoudelijke hulp een broodnodige extra zouden moeten vormen, nu zij vanwege haar slechte gezondheid veel meer uren huishoudelijk hulp nodig heeft dan nu in feite resteert.
2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Deze vraag beantwoordt de Raad op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.
2.1. Ingevolge artikel 20 van de Wet worden de ten laste van de vervolgde blijvende kosten van uit de vervolging voortvloeiende geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee direct verband houdende extra kosten van noodzakelijke voorzieningen vergoed. Dit betekent dat een voor dezelfde behandeling of voorziening elders verkregen vergoeding door verweerster in aftrek moet worden genomen. Hiervan uitgaande acht de Raad het beleid van verweerster om bij toekenning van een PGB de verschuldigde eigen bijdrage te vergoeden in zijn algemeenheid in overeenstemming met een redelijke toepassing van artikel 20 van de Wet.
2.2. Verder kan de Raad volgen de opvatting van verweerster dat de onderhavige toekenning van een voorziening voor huishoudelijke hulp door de gemeente, gelet op de daaraan ten grondslag liggende indicatie, overeenkomt met de basisvoorziening huishoudelijke hulp zoals die door verweerster op grond van de Wet wordt verleend. Dat verweerster bij die basisvoorziening ervan uitgaat dat hiervoor 4 uur huishoudelijke hulp kan worden vergoed, terwijl de gemeente van oordeel is dat diezelfde hulp ook in drie uur kan worden uitgevoerd is voor de toepassing van artikel 20 voormeld niet van belang.
2.3. De Raad merkt nog op dat het appellante vrijstaat om - naar blijkens mededeling ter zitting ook al is gebeurd - een aanvraag om uitbreiding huishoudelijke hulp bij verweerster in te dienen indien naar haar mening haar met de vervolging verband houdende ziekten of gebreken daartoe nopen.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat geen grond bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD